Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2053

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
13/654153-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bedrijfsinbraken en gevaarlijk rijden met personenauto tijdens vlucht voor de politie. Jeugddetentie opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/654153-18 en 13/654138-17(TUL) (Promis)

Datum uitspraak: 24 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]
, gedetineerd in het [plaats detentie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.R. Bons en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. W.P.A. Vos naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting, – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verschillende bedrijfsinbraken op
26 en 27 september 2018 en op 5 oktober 2018. Verder zou verdachte zich schuldig gemaakt hebben aan de diefstal van een personenauto op 13 februari 2018 dan wel de heling van deze auto op 5 oktober 2018. Tenslotte wordt verdachte verweten dat hij samen met een ander op
5 oktober 2018 gevaarlijk heeft gereden in een personenauto door daarin met hoge snelheid weg te vluchten voor de politie, waarbij tijdens het rijden voorwerpen uit de auto zijn gegooid.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt de feiten 1, 3 subsidiair en 4 bewezen op grond van de bewijsmiddelen in het dossier. Voor de feiten 2 en 3 primair heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, omdat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft voor alle feiten vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw bepleit dat op basis van de bewijsmiddelen niet is komen vast te staan dat verdachte in de Volkswagen Golf (verder: de Volkswagen) heeft gezeten die van Zaandam naar Amsterdam is gereden. Verdachte ontkent dit. Verdachte was op de [adres 1] omdat hij zijn zuster wilde bezoeken, die daar woont.
Uit de gegevens van het volgbaken blijkt dat de Volkswagen na de inbraak in Zaandam een paar keer heeft stil gestaan. Dit houdt de mogelijkheid open dat iemand anders na de inbraak in de Volkswagen is gestapt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak voor feit 2 en 3

Met de officier van justitie en de raadsvrouw vindt de rechtbank dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak zoals die onder feit 2 ten laste is gelegd.

De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van feit 3; de diefstal dan wel heling van de Volkswagen. De rechtbank ziet onvoldoende bewijs voor betrokkenheid bij de diefstal van de Volkswagen. De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van de diefstal gedetineerd zat wat maakt dat hij de Volkswagen niet gestolen kan hebben. Ook de heling kan naar het oordeel niet worden bewezen, nu uit de stukken onvoldoende blijkt dat verdachte op het moment dat hij die auto voorhanden kreeg heeft geweten of moest vermoeden dat de auto van misdrijf afkomstig was. Het feit dat het chassisnummer met een stukje karton was afgedekt maakt dat niet anders, nu niet duidelijk is wie dat heeft gedaan, en wanneer.

3.3.2

Het bewijs voor de inbraak bij makelaarskantoor op 5 oktober 2018 in Koog aan de Zaan (feit 1) en de daarop volgende achtervolging met gevaarzetting (feit 4)

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] een inbraak heeft gepleegd bij een makelaarskantoor in Koog aan de Zaan op 5 oktober 2018. De rechtbank vindt ook bewezen dat verdachte na deze inbraak samen met [medeverdachte] in de Volkswagen is weggevlucht voor de politie waarbij zij zeer gevaarlijk hebben gereden en zij tijdens die rit voorwerpen uit de Volkswagen op straat hebben gegooid.

Uit het dossier blijkt dat in de nacht van 4 op 5 oktober 2018 rond middernacht is ingebroken in het pand aan de [adres 2] te Koog aan de Zaan. Dit is een makelaarskantoor. Er is een ruit van de voordeur ingeslagen en er zijn zes Imac computers en computer-accessoires weggenomen.

Er zijn twee getuigen gehoord in deze zaak. Getuige [getuige 1] hoort harde klappen en ziet vanuit haar woning twee personen bij het makelaarskantoor staan die een raam stukslaan. Zij ziet de personen naar binnen gaan en naar buiten komen met computerbeeldschermen in hun handen. De personen gaan een aantal keren naar binnen en komen weer naar buiten.
De personen leggen de beeldschermen in een kleine zwarte auto die lijkt op een Volkswagen Golf. Zij ziet dat de auto vervolgens wegrijdt. Getuige [getuige 2] , die boven het makelaarskantoor woont, hoort rond middernacht doffe klappen, voelt dat zijn huis trilt en denkt dat er iemand bij hem naar binnen wil komen. . [getuige 2] ziet vanuit zijn woning een man heen en weer rennen tussen het pand en een donkere auto, mogelijk een Volkswagen Golf of Polo. De man heeft een Imac computer in zijn handen en legt die in de auto. Daarna gaat de auto er met hoge snelheid vandoor.

