Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2045

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
13/741242-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

isd maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/741242-18, 13/741100-17 (tul) en 13/741104-18 (tul)

Datum uitspraak: 20 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] ,

gedetineerd in het ‘ [detentieadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Rijser, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 november 2018 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een jas (merk Monclair), geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die weg te nemen jas heeft verschaft en/of die weg te nemen jas onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2.

hij op of omstreeks 11 november 2018 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een zwarte handtas (merk Gucci) met inhoud (onder andere inhoudende een of meer kettingen en/of een notebook en/of een toilettas met daarin een persoonlijke brief) en/of

- een zwarte rugzak (merk 4you, type limited edition 38) met inhoud (onder andere inhoudende een Gucci portemonnee en/of een of meer geldbedragen ter waarde van 800 euro en/of een iPad),

geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 2] en/of [persoon 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen geldbedragen en/of goederen heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedragen en/of goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide aan verdachte ten laste gelegde feiten.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft bekend dat hij op 30 november 2018 een ruit van een auto heeft ingeslagen en vervolgens uit deze auto een Monclair jas heeft weggenomen.

Verdachte heeft eveneens bekend dat hij op 11 november 2018 een ruit van een auto heeft inslagen en dat hij vervolgens uit deze auto een handtas heeft weggenomen. In deze tas zaten geen kostbare voorwerpen. Het klopt niet dat hij een rugtas, een notebook, kettingen, een iPad, een portemonnee of geldbedragen heeft meegenomen.

De raadsvrouw is van mening dat de feiten bewezen kunnen worden verklaard.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, de aangifte en het proces-verbaal van bevindingen van 30 november 2018 acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 30 november 2018 te Amsterdam de ruit van een auto heeft ingeslagen en dat hij uit deze auto een Monclair jas heeft weggenomen.

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

Op grond van de verklaring van verdachte ter terechtzitting, de aangifte en het proces-verbaal beschrijving camerabeelden acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 11 november 2018 te Amsterdam de ruit van een auto heeft ingeslagen en uit deze auto de in de tenlastelegging genoemde goederen heeft weggenomen.

De rechtbank acht niet geloofwaardig dat verdachte, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, alleen een handtas zonder noemenswaardige inhoud uit de auto heeft meegenomen. Op de camerabeelden is immers, blijkens het proces-verbaal beschrijving camerabeelden, te zien dat verdachte “enkele koffers/tassen” uit de auto pakt en daarmee wegloopt. Hoewel verdachte heeft toegegeven dat hij de inbraak in de auto heeft gepleegd, spreekt hij met betrekking tot de door hem weggenomen goederen maar de halve waarheid.

De camerabeelden zijn bovendien in lijn met de verklaring van aangever, dat uit zijn auto een handtas en een rugtas zijn gestolen. Volgens aangever zaten in de tassen onder andere twee gouden kettingen, een notebook, een toilettas, een portemonnee, een geldbedrag van € 800,- en een iPad. De rechtbank ziet geen reden om aan deze verklaring van aangever te twijfelen en acht bewezen dat verdachte zich al deze goederen heeft toegeëigend.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

op 30 november 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas (merk Monclair), toebehorende aan [persoon 1] , waarbij hij, verdachte, die weg te nemen jas onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

op 11 november 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een zwarte handtas (merk Gucci) met inhoud (onder andere inhoudende kettingen en een notebook en een toilettas met daarin een persoonlijke brief) en

- een zwarte rugzak (merk 4you, type limited edition 38) met inhoud (onder andere inhoudende een Gucci portemonnee en geldbedragen ter waarde van 800 euro en een iPad),

toebehorende aan een ander of anderen dan verdachte,

waarbij hij, verdachte, die weg te nemen geldbedragen en goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaren, zonder aftrek van voorarrest. Wanneer de rechtbank deze eis volgt, dienen de vorderingen tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om geen ISD-maatregel aan verdachte op te leggen, omdat deze maatregel nog niet aan de orde is. De rechtbank, in andere samenstelling, heeft in haar vonnis van 20 september 2018 in een andere zaak overwogen dat verdachte nog niet aan de ‘zachte criteria’ van de ISD voldeed en dat moest worden ingezet op hulpverlening in het kader van een reclasseringstoezicht. In de twee maanden tussen het uitspreken van dat vonnis en het moment dat verdachte weer vast kwam te zitten is vooral aandacht geweest voor school en werk maar te weinig voor zijn persoonlijkheidsproblematiek. De daarvoor benodigde hulpverlening was nog niet op gang gekomen. Er zijn veel punten waaraan verdachte moet werken, maar hij heeft nog geen eerlijke kans gehad om zich daarvoor in te kunnen zetten. Binnen de ISD zal hij slechter af zijn. Hij zal geïsoleerd zijn van zijn familie en het zal voor hem moeilijker zijn om een schoolopleiding of andere dagbesteding te vinden.

