Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2052

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
13/654068-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, meermalen gepleegd, door met zijn auto een café binnen te rijden. Gevangenisstraf van 268 dagen en tbs met voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654068-18 (Promis)

Datum uitspraak: 28 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , gedetineerd in het [plaats detentie] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. van der Meij, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. Sassen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 20 juni 2018 te Diemen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachte rade) [persoon 1]

en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of [persoon 11] en/of een of meer (tot nu toe) onbekend gebleven perso(o)n(en) van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) met een personenauto (met hoge snelheid) op cafe-restaurant [naam café-restaurant] is afgereden en/of (vervolgens) met voornoemde personenauto (door de pui/voorgevel) voornoemd cafe-restaurant [naam café-restaurant] is binnengereden, alwaar voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of [persoon 11] en/of een of meer (tot nu toe) onbekend gebleven

perso(o)n(en) zich bevonden.

2.

hij op of omstreeks 20 juni 2018 te Diemen, in elk geval in Nederland, opzettelijk een gebouw of een getimmerte of een voor het publiek toegankelijke plaats heeft vernield of beschadigd,

immers is verdachte opzettelijk met een personenauto (met hoge snelheid) op cafe-restaurant [naam café-restaurant] afgereden en/of (vervolgens) met voornoemde personenauto (door de pui/voorgevel) voornoemd cafe-restaurant [naam café-restaurant] binnengereden, alwaar [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of [persoon 11] en/of een of meer (tot nu toe) onbekend gebleven perso(o)n(en) zich bevonden, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde cafe-restaurant [naam café-restaurant] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of [persoon 11] en/of een of meer (tot nu toe) onbekend gebleven perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 20 juni 2018 te Diemen, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk cafe-restaurant [naam café-restaurant] (vestiging [adres] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] en/of [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 20 juni 2018 omstreeks 00.39 uur kreeg de politie een melding van een incident waarbij een bezorger door zijn baas en een andere medewerker zou zijn mishandeld. Ter plaatse spraken de verbalisanten met verdachte. Hij was de melder van het incident. Verdachte vertelde dat hij door zijn baas en een andere medewerker op zijn hoofd was geslagen. Zij zouden ook een deuk in zijn auto hebben gemaakt en zijn geld hebben afgepakt. Toen de verbalisanten het bedrijf binnen wilden gaan om tot aanhouding over te gaan begon verdachte enorm te schreeuwen en op de garagedeur te slaan. Verdachte moest door de verbalisanten in bedwang worden gehouden. Uiteindelijk spraken zij met verdachte af dat hij zelf naar het bureau zou komen om aangifte te doen als hij wat gekalmeerd zou zijn. Er is op dat moment niemand aangehouden.

Op 20 juli 2018 omstreeks 19:00 uur kreeg de politie een melding van een mishandeling bij het [adres] in Diemen. De melder zou zichzelf in zijn auto hebben opgesloten. Eenmaal ter plaatse bleek dat verdachte de melder was. Verdachte verklaarde aan de verbalisanten dat hij ruzie had gehad met jongens en daarbij een klap in zijn gezicht had gehad. Terwijl hij dit vertelde liep hij naar de groep jongens die voor snackbar [naam café-restaurant] stond. Het ene deel van het pand bestaat uit een snackbargedeelte en in het andere deel is een restaurantgedeelte onder de naam café-restaurant [naam café-restaurant] gevestigd. Hij stelde zich verbaal agressief op naar de groep en was boos. De verbalisant maande verdachte tot kalmte en liet hem zijn verhaal doen. Verdachte vertelde dat hij hier kwam om een praatje te maken met de jongens en toen is mishandeld en bedreigd. Uit woede had hij een glas kapot gegooid. Verdachte verklaarde dat hij bang was en dat hij zijn tassen had gepakt. Verdachte sprong van de hak op de tak en reageerde af en toe geëmotioneerd. Op een gegeven moment ging verdachte huilend in de kofferbak van zijn auto liggen. Verdachte had rode ogen en reageerde vreemd op de vragen van de verbalisant. Omstanders vertelden dat zij verdachte kennen als een jongen met veel problemen. De verbalisanten besloten vervolgens verdachte mee te nemen naar het bureau om daar met hem te praten en hem te laten beoordelen door een psycholance. Onderweg naar het bureau was verdachte aan het schreeuwen en luid aan het huilen. Ook op het bureau was verdachte hevig geëmotioneerd. Verdachte wilde geen aangifte doen. Hij zei tegen de verbalisanten dat hij naar zijn moeder wilde. Hierop herpakte hij zich en zei tegen de verbalisanten dat hij even in zijn auto een sigaret wilde roken. Enkele minuten later reed verdachte in zijn auto weg, waarop de verbalisanten hem direct zijn gevolgd. Verdachte reed met zeer hoge snelheid (90 km per uur waar 50 was toegestaan) en negeerde bij kruispunten het rode verkeerslicht. Hij reed rakelings langs diverse fietsers en personenauto’s. Verdachte reed vervolgens dwars over de parkeerplaatsen bij [adres] tegen de pui van café-restaurant [naam café-restaurant] aan en het café-restaurant in, waar de auto tegen de achterwand tot stilstand kwam. Op het moment dat verdachte op café-restaurant [naam café-restaurant] afreed bevonden zich op de stoep voor het café-restaurant en in het café-restaurant meerdere mensen.