Het onderzoek in deze zaak wordt gestart naar aanleiding van een afschermproces-verbaal waaruit blijkt dat een Volkswagen Golf GTI in een parkeergarage aan de Karspeldreef in Amsterdam staat die gebruikt wordt bij inbraken. Op de Volkswagen zijn valse kenteken-platen bevestigd met kentekennummer [kenteken] . Hierop wordt een volgbaken op de auto geplaatst.

Uit de gegevens van het volgbaken blijkt dat deze op 4 oktober 2018 omstreeks 23.12 uur actief wordt. De Volkswagen rijdt vanaf de Karspeldreef richting Zaandam. Omstreeks
23.50 uur staat de auto geruime tijd stil in de omgeving van de [adres 2] in Koog aan de Zaan. Rond middernacht rijdt de Volkswagen richting snelweg A8 richting Amsterdam. Gelijktijdig hoort verbalisant [verbalisant] via een melding dat een inbraak in een makelaarskantoor gevestigd aan de [adres 2] in Koog aan de Zaan heeft plaatsgevonden en dat meer computers zouden zijn wegegenomen door twee mannen die zijn weggereden in een donkere Volkswagen. Uit de peilbakengegevens is de rechtbank niet gebleken dat tijdens de rit van Koog aan de Zaan naar Amsterdam de Volkswagen dermate lang is gestopt dat zich een mogelijkheid heeft voorgedaan dat andere personen zouden zijn ingestapt. Beide verdachten hebben hierover overigens ook geen verklaring afgelegd.

Uit de gegevens van het volgbaken blijkt dat de Volkswagen omstreeks 00.06 uur via de rijksweg A7 richting de A8 en A10 naar de Gooiseweg in Amsterdam rijdt. Daar komt de Volkswagen in het zicht van verschillende verbalisanten die in onopvallende politieauto’s de Volkswagen vanaf dat moment volgen.

Inmiddels is de politiehelikopter aanwezig die de Volkswagen ook volgt en beelden maakt. Uit de verklaringen van de verbalisanten die achter de Volkswagen aanrijden en de beelden die gemaakt zijn vanuit de politiehelikopter blijkt dat er twee personen in de Volkswagen zitten, dat deze met hoge snelheid door Amsterdam Zuidoost rijdt en dat er tijdens het rijden aan de bijrijderszijde objecten uit het raam worden gegooid.

Tijdens de achtervolging door de politie waarbij de maximum snelheid door de Volkswagen ruimschoots wordt overschreden, deze meerdere keren op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer rijdt en de bestuurder stoptekens van de politie negeert, raakt de Volkswagen op enig moment één van de politieauto’s aan de achterzijde. De Volkswagen rijdt hierop weer op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer en passeert met hoge snelheid tegemoetkomende auto’s waarvan enkele moeten uitwijken.

Ter hoogte van het Hoptillepad rijdt de Volkswagen een talud op, botst tegen de betonnen rand van een viaduct en komt tot stilstand. Er stappen twee personen uit de Volkswagen, een aan de bestuurderskant en een aan de bijrijderskant. Uit de beelden van de politiehelikopter blijkt dat deze personen wegrennen richting [adres 1] . Medeverdachte [medeverdachte] wordt vrijwel direct aangehouden op de [adres 1] bij perceel nummer [perceelnummer 1] . Verdachte wordt een minuut later aangehouden bij [adres 1] perceel nummer [perceelnummer 2] .

Op de vluchtroute van de Volkswagen worden later op diverse plaatsen computers aangetroffen. In de Volkswagen worden goederen aangetroffen die door het makelaarskantoor als gestolen zijn opgegeven.

