Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1929

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
13/217316-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Klaagschrift 552a Sv - Rolex in beslag genomen. Beslagene wordt verdacht van witwassen. Klagers stellen dat het horloge van hun (overleden) vader is. Klaagschrift ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/217316-18

RK: 18/5550 + 18/5551

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 2006,

en

[klager 2] ,

geboren op [geboortedag 2] 2015,


beiden woonplaats kiezend op het kantooradres van hun raadsman, mr. Y. Moszkowicz, Voorstraat 2, 3512 AM Utrecht,

klagers.

Procesgang

Het klaagschrift is op 28 augustus 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op 19 november 2018 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 17 januari 2019 de raadsman van klagers, de wettelijk vertegenwoordiger en moeder van klagers [naam moeder] , de beslagene [naam beslagene] , en de officier van justitie mr. W.J. de Graaf, in openbare raadkamer gehoord.

Inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave aan klagers van de op 24 april 2018 bij [naam beslagene] in beslag genomen Rolex Yacht-Master II.

Het klaagschrift houdt samengevat het volgende in. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat tegen [naam beslagene] (de rechtbank leest hier en hierna: [naam beslagene] ) loopt, is op de voet van artikel 94 Sv de Rolex in beslag genomen. Klagers zijn echter eigenaar van de Rolex. [naam vader klagers] had dit horloge uitgeleend aan [naam beslagene] .

De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift in raadkamer kort samengevat het volgende aangevoerd. [naam vader klagers] was de vader van klagers. [naam vader klagers] was verdachte in de zaak Andes waarin hij werd beschuldigd van deelneming aan een criminele organisatie. Het gerechtshof Amsterdam heeft hem op 22 juni 2017 vrijgesproken. [naam vader klagers] was handelaar in exclusieve horloges. In het kader van de strafzaak tegen hem, is zijn hele handelsvoorraad in beslag genomen. Het hele proces heeft zes jaar geduurd. [naam vader klagers] is failliet gegaan. Hij heeft een regeling kunnen treffen met de Belastingdienst en zijn in beslag genomen horloges kunnen terugkopen. Op de lijst van in beslag genomen horloges staan twee horloges die ook goudkleurig zijn, net als het horloge dat bij [naam beslagene] in beslag genomen is. Een van die twee horloges moet het horloge zijn dat bij [naam beslagene] in beslag genomen is. [naam vader klagers] heeft in een van zijn laatste berichten aan zijn raadsman geappt dat het horloge dat bij [naam beslagene] in beslag genomen is van hem is en dat hij dat aan [naam 1] had geleend. [naam beslagene] heeft in raadkamer verklaard dat [naam 1] het horloge van [naam vader klagers] had gekregen. [naam vader klagers] was kortom de eigenaar van het horloge dat [naam beslagene] bij zich had en dat in beslag genomen is. Hij is recent komen te overlijden. Hij had geen testament. Zijn zoontjes, klagers, zijn zijn enige wettige erfgenamen en het horloge is nu dus hun eigendom. Het is een van de weinige tastbare herinneringen die zij van hun vader hebben.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen teruggave van het in beslag genomen horloge aan klagers en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie in de strafzaak tegen [naam beslagene] , die wordt verdacht van witwassen van onder meer het dure horloge, zal vorderen dat het horloge wordt verbeurd verklaard en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat die bijkomende straf aan [naam beslagene] zal worden opgelegd.

De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 24 april 2018 zag de politie Amsterdam die met een proactieve controle was belast, een Ferrari California staan op de parkeerplaats [naam parkeerplaats] . De auto bleek op naam te staan van [naam bedrijf] , een bedrijf dat bij de politie bekend staat ter zake van criminele motorclubs en klanten met (zware) antecenten, waaronder witwassen en handel in opium. Voordat er een controle uitgevoerd kon worden, reed de auto weg. De auto werd later staande gehouden op de [locatie] te Den Haag. De bestuurder bleek [naam beslagene] te zijn die ter plekke werd gecontroleerd. Hij bleek in het bezit van € 12.560,=, waarvan € 10.000,= onder de zitting van de bijrijdersstoel lag, en een BQ Aquaris X Encrypted (smartphone). Het geld en de telefoon zijn in beslag genomen. Het horloge dat [naam beslagene] die dag om zijn pols droeg, een Rolex Yacht-Master II, Oyster met een nieuwwaarde van € 40.200.= is ook op de voet van artikel 94 Sv in beslag genomen.

