Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2094

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 858 en AWB - 19_861
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Gemeente dient binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 19/858 en AMS 19/861

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 maart 2019 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

JCDecaux Nederland B.V., te Amsterdam , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.C. de Smidt),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam , verweerder

(gemachtigde: mr. V. van Toledo).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

- [derde-partij 1] ,

ter zitting vertegenwoordigd door [naam 1] ;

- [derde-partij 2] ,

ter zitting vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] ;

- [derde-partij 3] ,

ter zitting vertegenwoordigd door [naam 4] en [naam 5] ;

- [derde-partij 4] ,

ter zitting vertegenwoordigd door [naam 6] ;

allen te [plaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoekster een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van 28 digitale reclamezuilen in stadsdeel Centrum voor de duur van vijftien maanden.

Bij besluit van 31 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partijen gegrond verklaard, het besluit herroepen en verzoekster de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar directeur [naam directeur] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder en derde-partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun hierboven genoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Achtergrond en geschil

2.1

Verweerder en verzoekster hebben een contractuele relatie, inhoudende (onder meer) dat verzoekster reclamepanelen in de gemeente Amsterdam exploiteert. Op basis van hun overeenkomst heeft verzoekster op diverse locaties in Amsterdam analoge reclamepanelen geplaatst. Deze reclamepanelen worden Mupi’s genoemd (mobilier urbain pour l'information). Het gaat om reclameborden die van binnenuit verlicht worden zodat zij 24 uur per dag zichtbaar zijn. In de analoge Mupi’s zijn roterende posters geplaatst.

2.2

Sinds 2016 zijn verweerder en verzoekster in overleg over de vraag of de analoge Mupi’s vervangen kunnen worden door digitale Mupi’s en of die naast roterende posters ook bewegende beelden mogen vertonen. Met digitale Mupi’s is het mogelijk om stills, animated stills en bewegende beelden te vertonen. Een Mupi is een bouwwerk en daarom is voor het plaatsen ervan een omgevingsvergunning vereist op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Dat geldt ook voor het vervangen van een analoge door een digitale Mupi, want daarmee wordt een nieuw bouwwerk geplaatst.

2.3

In de periode 2016/2017 heeft verzoekster zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunningen analoge Mupi’s vervangen voor digitale. Daarop is verzoekster bewegende beelden gaan vertonen.

2.4

Verweerder stond daardoor voor de keuze om te handhaven of te legaliseren. Omdat verweerder en verzoekster een contractuele relatie met elkaar hebben, zijn zij in gesprek gegaan en hebben zij voor een tussenoplossing gekozen. Die hield in dat verweerder een tijdelijke vergunning aan verzoekster zou verlenen voor het plaatsen van digitale Mupi’s voor de duur van vijftien maanden. Verweerder kreeg op die wijze de tijd om beleid te ontwikkelen met betrekking tot bewegende beelden als onderdeel van een bouwwerk (digitale Mupi’s). Op dit moment bestaat daarover nog geen beleid.

2.5

Om deze tussenoplossing te realiseren heeft verweerder het primaire besluit genomen. Daarin zijn omgevingsvergunningen verleend voor het, in strijd met de geldende bestemmingsplannen, plaatsen van 28 digitale reclamezuilen in het stadsdeel centrum voor de duur van vijftien maanden, tot 15 juni 2019. Verweerder heeft in dat besluit overwogen dat er op dat moment geen eenduidig beleid bestond over het plaatsen van digitale Mupi’s en dat het afwachten op het integrale beleid voldoende redenen geeft om het tijdelijk plaatsen van de Mupi’s toe te staan.

2.6

Derde-partijen hebben daartegen bezwaar gemaakt. De kern van hun bezwaren komt er op neer dat de bewegende beelden zorgen voor verrommeling, een onrustig straatbeeld, een gevaar voor de verkeersveiligheid en een negatieve invloed op het woon- en leefklimaat. Ook doen zij afbreuk aan de schoonheid van de historische binnenstad, zijnde UNESCO werelderfgoed.