4.2

Vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde:

Artikel 170 van het Wetboek van Strafrecht ziet op de bescherming tegen gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen, dat voortvloeit uit de vernieling of beschadiging van (onder andere) een gebouw. Zoals hierna zal worden uitgelegd heeft verdachte wel gevaar veroorzaakt voor goederen en ook voor personen, maar dit gevaar werd niet veroorzaakt door vernieling van het gebouw, in die zin dat er bijvoorbeeld instortingsgevaar was. Anders gezegd: gezien de aard van de beschadigingen die verdachte met zijn auto aan het café-restaurant [naam café-restaurant] heeft veroorzaakt, is niet vast komen te staan dat door het vernielen van het gebouw gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar te duchten was. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.

4.3

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om te kunnen vaststellen dat verdachte met voorbedachte rade heeft gehandeld. Poging tot moord kan niet worden bewezen, waardoor verdachte van dit onderdeel wordt vrijgesproken.

Anders dan de raadsvrouw en met de officier van justitie acht de rechtbank poging tot doodslag wel bewezen. Verdachte zegt zelf dat hij zich niets meer kan herinneren van het moment kort vóór het inrijden in het café-restaurant [naam café-restaurant] en evenmin van het inrijden zelf. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat er geen sprake is van het scenario dat verdachte ter hoogte van café-restaurant [naam café-restaurant] de macht over het stuur is verloren, maar dat hij in een min of meer bewuste actie heeft ingestuurd op het café en de op de stoep vóór het café aanwezige personen. Café-restaurant [naam café-restaurant] was immers geen willekeurige plaats waar verdachte langsreed, maar de plaats waar hij kort tevoren ruzie had gehad met dezelfde groep personen die nu nog op de stoep stond en waarbij verdachte zeer emotioneel was geweest. Dat verdachte vol opzet heeft gehad op het doden of zwaar verwonden van die personen is niet komen vast te staan. Maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelen wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij één of meer personen zou aanrijden die daardoor zouden kunnen komen te overlijden. Bepaalde gedragingen kunnen immers naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood. De vraag naar de mate waarin het feit aan verdachte kan worden toegerekend komt hierna aan de orde maar doet aan het voorwaardelijk opzet niet af.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 20 juni 2018 te Diemen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] en [persoon 5] en [persoon 6] en [persoon 7] en [persoon 8] en [persoon 9] en [persoon 10] en [persoon 11] van het leven te beroven, met dat opzet met een personenauto met hoge snelheid op café-restaurant [naam café-restaurant] is afgereden en vervolgens met voornoemde personenauto door de pui van voornoemd café-restaurant [naam café-restaurant] is binnengereden, alwaar voornoemde [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] en [persoon 5] en [persoon 6] en [persoon 7] en [persoon 8] en [persoon 9] en [persoon 10] en [persoon 11] zich bevonden.

2.

