Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1802

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
02-04-2019
Zaaknummer
C/13/646229 / HA ZA 18-370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verkapte exequaturprocedure op grond van artikel 431 lid 2 Rv van drie Servische vonnissen.Toetsing aan door Hoge Raad geformuleerde vereisten in HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 (Gazprombank) en HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54 (Yukos).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/646229 / HA ZA 18-370

Vonnis van 6 maart 2019

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

AGENCY FOR DISPUTE RESOLUTION IN PRIVATIZATION PROCEDURES,

gevestigd te Belgrado (Servië),

eiseres,

advocaat mr. N. Verweij te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROPEAN COMMERCIAL (EC) INVESTMENT B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. T. Vink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ADRPP en EC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 april 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 10 oktober 2018 waarbij een comparitie van partijen voor een meervoudige kamer is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 januari 2019 en de daarin genoemde (proces)stukken.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken bij het (buiten hun afwezigheid opgemaakte) proces-verbaal van de zitting. Mr. Verweij heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt bij brief van 5 februari 2019. Dit vonnis wordt gewezen met inachtneming van de opmerkingen van mr. Verweij.

1.3.

Op 1 maart 2019 heeft de rechtbank een akte uitlaten producties van ADRPP voor de rolzitting van 6 maart 2019 ontvangen. Deze akte is overeenkomstig artikel 6.2 van het Rolreglement geweigerd en door de griffie teruggestuurd, omdat ADRPP de akte heeft genomen nadat de zaak reeds naar de rolzitting van 6 maart 2019 was verwezen voor vonnis en EC met het nemen van deze akte niet heeft ingestemd.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

ADRPP vertegenwoordigt de Republiek Servië in privaatrechtelijke geschillen. De onderneming van EC houdt zich onder andere bezig met het doen van buitenlandse investeringen.

2.2.

In 2003 heeft in Servië een openbare veiling plaatsgevonden van (een gedeelte van) het maatschappelijk kapitaal van de Servische onderneming UTP Morava. EC heeft meegedaan aan deze veiling en daartoe een conceptkoopovereenkomst ondertekend en een bankgarantie afgegeven van € 462.107. EC is als hoogste bieder op 24 januari 2003 uitgeroepen tot koper van de aandelen.

2.3.

Op 29 januari 2003 heeft EC bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van het aandelenkapitaal. Zij heeft de definitieve koopovereenkomst niet ondertekend.

2.4.

ADRPP heeft op 30 oktober 2003 de door EC gestelde bankgarantie ingeroepen, waarna het bedrag van € 462.107 aan haar is uitgekeerd.

2.5.

Artikel 37 van de in Servië van toepassing zijnde Verordening betreffende de verkoop van kapitaal en eigendom door openbare veilingen (hierna: de Verordening) luidde destijds – volgens de door ADRPP overgelegde Nederlandse vertaling – als volgt:
Artikel 37
Indien de aangewezen koper of deelnemer die op het op een na hoogste bod heeft gewezen, de notulen niet ondertekent of niet binnen de termijn betaalt, verliest hij de hoedanigheid van de koper, het recht om deel te nemen aan toekomstige veilingen die voor dit onderwerp van privatisering worden georganiseerd, evenals het recht om de aanbetaling terug te krijgen.

Degene die de hoedanigheid van de koper heeft verloren, betaalt, op naam van de schade die voor de privatiseringsinstelling en voor het Agentschap ontstond, een bedrag ten bedrage van 30% van de verkoopprijs, op de rekening van het Agentschap.(…)

Het hiervoor weergegeven en de hierna volgende citaten van wetsartikelen of uitspraken van (gerechtelijke) autoriteiten zijn (met uitzondering van het citaat in 2.7) afkomstig van door ADRPP overgelegde vertalingen van die wetsartikelen of uitspraken vanuit de Servische naar de Nederlandse of Engelse taal. Taalfouten of verschrijvingen zijn daarin niet gecorrigeerd.

2.6.

Het Constitutionele Hof van de Republiek Servië (hierna: het Constitutionele Hof) heeft – in een procedure waarbij EC en ADRPP niet betrokken waren – bij beslissing van 6 mei 2004 vastgesteld dat artikel 37 van de Verordening niet in overeenstemming is met de Servische Grondwet en de aldaar toepasselijke Wet op het verbintenissenrecht. De beslissing hield in dat de veilingvoorwaarden niet bij een verordening maar bij wet moesten worden geregeld en verder:

3. Het verzoek om opschorting van de uitvoering van individuele akten en handelingen die krachtens de in punt 1 bedoelde verordening [rechtbank: de Verordening] zijn genomen, wordt afgewezen.

