Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1874

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
18-03-2019
Zaaknummer
AMS 18/3764
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand voor kosten parkeerplaats. Wmo 2015 toereikende en passende voorliggende voorziening voor vervoersbeperking. Artikel 15 Participatiewet. Geen rechtstreekse werking artikel 4 Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/3764

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2019 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Goettsch),

en

het college van burgemeesters en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Telting).

Procesverloop

In het besluit van 6 maart 2018 (het primaire besluit) wijst verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van het huren van een parkeerplaats onder zijn appartementencomplex af.

In het besluit van 24 mei 2018 (het bestreden besluit) verklaart verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2019.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Hij heeft op 2 maart 2018 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de maandelijkse kosten van een parkeerplaats.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder geeft daarvoor als reden dat de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) de voorliggende voorziening is voor deze kosten. Verweerder vindt verder dat het hebben van een auto en alle zaken daaromheen, geen noodzakelijke kosten van het bestaan zijn.

3. Eiser stelt dat de Wmo 2015 geen passende en toereikende voorliggende voorziening is. Volgens eiser heeft de helpdesk Wmo telefonisch aangegeven dat een gehandicaptenparkeerplaats de enige parkeervoorziening is onder de Wmo 2015. De aanvraag voor het toekennen van een gehandicaptenparkeerplaats is afgewezen. Eiser betoogt daarnaast dat de kosten van een parkeerplaats vanwege zijn handicap wel noodzakelijke kosten van het bestaan zijn. Eiser beroept zich tot slot op artikel 4 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap van 13 oktober 2006 (Trb. 2007, 169 en Trb. 2014, 113; VN-Gehandicaptenverdrag).

4.1

Op grond van artikel 15 van de Pw bestaat geen recht op bijstand als een beroep kan worden gedaan op een passende en toereikende voorliggende voorziening. Artikel 5, aanhef en onder e, Pw bepaalt dat een voorliggende voorziening elke voorziening buiten de Participatiewet is waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.

4.2

De Wmo 2015 voorziet in maatwerkvoorzieningen om personen die op medische gronden beperkingen ondervinden te ondersteunen bij hun zelfredzaamheid en participatie. Een maatwerkvoorziening kan onder meer bestaan uit een vervoersvoorziening (artikel 1.2.1, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 1.1.1 Wmo 2015). De Wmo 2015 wordt daarom aangemerkt als een toereikende en passende voorliggende voorziening voor personen die vanwege medische gronden beperkingen ondervinden bij het lokaal verplaatsen per vervoermiddel.1

4.3

Eiser voert aan dat zijn vervoersprobleem wordt veroorzaakt door zijn medische situatie. Naar het oordeel van de rechtbank is de Wmo 2015 een passende en toereikende voorliggende voorziening voor het oplossen van een dergelijk vervoersprobleem. Eiser moet dus een aanvraag op grond van de Wmo 2015 indienen. Als eiser het niet eens is met de beslissing op deze aanvraag, kan hij daartegen rechtsmiddelen aanwenden. Verweerder heeft de aanvraag om bijzondere bijstand dan ook terecht afgewezen.

4.4

Omdat eiser voor de kosten van het huren van de parkeerplaats geen recht heeft op bijstand, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of deze kosten kwalificeren als noodzakelijke kosten van het bestaan (artikel 35, eerste lid, Pw).

4.5

Voor een beroep van eiser op artikel 4 van het VN-Gehandicaptenverdrag is nodig dat dit artikel rechtstreekse werking heeft. De bepaling moet daarvoor onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief te worden toegepast.2 Daarvan is hier geen sprake. Artikel 4 bevat een algemeen geformuleerde doelstelling, die inhoudt dat staten moeten waarborgen en bevorderen dat alle personen met een handicap zonder enige vorm van discriminatie ten volle alle mensenrechten en fundamentele vrijheden kunnen uitoefenen. Het artikel schrijft voor dat verdragsstaten ten behoeve van dit doel onder meer wetgeving aannemen, maatregelen nemen en onderzoek uitvoeren of bevorderen. Door deze algemene doelstelling en opdracht kan eiser niet rechtstreeks een concrete aanspraak op de vergoeding van de vervoerskosten ontlenen aan artikel 4 van het VN-Gehandicaptenverdrag. Eisers beroep op dit artikel slaagt daarom niet.

4.6

Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk.

4.7

Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breugem, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Gayir, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0304.

2 Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928.