subsidiair:

op 20 juni 2018 te Diemen, opzettelijk en wederrechtelijk café-restaurant [naam café-restaurant] , vestiging [adres] , toebehorende aan [bedrijf] en/of [persoon 1] , heeft vernield.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 en 2 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast dient aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden te worden opgelegd, welke dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard. Aan verdachte dient tevens een rijontzegging voor de duur van drie jaren te worden opgelegd.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden behandeld voor zijn bipolaire stoornis. Volgens de deskundigen is tbs met voorwaarden het meest passende kader. Verdachte is zeer gemotiveerd zich te laten behandelen. De heer Wegbrans van de reclassering heeft laten weten dat verdachte in de week van 11 maart 2019 kan worden overgeplaatst naar [kliniek] . Tegen die tijd zit verdachte bijna 9 maanden in voorlopige hechtenis. Aan verdachte dient geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd dan de tijd die verdachte tot 11 maart 2019 in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Wanneer verdachte een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf krijgt opgelegd, zou dit betekenen dat zijn plek in [kliniek] komt te vervallen en daar is uiteindelijk niemand bij gebaat.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, meermalen gepleegd, door na een ruzie met de aldaar aanwezige personen met zijn auto op café-restaurant [naam café-restaurant] af te rijden en vervolgens door de pui heen het café-restaurant in, terwijl zich op dat moment meerdere mensen voor en in het café-restaurant bevonden. Hierbij is een aantal van hen gewond geraakt. Dat het bij relatief beperkt lichamelijk letsel is gebleven, is een gelukkig toeval en is niet aan verdachte te danken. Een dergelijk voorval maakt ook op getuigen van zo’n gebeurtenis doorgaans een grote indruk en veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 21 januari 2019. Hieruit blijkt dat verdachte zich eerder aan – onder meer – verkeersdelicten en geweldsmisdrijven schuldig heeft gemaakt.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is. In het licht van de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, zoals hierna zal worden besproken, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van enkel een gevangenisstraf. Uit de over verdachte opgemaakte Pro Justitia rapportages leidt de rechtbank – verkort weergegeven – het volgende af.

Psychiatrische rapport van 20 september 2018, opgemaakt door dr. T.W.D.P. van Os:

Er is bij onderzochte sprake van een ziekelijke stoornis, te weten een bipolaire stoornis. Deze kwam tot uiting in een (hypo) manische fase te weten een toename van energie en activiteiten, versnelde spraak, grootheidsideeën, impulsiviteit en een gebrek aan slaap. Daarnaast is er sprake van een stoornis in alcoholgebruik en een stoornis in cannabisgebruik. Hiervan was ook sprake voorafgaand en ten tijde van het ten laste gelegde.

Diverse referenten geven aan dat onderzochte zich enkele weken voorafgaand aan het hem ten laste gelegde anders gedroeg en dat men zich daarover zorgen maakte. Op de dag van het ten laste gelegde vonden diverse getuigen voorafgaande aan het hem ten laste gelegde hem opgefokt, in de war of emotioneel. Ook de politie vond dat en wilde een psycholance inschakelen. Onderzoeker adviseert het hem ten laste gelegde in sterk verminderde mate toe te rekenen. Onderzoeker acht het waarschijnlijk dat de manische ontregeling een belangrijke rol heeft gespeeld in zijn gedragskeuzes voorafgaande aan het hem ten laste gelegde waarbij hij in aanvaring kwam met diverse mensen en de impulsieve acties zich opstapelden. Hoe het gebruik van cannabis met een glas whisky op zijn impulsiviteit inwerkte is niet te achterhalen, maar bekend is aan onderzochte dat deze combinatie zijn impulscontrole in negatieve zin kan beïnvloeden.

Onderzoeker schat al met al het risico op gewelddadig gedrag in de toekomst als hoog in. Met name zijn weinig diepgaande ziektebesef, de therapieontrouw, en vervolgens het manisch ontremmen is een belangrijke risicofactor terwijl hij zijn werk zoekt in de branche waarin hij veel onderweg is in het verkeer.

Onderzochte is gebaat bij een goede behandeling van zijn bipolaire stoornis, zijn verslavingsgevoeligheid, de traumatische ervaring en zijn neiging om zich te verzetten tegen autoriteit.

Een behandeling en begeleiding is noodzakelijk om de kans op herhaling zoals het hem ten laste gelegde binnen aanvaardbare grenzen te krijgen. De problematiek is complex met een combinatie van de bipolaire stoornis, de stoornissen in alcohol en cannabis en mogelijk gebruik van andere middelen en de verwevenheid met de traumatische gebeurtenis in 2012. Het is noodzakelijk dat onderzochte wordt behandeld en dat onderzochte daaraan niet kan ontkomen. Zonder dwingend kader is de kans groot dat hij zich vanwege een te gering ziektebesef zal onttrekken aan een behandeling. Een behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel biedt die garantie niet omdat hij zijn detentie kan gaan uitzitten en dan onbehandeld op straat kan komen. Onderzoeker adviseert onderzochte dan ook een tbs maatregel op te leggen. Een tbs met voorwaarden waaronder als voorwaarde een aanvankelijk klinische behandeling en later een ambulante voortzetting daarvan acht onderzoeker een voldoende stevig kader om deze behandeling een succes te kunnen laten worden.