De beslissing is op 29 mei 2004 gepubliceerd in de Staatscourant van Servië.

2.7.

Op 21 januari 2005 heeft EC, naar aanleiding van de in 2.6 bedoelde beslissing van het Constitutionele Hof, het Servische Ministerie van Economische Zaken (hierna: het Ministerie) verzocht om terugbetaling van het uitgekeerde bedrag onder de bankgarantie. Nadat het Ministerie op 11 mei 2005 afwijzend op dit verzoek had beslist, heeft het Supreme Court van Servië (destijds de hoogte instantie in bestuursrechtelijke zaken) op 17 mei 2007 in een procedure geoordeeld dat het besluit van het Ministerie op onjuiste gronden was genomen en beslist dat een nieuw besluit genomen moest worden. Het Supreme Court heeft onder meer als volgt beslist en overwogen:

Judgment
The action is ACCEPTED and the conclusion No. 405-03-1/2005-01, dated 11 May 2005, of the Ministry of Economy of the Republic of Serbia is CANCELLED.


Grounds of the judgment
(…)
According to the wording of the contested conclusion [rechtbank: de beslissing van het Ministerie van 11 mei 2005], the objection – the request of the plaintiff [rechtbank: EC] for the refunding of the deposit, (…) had been rejected as untimely.

(…)

In such a state of affairs, according tot the judgment of the Supreme Court of Serbia, the contested conclusion had violated the law to the detriment of the plaintiff. This is so for the reason that the defendant authority [rechtbank: het Ministerie] deciding on the objection (…) and on the request (…) had decided as on a single request of the plaintiff in the manner in which it had committed material breach of the provisions of (…) and because it makes the wording unclear and contradictory to the reasons of the conclusion, which are related to the refunding of the deposit only.

(…)

In the repeated procedure the defendant authority shall eliminate the specified material breaches of the procedure, (…) and shall thereafter bring the proper and on the law based decision also judging its competence for taking the decision on the request (…)

2.8.

Op 16 juli 2007 heeft het Ministerie overeenkomstig deze uitspraak van het Supreme Court een nieuw besluit genomen. Dit besluit luidt voor zover van belang als volgt:
Besluit
Het verzoek tot terugbetaling van de aanbetaling wordt VERWORPEN, als niet-tijdig.

Toelichting
(…) De bepalingen van artikel 57, paragraaf 1 van de Wet op procedure voor het Grondwettelijk Hof en de juridische gevolgen van zijn beslissingen, zien voor dat iedereen wiens recht is geschonden door een definitieve of juridisch bindend individueel besluit, genomen op grond van de wet of andere regelgeving of algemene akte die, door een beslissing van het Grondwettelijk Hof, niet in overeenstemming zijn met de Grondwet of de wet, heeft het recht van het bevoegde orgaan te verzoeken die individuele besluit te wijzigen.
Lid 2 van hetzelfde artikel bepaalt dat een persoon aan wie het recht genoemd in lid 1 van dit artikel geschonden is, kan binnen een termijn van zes (6) maanden vanaf de datum van bekendmaking van het besluit van het Grondwettelijk Hof in de “Staatscourant” een voorstel voor de wijziging van definitieve of wettelijk bindend indivudeel besluit in te dienen, indien meer dan twee jaar niet is verstreken sinds de indiening van het individueel besluit tot de indiening van het voorstel of initiatief.

Aangezien het feit dat [EC] op 21 januari 2005 een verzoek indiende en het besluit van het Grondwettelijk Hof werd gepubliceerd op 29/05/2004, is het duidelijk dat de termijn genoemd in artikel 57, lid 2 van de Wet op de procedure voor het Grondwettelijk Hof is verstreken, omdat acht maanden is verstreken, en niet zes maanden, zoals wettelijk bepaald. (…)

2.9.

EC heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen dit besluit van het Ministerie.

2.10.

De rechtbank van Koophandel in Belgrado heeft bij vonnis van 12 juni 2008 de vordering van EC jegens ADRPP tot terugbetaling van het uitgekeerde bedrag onder de bankgarantie van € 462.107 toegewezen, vermeerderd met een bedrag aan proceskosten van RSD (Servische dinar) 673.000. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
In deze stand van zaken, en rekening houdend met het onbetwistbaar feit dat de realisatie van de gedaagde [rechtbank: ADRPP], dat wil zeggen de inning van een bankgarantie door de eiser [rechtbank: EC] in naam van de aanbetaling voor deelname aan de openbare verkoop voor de verkoop van het onderwerp van privatisering UTP “Morava” uit Čačak, op grond van de bepalingen van artikel 37 en 37a Verordening (…), en voor die bepalingen heeft het Constitutioneel Hof van Servië bij zijn Besluit gepubliceerd op 29.05.2004 vastgesteld dat ze in strijd met de Grondwet en de Wet zijn en dat in dit geval de rechtsgrondslag voor het behouden van de betaalde aanbetaling door de gedaagde niet geldig is, omdat er in de concrete zaak geen andere wettelijke of contractuele basis is om de betaalde aanbetaling voor deelname op de openbare verkoop te behouden, om welke reden de vordering van de eiser werd beoordeeld door de rechtbank als gegrond.