In het licht van deze feiten en omstandigheden vindt de rechtbank bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] heeft ingebroken bij het makelaarskantoor in Koog aan de Zaan en dat zij daar Apple apparatuur en accessoires hebben weggenomen. Zij zijn daarna samen teruggereden in de Volkswagen naar Amsterdam. Vervolgens hebben zij, nadat zij in het vizier van de politie waren gekomen, op gevaarlijke wijze en met hoge en op momenten zeer hoge snelheden met de Volkswagen door Amsterdam Zuidoost gereden in een poging om aan de politie te ontkomen. Dat dit alles in nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] is gepleegd blijkt uit de camerabeelden van de politiehelikopter waaruit volgt dat [medeverdachte] de Volkswagen bestuurde en dat verdachte als bijrijder tijdens het rijden meermalen goederen uit het raam van de auto heeft gegooid. Dit terwijl ook andere weggebruikers op de afgelegde weg aanwezig waren. De verklaring van verdachte op de terechtzitting dat hij niet in de Volkswagen heeft gezeten en op de [adres 1] was om zijn zuster te bezoeken, legt de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

omstreeks 5 oktober 2018 te Koog aan de Zaan, omstreeks 00.05 uur, in de voor de nachtrust bestemde tijd, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijf, (makelaarskantoor) gevestigd in een pand aan de [adres 2] heeft weggenomen zes l-MAC computers en accessoires, van het merk Apple, toebehorende aan [persoon] en/of aan het bedrijf [bedrijf] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door een ruit van dat pand in te slaan;

ten aanzien van feit 4:

hij op 5 oktober 2018 te Amsterdam, als bijrijder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg de Gooiseweg en Flierbosdreef en op de route van de Rijksweg A10 naar het Hoptillepad tezamen en in vereniging met een ander, zich zodanig heeft gedragen dat

daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt, bestaande dat gedrag hieruit, dat verdachte en zijn mededader hebben gereden over de Gooiseweg en de Flierbosdreef en Hoogoorddreef en op de hiervoor genoemde route:

- terwijl verdachte en zijn mededader achtervolgd werden door politievoertuigen, en - verdachte en zijn mededader vanaf de Karspeldreef hebben gereden met een snelheid die hoger lag dan, gelet op de omstandigheden ter plaatse, verantwoord was en- verdachte en zijn mededader hebben, al rijdend computerschermen en goederen uit het raam, de weg op gegooid, en hebben verdachte en zijn mededader op de Karspeldreef en de Hoogoorddreef en de Foppingadreef op de rijstrook bestemd voor het aan hem, verdachte en zijn mededader, tegemoetkomende verkeer gereden, en

- verdachte en zijn mededader zijn ter hoogte van het Hoptillepad het talud af gereden en met het voertuig tegen de betonnen rand van het viaduct aangereden, waardoor het voertuig tot stilstand werd gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en strafbaarheid van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan deze straf moeten de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering worden gekoppeld. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de proeftijd van de straf met betrekking tot de vordering tenuitvoerlegging met één jaar verlengd zal worden.

6.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht een jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarbij een voorwaardelijk deel en aansluiting bij hetgeen geadviseerd is door de reclassering.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak waarbij grof geweld is gebruikt. Er is met veel geweld een ruit ingeslagen en onder andere dure computers zijn losgerukt en meegenomen. Buurtbewoners zijn erg geschrokken van het geweld dat is gebruikt bij de inbraak waardoor verdachte en [medeverdachte] voor gevoelens van onveiligheid bij deze mensen hebben gezorgd, nog los van de schade en overlast voor de rechtsreeks gedupeerden. Gelet op het bij de inbraak gebruikte geweld en de impact die dit in de buurt heeft gehad, heeft deze inbraak veel weg van een zogenaamde ‘ramkraak’ en daarmee houdt de rechtbank dan ook rekening.

Op 5 oktober 2018 is verdachte na de inbraak bovendien samen met [medeverdachte] gevlucht voor de politie in een auto waarbij zeer gevaarlijk is gereden. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid getoond door samen met [medeverdachte] het verkeer en andere weggebruikers in gevaar te brengen door te hard op de verkeerde weghelft te rijden terwijl er tegemoetkomend verkeer was en tijdens die rit zware voorwerpen uit de auto te gooien.