Psychologische rapportage van 21 september 2018, opgemaakt door drs. W. Groen:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis, zijnde een bipolaire I-stoornis met psychotische kenmerken. Daarnaast is er sprake van een stoornis in cannabis- en alcoholgebruik (matig van ernst). Ook ten tijde van het ten laste gelegde was hier sprake van.

Onderzoeker kan niet goed vaststellen of betrokkene zich daadwerkelijk niets meer kan herinneren van het tenlastegelegde. Wel is met zekerheid te stellen dat het manische toestandsbeeld het oordeelsvermogen van betrokkene verstoord heeft. Vanuit zijn verstoorde impulsbeheersing door het ontremde toestandsbeeld heeft hij gedrag vertoond waarbij hij op dat moment de gevaren en consequenties van zijn gedrag niet volledig overzag. Het feit dat hij onder invloed was van cannabis, heeft mogelijk de impulscontrole verder verlaagd. Vanuit zijn manisch ontremde toestandsbeeld was hij echter niet in staat om de effecten van cannabisgebruik op zijn gemoedstoestand en impulscontrole goed te kunnen overzien. Het feit dat betrokkene zich bij het politiebureau weer wist te herpakken, geeft wel aan dat er nog enige mate van controle op zijn gedrag was vlak voorafgaand aan het tenlastegelegde. Ondergetekende adviseert om betrokkene ten aanzien van het tenlastegelegde sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten wordt op basis van de gestructureerde risicotaxatie en de klinische inschatting door ondergetekende ingeschat als hoog. Een stevig verplichtend kader wordt als noodzakelijk gezien door het beperkte ziektebesef en
-inzicht en de inschatting is dat motivatie voor het volgen van behandeling af kan nemen indien deze een confronterend karakter krijgt waarbij autoriteitsproblemen kunnen ontstaan. Het risico dat betrokkene zich aan behandeling zal onttrekken waardoor hij onbehandeld in de maatschappij terug zal keren terwijl er sprake is van een verhoogd risico op herhaling van soortgelijke delicten, is onverantwoord groot.

Onderzoeker adviseert om de maatregel tbs met voorwaarden op te leggen omdat deze maatregel het noodzakelijke verplichte karakter en de mogelijkheid tot ingrijpen biedt op het moment dat betrokkene zich zal onttrekken aan de voorwaarden. Daarnaast biedt de maatregel ook de mogelijkheid om betrokkene met passende intensiteit te behandelen en hem voldoende lang onder toezicht te houden. Tevens is de verwachting dat betrokkene zich binnen dit kader zal conformeren aan de op te leggen voorwaarden waardoor de maatregel ook haalbaar is.

De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over en maakt dit tot haar eigen oordeel.

De reclassering heeft in het advies van 16 januari 2019, opgesteld door M. Wegbrans, reclasseringswerker bij Inforsa, positief over de tbs met voorwaarden geadviseerd. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan de in het rapport genoemde voorwaarden.

Ter zitting heeft reclasseringswerker Wegbrans zijn rapport aangevuld in die zin dat verdachte in de week van 11 maart 2019 in [kliniek] kan worden opgenomen. Een exacte datum kan worden gegeven als de zaak onherroepelijk is. Indien verdachte in de week van 11 maart 2019 nog gedetineerd zal zijn, zal er naar een nieuwe datum worden gezocht. De mogelijkheid bestaat dan dat verdachte na zijn detentie in afwachting van een plek in een kliniek thuis zal moeten verblijven.

Gelet op de hiervoor genoemde adviezen zal de rechtbank, naast een gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen, en daarbij de voorwaarden stellen zoals opgenomen in het reclasseringsadvies van 16 januari 2019, zoals ook in het dictum beschreven. Anders dan de officier van justitie heeft geëist zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen die eindigt op de dag van plaatsing in [kliniek] – uitgaande van uiterlijk 15 maart 2019 – rekening houdend met de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op de problematiek van verdachte van belang is dat hij zo snel mogelijk in [kliniek] zal worden behandeld. In het opleggen van een langere gevangenisstraf ziet de rechtbank geen meerwaarde.