Het in het citaat genoemde Besluit, gepubliceerd op 29 mei 2004, betreft de in 2.6 genoemde beslissing.

2.11.

Het vonnis van de rechtbank van Koophandel in Belgrado van 12 juni 2008 is op 7 oktober 2009 bekrachtigd door de Hoge Rechtbank van Koophandel in Belgrado. EC heeft het vonnis op 22 januari 2010 geëxecuteerd. Daartoe heeft zij een bankrekening in Servië geopend waarop ADRPP een bedrag van RSD 48.141.256,70 heeft overgeboekt. Dit bedrag is thans niet meer op die bankrekening aanwezig.

2.12.

Op 3 november 2011 heeft het Hof van Cassatie dat sinds de hervorming van de rechterlijke macht van Servië de hoogste instantie in civielrechtelijke zaken is, op verzoek van ADRPP beslist dat de in 2.10. en 2.11. bedoelde uitspraken moeten worden herzien. De beslissing luidt voor zover van belang als volgt:
De herziening van de gedaagde Agentschap voor privatisering uit Belgrado WORDT GOEDGEKEURD, en het vonnis van de Hogere Handelsrechtbank in Belgrado (…) vanaf 7/10/2009 en het vonnis van de Handelsrechtbank in Belgrado (…) vanaf 12/06/2008, in het deel waar het nodig is om aan de aanklager [rechtbank: EC] het bedrag van 462.107 euro met de binnenlandse rente te betalen vanaf 24/01/2008 tot de laatste betaling in dinars met wisselkoers van de Nationale Bank van Servië op het betaaldatum, en in het deel waar het nodig is om de kosten van het geschil aan de aanklager te vergoeden in totaal 673.000,00 dinars, zullen worden HERZIEN en beslist:

ER WORDT AFGEWEZEN, als ongegrond, het verzoek van aanklager dat gedaagde aan de aanklager 462.107 euro betaalt, omwille van de ongerechtvaardigde verrijking, met de binnenlandse rente vanaf 24/01/2008 tot de laatste betaling in dinars met wisselkoers van de Nationale Bank van Servië op de betaaldatum en de kosten van het geschil aan de aanklager te vergoeden in totaal 673.000,00 dinars.

De aanklager IS VERPLICHT om aan de geklaagde de kosten van het geschil te vergoeden in totaal 2.853.000,00 dinars binnen acht dagen vanaf het ontvangen van het vonnis onder de dreiging van afgedwongen betaling.

Uitleg

(…)

Met artikel 51 van de Wet betreffende de procedure voor het Grondwettelijk Hof en rechtsgevolgen van zijn besluiten werd gereguleerd dat wanneer het Grondwettelijk Hof bevestigt dat regelgeving of andere algemene wet niet in overeenstemming is met de Grondwet en wet, treedt deze verordening buiten werking op de dag van bekendmaking van het besluit (…). Iedereen die van mening is dat zijn recht verwonden is, (…) heeft een recht om van de bevoegde autoriteit de verandering van individueel wetgevingsbesluit binnen 6 maanden van de bekendmaking van het besluit (…) te vragen als vanaf het individuele wetgevingsbesluit tot het indienen van het voorstel (…) niet meer dan twee jaren afgelopen is, zoals voorgeschreven in de bepaling van artikel 57 van deze wet. (…) Het verzoek voor de terugbetaling die de aanklager op 21/01/2005 heeft ingediend, werd als ontijdig verworpen door de conclusie van het Ministerie van Economische Zaken en Regionale Ontwikkeling, en de aanklager heeft niet bewezen dat hij volgend de remedie een administratief geschil geïnitieerd heeft. (…) Er [Het] gaat om een feit die van kracht is geweest vóór de beslissing en bekendmaking van het besluit van het Grondwettelijk Hof, en op deze verhouding kan niet het besluit van het Grondwettelijk Hof toegepast worden die volgens artikel 51 rechtsgevolgen voor de toekomst heeft.(…) In dit geval, is deze terugwerkende kracht niet voorgeschreven door de bepalingen van artikel 51 van de Wet (…) en daarom is het verzoek voor terugbetaling ongegrond.”