Een voorwaardelijke ISD-maatregel, eventueel met tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen, kan verdachte handvatten geven om verder te komen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee brutale autokraken. In beide gevallen is verdachte doelbewust op zoek gegaan naar auto’s met waardevolle spullen, waarbij hij bij de autokraak op 11 november 2018 de mensen, die goederen in de auto legden, goed in de gaten hield en heeft gewacht tot ze weg waren. Vervolgens heeft hij een ruit van de betreffende auto ingeslagen. Bij de diefstal op 11 november 2018 heeft hij een handtas en een rugtas met daarin diverse kostbare goederen meegenomen. Op 30 november 2018 heeft hij een dure jas uit de auto gepakt. Door zijn handelen heeft verdachte veel schade en grote overlast voor de slachtoffers veroorzaakt. Het slachtoffer van de diefstal op 11 november 2018 was een Duitse toerist. Het is te verwachten dat hij vooral negatieve herinneringen aan zijn verblijf in Amsterdam heeft overhouden. Verdachte heeft door zijn gedrag ook de toeristenstad Amsterdam in een negatief daglicht gezet.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, unit Amsterdam, van 28 januari 2019, opgemaakt door [persoon 4]. Uit dit rapport komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een belaste voorgeschiedenis die gekenmerkt wordt door pedagogische verwaarlozing in zijn jeugd door afwezigheid van een stabiel steunend netwerk. De moeder was vanwege haar schizofrenie niet beschikbaar als ouder en zijn vader leek onvoldoende beschikbaar wegens zijn persoonlijke problematiek.

Verdachte heeft tot op heden weinig structuur in zijn leven gekend en mogelijk is bij hem sprake van parentificatie. Hij heeft hierdoor langere tijd zelf zijn eigen beslissingen kunnen maken. Dit heeft er mede toe geleid dat verdachte zijn eigen gang kon gaan met als gevolg veelvuldige justitiecontacten en instabiele leefomstandigheden. Het ontbreekt hem aan een adequate dagbesteding, een stabiele woonplek en is er sprake van een grote schuldenlast.

Binnen het reclasseringstoezicht dat hem is opgelegd in de strafzaak met parketnummer 13/741104-18 heeft verdachte tot op heden weinig progressie geboekt. Zijn motivatie was vanaf de start van het toezicht minimaal, ook gaf hij weinig openheid van zaken. Omdat verdachte tijdens het toezicht is gerecidiveerd heeft een voortzetting of opnieuw opleggen van een toezicht volgens de reclassering geen meerwaarde. Ook binnen het huidig forensisch kader en de Top 600 Aanpak heeft hij zijn laatste kans voor ambulante hulp verspeeld.

De reclassering adviseert toepassing van het volwassenstrafrecht en ziet geen andere mogelijkheid dan het adviseren van de ISD-maatregel. Binnen de inrichting zal betrokkene in aanmerking komen voor het project ISD-JOVO (jongvolwassenen) maatregel.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank de reclasseringswerker [persoon 5], verbonden aan Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering te Amsterdam, als deskundige gehoord. De deskundige heeft benadrukt dat verdachte van verschillende instanties hulp heeft gehad, waaronder van de Reclassering, DWI, de aanpak Top600 en HVO Querido. Al deze hulp heeft echter niet geleid tot minder recidive. Verdachte kwam slecht op afspraken en zelfs toen hij op zijn uitkering werd gekort is hij niet op een afspraak bij DWI verschenen. Hij kon geplaatst worden bij een begeleid wonen project in Koog aan de Zaan maar verdachte gaf op het laatste moment aan dat hij hier niet aan wilde meewerken. Verdachte zegt dat hij gemotiveerd is maar laat het steeds op alle terreinen afweten. De deskundige is van mening dat binnen een ambulant traject al het mogelijke is geprobeerd. De ISD-maatregel is nu de beste mogelijkheid om de zorg te bieden die verdachte nodig heeft.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezengeachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 11 februari 2019 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 11 februari 2019 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.