Gelet op de noodzaak van behandeling en het gevaar voor recidive zal de rechtbank bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar is, als bedoeld in artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten: bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, op de gepleegde misdrijven is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel. De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De bewezenverklaarde feiten, waarbij verdachte zijn auto als het ware als een wapen heeft gebruikt, rechtvaardigen eveneens een rijontzegging voor de duur van 3 jaren zoals door de officier van justitie gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 385,- aan materiële schadevergoeding en
€ 1.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank – evenals de raadsvrouw en de officier van justitie – niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij v.o.f. [v.o.f.] / Café restaurant [naam café-restaurant] vordert € 36.440,16 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag toewijsbaar is, met de wettelijke rente daarover, nu de verzekering de schade niet heeft vergoed. Tevens dient hierbij de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ingewikkeld van aard is en een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De jaarstukken lijken te zien op één financiële onderneming, namelijk zowel het restaurant als de snackbar. Uit de stukken komt echter naar voren dat het restaurant (de rechtbank begrijpt: de snackbar) wel open is kunnen blijven en inkomsten genereerde. Tevens blijkt er een procedure aanhangig te zijn bij de verzekeraar [verzekeraar] ten aanzien van de gemiste inkomsten. De kans bestaat dan ook dat de verzekeraar de gederfde inkomsten zal vergoeden.

De advocaat van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat haar cliënt de jaarcijfers heeft overhandigd en daarbij heeft opgemerkt dat de cijfers zien op het deel van het bedrijf dat gesloten is geweest. Deze stukken zijn ook bij de verzekeraar aangeleverd.

De rechtbank overweegt het volgende.

De benadeelde partij zal, op de gronden zoals door de raadsvrouw zijn aangevoerd, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Het is immers gelet op de overgelegde stukken niet vast te stellen of de overgelegde jaarrekeningen slechts betrekking hebben op het restaurant-gedeelte dan wel op het gehele bedrijf, waaronder het snackbargedeelte. Ook is het de rechtbank niet duidelijk of beide bedrijfsonderdelen gesloten zijn geweest dan wel slechts het restaurantgedeelte. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38d, 47, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde:

vernieling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 268 (tweehonderdachtenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

1. Veroordeelde zal zich niet schuldig maken aan strafbare feiten;

2. Veroordeelde begeeft zich niet zonder toestemming van de reclassering en het Openbaar Ministerie buiten de (Europese) landsgrenzen van Nederland. Veroordeelde overlegt hierover vooraf met de reclassering en het Openbaar Ministerie (OM) beslist;

3. Veroordeelde stelt zich begeleidbaar en controleerbaar op en geeft toestemming aan de reclassering om met alle personen en instellingen die van belang zijn voor de controle op de naleving van de voorwaarden, contact te kunnen opnemen en informatie te mogen uitwisselen;

4. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken met en aanwijzingen van de reclassering;

5. Veroordeelde werkt mee aan klinische behandeling bij [kliniek] of een gelijkwaardige instelling, eveneens als dit inhoudt het innemen van voorgeschreven medicatie, zolang als de behandelaars en toezichthouder nodig achten;

6. Veroordeelde werkt (na de klinische behandeling) mee aan een ambulante behandeling, indien dit geïndiceerd wordt door de behandelaar van de kliniek en toezichthouder;

7. Veroordeelde werkt (na klinische behandeling) mee aan het vinden van een geschikte woonvorm en zal hier wonen, ook als dit inhoudt een beschermde of begeleide woonvorm;

8. Veroordeelde werkt mee aan het vinden en behouden van een bij zijn draagkracht passende dagbesteding, betaald dan wel vrijwilligerswerk;

9. Veroordeelde werkt mee aan bewindvoering, indien en zo lang de toezichthouder dit noodzakelijk acht;

10. Veroordeelde blijft abstinent van alle middelen gedurende de looptijd van de tbs maatregel en hij zal meewerken aan urinecontroles en ademanalysecontroles;

11. Veroordeelde werkt (na de klinische behandeling) mee aan een time-out plaatsing in een nog door IFZ/DIZ te indiceren kliniek, indien de toezichthouder dit noodzakelijk acht.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], toe tot een bedrag van € 1.385,- (dertienhonderdvijfentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 juni 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat voor € 385,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [persoon 1], te betalen de som van € 1.385,- (dertienhonderdvijfentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 juni 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij v.o.f. [v.o.f.] / Café restaurant [naam café-restaurant] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. M.E.A. Nijssen en E.G.C. Groenendaal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Bouwhuis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 februari 2019.

[(...)]