De reclassering heeft op 27 december 2018 een rapport over verdachte uitgebracht. Uit het rapport komt naar voren dat verdachte voorafgaand aan de detentie naar school ging, stage liep en een bijbaan had. Verdachte liep in een toezicht van de reclassering hetgeen moeizaam verliep. De houding van verdachte lijkt nu te zijn veranderd en hij wil aan zijn toekomst werken. Verdachte heeft een dochtertje van één jaar en wil voor haar zorgen. Dit kan worden beschouwd als een beschermende factor. Uit dossierinformatie blijkt dat sprake is van ODD. Verdachte komt daarnaast onvoldoende zelfredzaam over en lijkt gevoelig te zijn voor beïnvloeding vanuit zijn sociaal netwerk.

In dit rapport wordt geadviseerd het adolescentenstrafrecht toe te passen, waarbij het toezicht wordt uitgevoerd door de volwassenenreclassering. De reclassering adviseert verder een (deels) voorwaardelijke straf met een meldplicht, ambulante behandeling, een locatieverbod, het volgen van onderwijs, meewerken aan schuldhulpverlening en inzicht geven in de dagelijkse gang van zaken zoals het overleggen van documenten die gaan over dagbesteding.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij meermalen is veroordeeld voor vermogensdelicten.

Ter terechtzitting heeft mevrouw [reclasseringswerker] , reclasseringswerker verklaard dat verdachte terug kan naar school als hij uit detentie komt. De school stelt wel als voorwaarde dat er een korte lijn met de reclassering moet zijn, zodat direct contact kan worden opgenomen als er iets gebeurt. Bij een langere detentie mist verdachte te veel van de opleiding en kan hij niet aanstonds terug. De toezichthouder van verdachte wil hem begeleiden. Het gaat nu beter met verdachte dan toen verdachte in [plaats detentie] kwam. Verdachte neemt nu zelf het initiatief tot het vragen van begeleiding en gesprekken.

Desgevraagd kon verdachte ter terechtzitting niet uitleggen waarom hij nu wel gemotiveerd is om begeleiding van de reclassering te ontvangen.

De rechtbank zal, gelet op de persoon van verdachte, het advies van de reclassering om het adolescentenstrafrecht toe te passen volgen. Verdachte zit al in een jeugdinrichting en dit lijkt een voor hem passende plek te zijn, meer dan een volwassengevangenis. De rechtbank zal echter geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden opleggen omdat zij vindt dat verdachte inmiddels genoeg kansen heeft gehad . Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij nog in een reclasseringstoezicht loopt vanwege een eerdere straf die in een andere zaak (met parketnummer 13/684499-16) aan hem is opgelegd waarbij ook bijzondere voorwaarden zijn opgelegd. Verdachte kan na afloop van de detentie in deze zaak dit toezicht weer voortzetten.

Gelet op de ernst van feit 1 en rekening houdend met de vrijspraak voor de feiten 2 en 3 vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank een aparte jeugddetentie voor de duur van twee weken opleggen voor feit 4 nu dit een overtreding betreft.

Beslag

Teruggave goederen
Onder verdachte zijn een bon van een juwelier (5640238) en een broek, jas, handschoenen en schoenen (niet op de beslaglijst vermeld) in beslag genomen. Deze goederen zullen aan verdachte worden terug gegeven.

7 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 9 oktober 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/654138-17, over het onherroepelijk geworden vonnis van 7 december 2017 van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk die niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

Gelet op artikel 14f van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig de proeftijd met één jaar te verlengen. Gelet op de opgelegde bijzondere voorwaarden in zaak met parketnummer 13/684499-16 zal verdachte na afloop van zijn jeugddetentie begeleiding en behandeling krijgen. De rechtbank acht het van belang dat de bijzondere voorwaarden uit die zaak van kracht blijven.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 62, 77c, 77i, 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;


ten aanzien van feit 4:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte

ten aanzien van feit 1:

tot een jeugddetentie van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 4:

tot een jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) weken.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

een bon van een juwelier (5640238) en een broek, jas, handschoenen en schoenen (niet op de beslaglijst vermeld).

Verlengt de proeftijd van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/654138-17 voor de duur van één jaar.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. C.A. van Dijk en E.G.C. Groenendaal, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2019.

[(...)]

[(....)]