De veiligheid van goederen eist het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Verdachte is kort na zijn laatste veroordeling, tijdens het hem opgelegde reclasseringstoezicht, tot tweemaal toe fors in de fout gegaan, terwijl hij ook anderszins geen positieve ontwikkeling heeft laten zien. Op alle aandachtspunten is verdachte niet verder gekomen en hij heeft zich onttrokken aan de hem geboden hulp. Hoewel verdachte een oprechte wens lijkt te hebben om zijn leven te beteren, is hij als gevolg van zijn belaste verleden en zijn maatschappelijke situatie daar niet op eigen kracht toe in staat. Een nieuw ambulant traject heeft daarom geen zin en zal verdachte er niet van weerhouden om in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank volgt daarom de officier van justitie in zijn vordering en zal aan verdachte de ISD-maatregel op leggen.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

In het rapport van Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering wordt de ISD-maatregel voor jongvolwassenen (Jovo) benoemd als project waarvoor verdachte binnen de inrichting in aanmerking komt. Doel is om de maatregel voor jongvolwassen veelplegers, die hier baat bij hebben, beter te benutten. De rechtbank spreekt de hoop uit dat verdachte de ISD-Jovo met eigen inbreng en inzet zal benutten om zo spoedig mogelijk door te stromen naar de extramurale fase en vervolgens terug te keren in de regio Amsterdam.

Tussentijdse beoordeling

Hoewel verdachte dat wellicht niet onmiddellijk zo zal ervaren, kan de ISD-maatregel hem belangrijke mogelijkheden geven om zijn leven met inzet van de hem geboden professionele hulp een andere wending te geven. Hopelijk staat verdachte daarvoor open en ziet hij in dat hij door niet mee te werken voornamelijk zichzelf zal treffen. Gezien de belaste jeugd van verdachte en zijn relatief jonge leeftijd vindt de rechtbank het van groot belang dat binnen de ISD-maatregel voortvarend te werk zal worden gegaan en dat een vinger aan de pols wordt gehouden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om uiterlijk 9 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te toetsen.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 834,90 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en € 30,- aan gemaakte proceskosten.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De aan de auto van de benadeelde partij toegebrachte schade bedraagt blijkens de overgelegde offerte

€ 834,90. Anders dan de verdediging acht de rechtbank niet van belang of de auto ook daadwerkelijk op basis van deze offerte is hersteld. Met deze offerte acht de rechtbank voldoende aangetoond dat de benadeelde partij als gevolg van het feit ter hoogte van dit bedrag schade heeft ondervonden. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij verklaard dat zijn auto is gerepareerd en dat hij ervoor heeft gekozen om deze schade niet bij zijn verzekering in te dienen omdat hij anders zijn no claim zou kwijtraken. De schade is aldus nog niet vergoed. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gevorderde bedrag voor toewijzing in aanmerking komt. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2018.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank tevens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 30,-. Om de terechtzitting te kunnen bijwonen is de benadeelde partij met de auto vanuit Helmond heen en weer naar Amsterdam gereisd. Hoewel de benadeelde partij hiervan geen schriftelijke onderbouwing heeft overgelegd, acht de rechtbank de gevorderde € 30,- alleszins redelijk en voor toewijzing vatbaar.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

Bij de stukken bevindt zich de op 4 december 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/741100-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 16 mei 2017 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot gevangenisstraf van 6 weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 weken, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Bij de stukken bevindt zich tevens de op 4 december 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/741104-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 20 september 2018 van de rechtbank te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot gevangenisstraf van 3 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 1 maand, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel zich niet heeft gehouden aan een van de aan veroordeelde opgelegde bijzondere voorwaarden.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Gezien echter de omstandigheid dat de rechtbank aan verdachte een ISD-maatregel zal opleggen, is zij van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen geen meerwaarde heeft, zodat zij de tenuitvoerlegging zal afwijzen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht, door middel van braak, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 9 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Wijst de vordering van [persoon 1], toe tot € 834,90 (achthonderdvierendertig euro en negentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 november 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 834,90 (achthonderdvierendertig euro en negentig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 november 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 16 (zestien) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 30,- (dertig euro).

Wijst af de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met de parketnummers 13/741100-17 en 13/741104-18.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. B.M. Visser en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2019.

[...]

[...]