Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:2008

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
13/751874-18
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB België, genoegzaamheid van de stukken, Nederlander, terugkeergarantie, lijstfeiten dubbel strafbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751874-18

RK-nummer: 18/7199

Datum uitspraak: 19 maart 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 oktober 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 oktober 2018 door de Onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres:
[BRP-adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

Zitting 8 januari 2019

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 januari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en medegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan op 22 januari 2019.

Tussenuitspraak 22 januari 2019

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te verzoeken aanvullende informatie te verstrekken met betrekking tot – kort gezegd – de feiten waar de opgeëiste persoon van wordt verdacht, dit met het oog op de toetsing van de genoegzaamheid van het EAB en de dubbele strafbaarheid.

Zitting 12 maart 2019

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 12 maart 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is opnieuw bijgestaan door zijn raadsman.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsmandaat bij verstek, uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter op 17 oktober 2018 (referentie: OR Paul Van Santvliet 2018/118).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Tussenuitspraak 22 januari 2019

De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 22 januari 2019 waarin al is geoordeeld over het onschuldverweer en de weigeringsgrond als bedoeld in art 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. Deze oordelen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

5 Genoegzaamheid

5.1.

Inhoud van de stukken

De Onderzoeksrechter van de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen heeft bij e-mail van 29 januari 2019 onder meer het volgende medegedeeld:

(…) Er blijkt immers toch grotere onduidelijkheid te bestaan omtrent de al dan niet aanwezigheid van een ontploffing. De bankautomaat blijkt effectief open te zijn en er zijn effectief gasflessen aangetroffen maar er is op dit ogenblik geen 100 % zekerheid omtrent de vraag of dit door een kleine ontploffing dan wel een braak is teweeg gebracht.

(…)

Verder heeft de Onderzoeksrechter in de bijgevoegde brief van 29 januari 2019 de vragen van de rechtbank – als opgenomen in de tussenuitspraak van 22 januari 2019 – beantwoord:

1. Was er op 20 juli in [plaats naam] sprake van een voltooide plofkraak of van een poging? Heeft er een ontploffing plaatsgevonden?

De bankautomaat blijkt effectief open te hebben gestaan en er werden effectief gasflessen aangetroffen, reden waarom er als tenlastelegging ‘vernieling door ontploffing’ werd weerhouden. De rechter ten gronde kan desgevallend tot een mindere kwalificatie overgaan en enkel een ‘poging tot vernieling door ontploffing’ weerhouden.

2. Indien sprake was van een poging: brengt dit een wijziging in de achter B. van onderdeel e) opgenomen kwalificatie met zich mee? Zo ja: hoe luidt de nieuwe kwalificatie?

In geval de rechter zou herkwalificeren tot ‘poging tot vernieling door ontploffing’, dan is dit de nieuwe tenlastelegging.

3. Indien sprake was van een poging: brengt dit een wijzing in de achter B. van onderdeel c) opgenomen maximale straf met zich mee? Zo ja: wat is de maximale straf?

Indien enkel ‘poging tot vernieling door ontploffing’ zou worden weerhouden, dan is dit strafbaar met opsluiting van 10 tot 15 jaar.

5.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat – ondanks de aanvullende informatie – nog steeds niet duidelijk is of er een ontploffing heeft plaatsgevonden. Dit is relevant in het kader van de beoordeling of de lijstfeiten in redelijkheid zijn aangekruist en – daar de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en dus aanspraak kan maken op een terugkeergarantie – in het kader van de beoordeling van de dubbele strafbaarheid van de feiten.

5.3.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB – indien dit in samenhang wordt gelezen met de aanvullende informatie – genoegzaam is. Er is sprake van een vervolgings-EAB, hetgeen betekent dat het onderzoek nog niet is afgerond. Daarom hoeft nog niet volledig vast te staan op welke wijze de geldautomaat is geforceerd. Dit leidt er tevens toe dat de lijstfeiten in redelijkheid zijn aangekruist en de feiten – al dan niet in de pogingsvariant – dubbel strafbaar zijn.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de genoegzaamheid overweegt de rechtbank dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In onderhavige zaak is thans duidelijk waarvoor de overlevering is gevraagd. De opgeëiste persoon wordt er – kort gezegd – van verdacht dat hij deel uitmaakt van een criminele organisatie die in ieder geval tussen 1 mei 2018 en 10 augustus 2018 meerdere plofkraken heeft gepleegd, waarbij de opgeëiste persoon (in ieder geval) wordt gelinkt aan een (poging tot) een plofkraak in [plaats naam] .

Gelet op de aanvullende informatie is het onderzoek nog gaande en is nog niet volledig duidelijk of een ontploffing heeft plaatsgevonden. De verdenking omvat nu ook het teweeg brengen van een ontploffing. Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank is, indien sprake is van een vervolgings-EAB, niet vereist dat dergelijke zaken al volledig zijn uitgekristalliseerd. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de feiten genoegzaam zijn omschreven.

6 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1, 18 en 28, te weten:

1. deelneming aan een criminele organisatie;

18. georganiseerde of gewapende diefstal;

28. opzettelijke brandstichting.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder de hiervoor genoemde lijst valt en welk(e) feit(en) dienen te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is – gelet op hetgeen zij onder 5.4, voorlaatste alinea, heeft overwogen – van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is.

7 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft mede de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De procureur des Konings verbonden aan het Parket van de procureur des Konings te Antwerpen (afdeling Turnhout) heeft op 7 november 2018 de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Nederland).

Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

7.1.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat – nu niet vaststaat of er inderdaad een ontploffing heeft plaatsgevonden – het derde lijstfeit niet op grond van artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar kan worden geacht. Ook de pogingsvariant is niet strafbaar, omdat blijkens de toelichting bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht een verdergaand criterium voor het begin van uitvoering geldt dan bij andere strafbare feiten.

7.2.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – gelet op hetgeen zij onder 5.4, voorlaatste alinea, heeft overwogen – met de officier van justitie van oordeel dat de onder 6 bedoelde feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De feiten leveren op:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47, 140, 157 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en E. Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 maart 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.