Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1904

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
13/751237-16
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB Roemenië, overschrijding redelijke termijn i.v.m. detentieomstandigheden, Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer 13/751237-16

RK-nummer: 16/2398

Datum uitspraak: 19 februari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 april 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 15 januari 2016 door the Bucharest Tribunal – Criminal Divison I (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres

[BRP-adres] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

Zitting 7 juni 2016

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 juni 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. P.H. Ruys, advocaat te Rotterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

De rechtbank heeft het onderzoek op die zitting geschorst voor onbepaalde tijd om – kort gezegd – de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen over de specifieke detentieomstandigheden indien de opgeëiste persoon zal worden overgeleverd.

Zitting 19 februari 2019

De behandeling van de vordering is, met toestemming van de officier van justitie, voortgezet op de openbare zitting van 19 februari 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw zijn – nadat de raadsvrouw dit schriftelijk aan de rechtbank had aangekondigd – niet verschenen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een penal conclusion dated 22 juli 2014 in file 23.218/2014.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Roemenië.

Deze feiten omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Detentieomstandigheden in Roemenië

4.1.

Inleiding

De rechtbank heeft ter zitting van 7 juni 2016 meegedeeld dat de rechtbank eerder voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling heeft aangenomen. Gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen (zie bijv. EHRM 25 april 2017, 61467/12, 39516/13, 48231/13 en 68191/13 (Rezmiveş e.a./Roemenië) ECLI:CE:ECHR:2017:0425JUD006146712), heeft de rechtbank vastgesteld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Verder heeft de rechtbank ter zitting van 7 juni 2016 meegedeeld dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bij uitspraak van 5 april 2016 (HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 (Pál Aranyosi) en C-659/15 PPU (Robert Căldăraru), ECLI:EU:C:2016:198) heeft bepaald dat de volgende stap is dat de uitvaardigende autoriteit informatie verschaft over de specifieke detentieomstandigheden in het geval de opgeëiste persoon zal worden overgeleverd. De vragen hierover zijn bij e-mail van 25 april 2016 door het Internationaal Rechtshulp Centrum aan de Roemeense autoriteiten voorgelegd.

4.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft meegedeeld dat er geen nieuwe informatie uit Roemenië is waarin concrete garanties worden gegeven ten aanzien van de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd na een eventuele overlevering. De officier van justitie heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Er is (nog) geen informatie beschikbaar die het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon uitsluit. Er is ook geen concrete aanleiding te veronderstellen dat (op korte termijn) alsnog een individuele garantie met betrekking tot de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon zal worden verstrekt.

De rechtbank komt tot het oordeel dat in dit geval, in het licht van alle omstandigheden, de redelijke termijn is overschreden en dat de overleveringsprocedure moet worden beëindigd.

Onder verwijzing naar de overwegingen onder 5.3.3. en 5.4.3. van de uitspraak van deze rechtbank van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414), is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

5 Beslissing

VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 van de OLW van 4 april 2016.

STELT VAST dat de (geschorste) overleveringsdetentie is beëindigd.

Aldus gedaan door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 februari 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.