Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2096

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
RK 18/6030
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Art. 7 Wet DNA-onderzoek. Afname DNA na niet betalen transactievoorstel. Bezwaar gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/213102-14

RK: 18/6030

Beschikking op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van:

[naam veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ,

wonende op het [adres] , woonplaats kiezend op het adres van zijn raadsvrouw,

mr. N. el Farouqui, Roelof Hartstraat 31, 1071 VG te Amsterdam,

veroordeelde.

Het procesverloop

Het bezwaarschrift is op 7 september 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 8 februari 2019 de gemachtigde raadsvrouw en de officier van justitie in besloten raadkamer gehoord.

Veroordeelde is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Inhoud van het verzoekschrift

Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen van het DNA-profiel van veroordeelde en de opname daarvan in de DNA-databank.

De raadsvrouw heeft in raadkamer aangevoerd dat aan veroordeelde destijds een OM-transactie, bestaande uit een taakstraf en een geldboete, is aangeboden. De taakstraf heeft veroordeelde voldaan. Doordat hij de geldboete net buiten de termijn heeft betaald, is de zaak toch op zitting gekomen. Bij een transactie wordt geen bevel DNA-afname gegeven. Veroordeelde is thans ouder dan 50 jaar en in zijn hele leven maar tweemaal met justitie in aanraking geweest.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard omdat de uitzonderingen voor afname DNA zoals in de Wet beschreven niet op veroordeelde van toepassing zijn en recidive niet valt uit te sluiten.

De beoordeling

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Veroordeelde heeft zich op 1 oktober 2014 schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft diezelfde dag ingesteld met het (transactie)voorstel van de officier van justitie tot het verrichten van een taakstraf van 14 uur en het betalen van een schadevergoeding van 150 euro. De instemmingverklaring houdt onder meer in dat veroordeelde ermee bekend is dat als de taakstaf positief is afgerond, hij niet ter terechtzitting hoeft te verschijnen.

Aangezien de veroordeelde wel zijn taakstraf had verricht maar niet tijdig voldaan had aan de voorwaarde schadevergoeding te betalen is hij alsnog gedagvaard.

Veroordeelde is bij vonnis van 29 juni 2018 van de politierechter in deze rechtbank, ter zake van mishandeling (artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) veroordeeld tot (onder meer) een – ten tijde van de strafzaak reeds door de veroordeelde verrichte – taakstraf van 14 uren subsidiair 7 dagen hechtenis.

Op grond van deze veroordeelde heeft de heeft de officier van justitie op 26 juli 2018 bepaald dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van zijn DNA-profiel.

Op 29 augustus 2018 is het celmateriaal van veroordeelde afgenomen.

Het bezwaarschrift is op 6 september 2018 ter griffie van deze rechtbank ingediend, derhalve binnen de in artikel 7 van de Wet genoemde termijn van veertien dagen. Veroordeelde kan in zoverre worden ontvangen in haar bezwaar.

De rechtbank stelt voorop dat de Wet ertoe strekt gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen alsmede veroordeelden van het plegen van nieuwe strafbare feiten te weerhouden. Tekst, alsmede doel en strekking van de Wet hebben als uitgangspunt dat bij iedereen die is veroordeeld tot een gevangenisstraf of taakstraf wegens het begaan van een misdrijf zoals genoemd in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), kort gezegd een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, celmateriaal dient te worden afgenomen (artikel 2, eerste lid, in combinatie met artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet). De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven tenzij zich een van de in het eerste lid van artikel 2 van de Wet genoemde uitzonderingen voordoet.

De rechtbank stelt vast dat artikel 300 Sr, waarvoor veroordeelde tot een taakstraf is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv.

Er is voor zover bekend van veroordeelde niet reeds een DNA-profiel verwerkt overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering of de Algemene verordening gegevensbescherming.

Aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto artikel 1, onder c van de Wet is derhalve voldaan.

De rechtbank moet beoordelen of een van de in artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet genoemde uitzonderingen zich voordoet, te weten of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd.

De Hoge Raad heeft bepaald dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de twee hiervoor genoemde – beperkt – uit te leggen uitzonderingen (Hoge Raad 13 mei 2018, ECLI:NL:HR:2008:BC8231, NJ 2008/627 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234, NJ 2008/628). Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan hetgeen de veroordeelde stelt omtrent de gang van zaken wat betreft de transactie en de schadevergoeding, temeer nu dit overeenkomt met de stukken in het dossier. De Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden is niet van toepassing in het geval van een transactie. Dit betekent dat na een transactie geen DNA kan worden afgenomen bij degene die heeft ingestemd met het transactievoorstel en dat zijn DNA niet in de databank wordt opgenomen. De enige reden dat de zaak van veroordeelde na de transactie op zitting is gebracht, is omdat veroordeelde niet tijdig de schade heeft vergoed. Doordat de zaak toen alsnog op zitting is gekomen, heeft hij DNA moeten afstaan.

Gelet op het vorenstaande, mede bezien in het licht van het blanco strafblad van veroordeelde, zal de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaren. De rechtbank acht redelijkerwijs aannemelijk dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde in dit geval niet van betekenis zal kunnen zijn ter voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van toekomstige strafbare feiten aangezien het een eenmalig incident betreft dat in eerste instantie middels een transactievoorstel is afgedaan (vgl. Zie ECLI:NL:RBDHA:2016:11383).

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond zal worden vernietigd.

Deze beslissing is gegeven door

mr. W.M.C. van den Berg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en op 8 februari 2019 in het openbaar uitgesproken.