[naam beslagene] wordt verdacht van witwassen kort gezegd omdat er geen bankgegevens of bankrekeningen op zijn naam bekend zijn, er vanaf 2013 in het geheel geen inkomsten van hem bekend zijn en hij wel veel contant geld bij zich heeft en een duur horloge draagt terwijl hij daarvoor (tot op heden) geen concrete, verifieerbare en op voorhand niet een hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft.

In het dossier wordt een aantal witwasindicatoren genoemd die op [naam beslagene] van toepassing zijn:

  • -

    het fysiek vervoeren van grote geldbedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico mee;

  • -

    het feit dat door [naam beslagene] veel contacten worden/werden onderhouden met personen met criminele antecedenten;

  • -

    de wijze waarop het geld werd vervoerd en/of aangeboden;

  • -

    en het voorhanden hebben van grote hoeveelheden contant geld, zonder noodzaak daartoe op grond van bedrijf op beroep.

In het proces-verbaal van verhoor van [naam beslagene] heeft de politie het volgende opgemerkt: “Voor iemand die geen werk en/of uitkering heeft, had je tijdens de aanhouding een aanzienlijk geldbedrag bij je en je had een Rolex Yacht-Master 2 aan je arm zitten, een duur horloge.” Op de vraag van de politie wat zo’n horloge kost, heeft [naam beslagene] het volgende geantwoord: “Is niet van mij. Dit horloge is van [naam 1] uit ’s-Hertogenbosch. Dat is een vriend van mij. Die ken ik een paar jaar. Ik denk dat [naam 1] ongeveer 40 jaar oud is.” Op de vraag van de politie hoe [naam beslagene] in het bezit is gekomen van de Rolex, heeft hij geantwoord: “Die heeft hij bij mij thuis laten liggen en hij vroeg aan mij of ik die ook naar Spanje wilde meenemen want hij is nu in Spanje. [naam beslagene] heeft op de vraag hoe lang hij al in het bezit van het horloge was, het volgende geantwoord: “Ik denk een dag of 14. Ik had een klant voor dat horloge, maar deze koop ging niet door, daarom had ik het horloge. [naam 1] handelt in horloges.”

Bevoegheid

De rechtbank heeft ter zitting en daaraan voorafgaand aan de orde gesteld of zij wel bevoegd is het klaagschrift af te doen aangezien de auto waarin naar later zou blijken [naam beslagene] , de (verdachte) beslagene, zat, voor het eerst werd gezien op de parkeerplaats [naam parkeerplaats] , de inbeslagneming van het horloge in Den Haag heeft plaatsgevonden en op het moment van het indienen van het klaagschrift er nog geen vervolging van de zaak tegen [naam beslagene] voor de rechtbank Amsterdam plaatsvond en tot aan de zitting daar ook nog geen duidelijkheid over bestond. De raadsman heeft erop gewezen dat het Parket Amsterdam in zijn schriftelijke standpunt heeft opgemerkt dat ‘ [naam beslagene] op dit moment vervolgd wordt wegens witwassen.’ De officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat in het systeem (GPS) bij de status van de [naam beslagene] staat: gedagvaard en dat op het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende [naam beslagene] hetzelfde staat met als datum van beslissing 2 november 2018 en als instantie Parket OVJ Amsterdam (13-217316-18). Hoewel [naam beslagene] desgevraagd heeft meegedeeld dat hij nog geen dagvaarding heeft ontvangen, en het, gelet op het bepaalde in artikel 2 Sv de vraag is of de rechtbank Amsterdam bevoegd is kennis te nemen van de strafzaak (de enige connectie met Amsterdam is, naar het zich laat aanzien, de omstandigheid dat [naam beslagene] door de politie Amsterdam is aangehouden en dat hij in Amsterdam in verzekering is gesteld en is verhoord als verdachte), gaat de rechtbank, gelet op de mededeling van de officier van justitie betreffende de status van de zaak, ervan uit dat de zaak inmiddels wordt vervolgd voor de rechtbank Amsterdam en dat zij daarmee bevoegd is het klaagschrift af te doen.

De inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de strafzaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in die zaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Zoals hiervoor vermeld is op de voet van artikel 94 Sv bij [naam beslagene] beslag gelegd op de in het klaagschrift bedoelde Rolex die volgens de klagers aan hen in eigendom toebehoort en die zij terug willen.

In het geval dat een ander dan de beslagene die stelt dat dat het in beslag genomen voorwerp aan hem in eigendom toebehoort, zich beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem, dient de rechtbank (a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, (b) de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de klager indien deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave van het in beslag genomen voorwerp indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het desbetreffende voorwerp zal bevelen (vgl. HR 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:19).

In het onderhavig geval is sprake van een voorwerp dat volgens het Openbaar Ministerie vatbaar is voor verbeurdverklaring. De rechtbank dient in dit geval dus eerst te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later in de strafzaak tegen [naam beslagene] oordelend, de Rolex die bij [naam beslagene] in beslag genomen is, zal verbeurd verklaren.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, is uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende naar voren gekomen. De politie heeft op 24 april 2018 [naam beslagene] niet alleen een Rolex, met een getaxeerde waarde van € 15.000,= in beslag genomen, maar ook een aanzienlijk geldbedrag. [naam beslagene] wordt verdacht van witwassen van dat geld en de Rolex kort gezegd omdat het dure horloge en het grote contante geldbedrag niet vallen te rijmen met het gebrek aan aantoonbaar legaal inkomen.

Uitgangspunt bij witwassen is dat indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, van de verdachte mag worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

[naam beslagene] heeft volgens het Openbaar Ministerie nog niet een dergelijke verklaring gegeven over de herkomst van het horloge en het geld. Hij heeft verklaard dat hij het horloge van [naam 1] uit ’s-Hertogenbosch, die in horloge handelt, heeft gehad en dat hij een klant voor dat horloge had, maar deze koop niet doorging.

Het Openbaar Ministerie heeft [naam beslagene] bij brief van 8 juni 2018 uitgenodigd om met een nadere onderbouwing van zijn verklaring te komen. In deze brief staat onder meer, zakelijk weergeven, het volgende: Op 24 april 2018 zijn bij u drie contante geldbedragen van € 10.000, € 2.085 en € 475 aangetroffen en in beslag genomen. Daarnaast is bij u een horloge van het merk Rolex in beslag genomen. Het feit dat u niet onmiddellijk een aannemelijke en verifieerbare verklaring heeft gegeven omtrent de legale herkomst van het geldbedrag, heeft er mede toe geleid dat u als verdachte van witwassen (artikel 420bis Sr) wordt aangemerkt. Ten overstaan van de politie heeft u in eerste instantie ‘op straat’ verklaard dat u niet meer werkt, altijd contant geld heeft en geen pinpas heeft. Het geld verklaarde u nodig te hebben omdat u een dag later naar uw vakantiehuis in Spanje ging en het geld daarvoor nodig had. In uw verdachtenverhoor heeft u onder andere verklaard dat u 45 jaar autohandelaar bent dan wel was en dat u geen bedrijf (meer) heeft. U verklaart dat de € 10.000 van een vriend ( [naam 2] ) is en bedoeld is om rekeningen in Spanje voor hem te betalen. U gaf aan dat u het geld sinds de dag daarvoor in uw bezit had. Met betrekking tot het horloge verklaart u dat deze van een vriend ( [naam 1] ) is. U wilde het horloge verkopen maar de verkoop ging niet door. U zou dit horloge naar Spanje meenemen omdat [naam 1] daar zou verblijven. Van u als verdachte van witwassen wordt verwacht dat u een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring aflegt. U bent eerder ontboden om op dinsdag 5 juni 2018 een aanvullende verklaring af te leggen. Aan de politie werd gecommuniceerd dat u verhinderd bent te verschijnen in verband met ‘een verblijf in het buitenland’ tot eind augustus. Reden waarom ik u bij deze in de gelegenheid stel om binnen drie weken na dagtekening van deze brief aanvullende stukken te overleggen die uw verklaring over de legale herkomst van het geldbedrag onderbouwen en de geldstroom inzichtelijk te maken, dit houdt in dat u dient aan te tonen waar het geld en het horloge precies vandaan komen doormiddel van administratie of bankbescheiden.