2.7

In het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de bezwaaradviescommissie (hierna: de commissie) gevolgd. Na de gehouden hoorzitting was de commissie van oordeel dat het primaire besluit onvoldoende inzicht geeft in de gemaakte belangenafweging. De commissie heeft verweerder de gelegenheid gegeven een aanvulling te geven. Verweerder heeft ervoor gekozen die niet te geven, maar het nieuwe beleid voor buitenreclame afwachten dat in de maak is. Daarom heeft de commissie geadviseerd de bezwaren gegrond te verklaren. Verweerder heeft eerder aanvragen voor de permanente plaatsing van een digitale Mupi geweigerd omdat andere belangen zwaarder wegen. In die procedure waren dezelfde belangen aangevoerd als hier door de bezwaarmakers. Het is onduidelijk waarom dat nu anders is. Het enkele feit dat het hier om tijdelijke Mupi’s gaat, maakt niet dat de belangenafweging dan wel in het voordeel van verzoekster uitvalt. Per locatie dient te worden gemotiveerd waarom de belangen van verzoekster zwaarder wegen dan de belangen van de omgeving (woon- en leefklimaat, verkeersveiligheid, aantasting historische binnenstad). Omdat dat niet is gebeurd, herroept verweerder de in het primaire besluit verleende vergunningen.

2.8

Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit vanwege kort samengevat het volgende. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb: het besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De bezwaren zijn immers gegrond verklaard omdat verweerder geweigerd heeft de vereiste belangenafweging te maken. Verzoekster moet als gevolg van het besluit het gebruik van de digitale Mupi’s staken en zij ondervindt daardoor grote schade. Zij kan dan immers haar overeenkomsten met klanten niet nakomen. Verzoekster vraagt daarom vernietiging van het bestreden besluit en verzoekt de voorzieningenrechter tevens, in afwachting van een nieuw besluit, een voorziening te treffen inhoudende dat zij tot veertien weken na bekendmaking van het aankomende beleid over buitenreclame de digitale Mupi’s mag blijven gebruiken.

Beoordeling van het geschil

3.1

Zoals door de bezwaaradviescommissie is aangegeven dient verweerder per locatie en per bestemmingsplan een belangenafweging te maken over het al dan niet toestaan van een digitale Mupi op die plaats. Ter zitting en in het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat hij besloten heeft die belangenafweging niet te maken omdat het te vormen beleid tijdens de bezwaarprocedure nog niet was uitgekristalliseerd. Iedere motivering van de belangenafweging zou daarom volgens verweerder vooruit lopen op dat beleid en dat was juist niet de bedoeling geweest bij het afgeven van de tijdelijke vergunning. Uit dit feitencomplex volgt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft vastgesteld dat in het primaire besluit een belangenafweging ontbreekt en heeft geweigerd die alsnog te maken. Verweerder heeft de in het primaire besluit verleende vergunningen herroepen nadat derde-partijen bezwaar hadden gemaakt. De in bezwaar gestelde belangen zijn echter niet afgewogen tegen die van verzoekster. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het bestreden besluit moet worden vernietigd en verweerder zal opnieuw op de bezwaren van derde-partijen moeten beslissen. De voorzieningenrechter ziet in de gegeven situatie geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten.

3.2

De vernietiging van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat het primaire besluit herleeft. Dit brengt met zich dat verzoekster de digitale Mupi’s mag exploiteren tot 15 juni 2019. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om, zoals door verzoekster verzocht, een voorziening te treffen inhoudende dat verzoekster ook na die datum, in afwachting van het beleid voor buitenreclame, de Mupi’s mag exploiteren. Inmiddels is namelijk wel duidelijk geworden dat het toekomstige beleid van verweerder bewegende beelden op die locaties niet zal toestaan. Verweerder heeft bij brief van 4 december 2018 de gemeenteraad toegezegd de aangenomen motie van 14 maart 2018 van de raadsleden [raadslid 1] en [raadslid 2] uit te voeren. Naar verwachting zal verzoekster de digitale Mupi’s met bewegende beelden daarom niet permanent mogen exploiteren. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat door het herleven van het primaire besluit de belangen van derde-partijen niet worden gediend. Omdat de vergunningen eindigen op 15 juni 2019 is die voor hen nadelige situatie van betrekkelijk korte duur.

Conclusie

4. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1024,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 512,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Ook bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierechten (€ 690,-) vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 690,- aan verzoekster te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.