De aanvullende stukken dienen in ieder geval betrekking te hebben op het

volgende:

  • -

    De volledige personalia en contactgegevens van [naam 2]

  • -

    De volledige personalia en contactgegevens van [naam 1]

(…)

- De exacte en tevens onderbouwde herkomst van het horloge (daarnaast gemaakte afspraken m.b.t. overdracht zoals locatie, tijdstip enz.) De voorgenomen verkoop van het horloge (klant, prijs, waarom niet doorgegaan enz.)

Ik verwacht uiterlijk maandag 2 juli 2018 een reactie van u. Zoals hiervoor aangegeven, dienen uw verklaring en de stukken concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Als aan die voorwaarden is voldaan, zal het Openbaar Ministerie nader onderzoek doen naar de inhoud van uw verklaring en de inhoud van de stukken en vervolgens besluiten of we u inderdaad zullen vervolgen voor witwassen. Het geld houd ik tot die tijd in beslag.

Niet gebleken is dat [naam beslagene] is ingegaan op de uitnodiging van de officier van justitie zijn verklaring te concretiseren en te onderbouwen met stukken en de officier van justitie nadere informatie betreffende [naam 1] te verstrekken.

In raadkamer heeft [naam beslagene] alleen verklaard dat de Rolex van [naam 1] had gekregen en dat ene [naam vader klagers] , die hij verder niet kent, het horloge aan [naam 1] zou hebben gegeven.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat bij de huidige stand van zaken het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de strafzaak tegen [naam beslagene] , die verdacht wordt van witwassen, de in beslag genomen Rolex zal verbeurd verklaren.

In dit stadium mag de rechtbank – gelet op het summiere karakter van deze beklagprocedure – niet te ver vooruitlopen op een mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak tegen de beslagene.

Het is niet zo dat door de stelling van klagers [naam beslagene] geen verklaring meer hoeft af te leggen of dat voor zover dat mogelijk is hetgeen over de herkomst is gezegd niet hoeft te worden geverifieerd. De stelling van de raadsman die er kort gezegd op neerkomt dat duidelijk is dat het horloge van [naam vader klagers] is geweest en nu tot de erfenis van zijn klagers behoort en een legale herkomst heeft, is daarvoor onvoldoende onderbouwd. De rechtbank laat hierbij meewegen dat in het klaagschrift staat dat [naam vader klagers] het horloge heeft uitgeleend aan [naam beslagene] . Laatstgenoemde heeft echter verklaard dat hij het horloge had gekregen van ene [naam 1] en dat hij het voor hem wilde gaan verkopen. In raadkamer heeft hij daaraan toegevoegd dat [naam 1] het horloge van ene [naam vader klagers] zou hebben gekregen. De raadsman van klagers heeft in raadkamer gesteld dat hij enkele dagen voor de dood van de vader van klagers een WhatsApp-bericht van hem heeft gehad waarin [naam vader klagers] meedeelt dat hij het horloge aan [naam 1] had gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de enkele opmerking van [naam beslagene] dat [naam 1] het horloge van [naam vader klagers] heeft gekregen, nog niet betekent dat daarmee [naam vader klagers] wordt bedoeld.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag dient daarom ongegrond te worden verklaard.

De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. W.M.C. van den Berg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2019.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klagers beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,

binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.