2.13.

ADRPP heeft EC na deze beslissing van het Hof van Cassatie gedagvaard voor de Handelsrechtbank van Belgrado. EC heeft in die procedure een bevoegdheidsincident opgeworpen. De Servische rechter heeft in twee instanties (Rechtbank van Koophandel op 8 maart 2013 en Economisch Hof van Beroep op 22 mei 2013) beslist dat de Servische rechter bevoegd is om van de vordering van ADRPP kennis te nemen.

2.14.

De Handelsrechtbank van Belgrado heeft EC bij vonnis van 17 september 2013 veroordeeld tot betaling van RSD 48.141.256,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 november 2012 en vergoeding van de proceskosten van RSD 961.500. De Handelsrechtbank overweegt in haar uitspraak onder meer als volgt:

Het vonnis

  1. De gedaagde “EUROPEAN COMMERCIAL/EC/INVESTMENT B.V.”(…) WERD VERPLICHT om aan het Agentschap voor privatisering van de Republiek Servië, Belgrado [rechtbank: ADRPP] het bedrag van 48.141.256,70 dinars te betalen, als hoofdschuld, met de wettelijke rente vanaf 09/11/2012 tot de laatste betaling binnen 8 dagen van het ontvangen van het vonnis onder de bedreiging van gedwongen uitvoering.

  2. De gedaagde werd verplicht om aan de aanklager de kosten in totaalbedrag van 961.500,00 dinars binnen 8 dagen te vergoeden.

(…)

Toelichting

(…)

De rechtbank vindt dat in concreet geval de aanklager [rechtbank: ADRPP] de bescherming van de bedreigde rechten kan vragen, de terugbetaling van de verworven, op basis van rechtsgeldig gewijzigde document, door een aanklacht met betrekking tot van ongerechtvaardigde verrijking (onderstreping rechtbank) in te dienen, dat wil zeggen dat hij kan vragen dat gedaagde betaalt terug wat hij gekregen heeft op basis van het vonnis dat later gewijzigd werd, en rekening houden met de bepalingen artikel 210 paragraaf 2 van de Verbintenissenrecht.
Namelijk, krachtens artikel 210 paragraaf 2 van de Verbintenissenrecht werd voorgeschreven dat verbintenis tot teruggave of compensatie van de waarde treedt ook op wanneer iets ontvangen werd gebaseerd op iets dat niet bereikt werd of dat later afgevallen is. (…)

2.15.

Het Economisch Hof van Beroep in Belgrado heeft deze uitspraak op 8 april 2015 bekrachtigd. Deze uitspraak luidt onder meer als volgt:

Het vonnis

I Het beroep van de gedaagde [rechtbank: EC] werd VERWORPEN als ongegrond en het vonnis (…) vanaf 17/09/2013 van de Handelsrechtbank in Belgrado werd BEVESTIGD.

(…)

Toelichting
(…)

De rechtsgrondslag van de vorderingen van de aanklager [rechtbank: ADRPP] is ongerechtvaardigde verrijking (onderstreping rechtbank) krachtens artikel 210 van de Verbintenissenrecht.(…) Derhalve heeft de rechtbank van eerste aanleg het materiële recht juist toegepast (…) en de gedaagde [rechtbank: EC] werd tot de terugbetaling verplicht op basis van ongerechtvaardigde verrijking (…)

2.16.

Het verzoek van EC tot herziening van deze uitspraak is door het Hof van Cassatie op 6 april 2017 afgewezen.

2.17.

ADRPP heeft tevergeefs geprobeerd de uitspraken van 3 november 2011 (zie 2.12),
17 september 2013 (zie 2.14) en 8 april 2015 (zie 2.15) in Servië te executeren.

3 Het geschil

3.1.

ADRPP vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, EC veroordeelt tot betaling van hetgeen waartoe EC is veroordeeld in de volgende Servische vonnissen:

-Hof van Cassatie in Belgrado van 3 november 2011 (zie 2.12),

-Handelsrechtbank in Belgrado van 17 september 2013 (zie 2.14) en

-Economisch Hof van Beroep in Belgrado van 8 april 2015 (zie 2.15)

(hierna: de Servische vonnissen),

althans tot betaling van een bedrag van RSD 51.955.756,70 aan hoofdsom inclusief proceskosten, te vermeerderen met de binnenlandse rente van Servië over een bedrag van RSD 48.141.256,70, met wisselkoers van de Nationale Bank van Servië op de betaaldatum, te berekenen vanaf 9 november 2012,

met veroordeling van EC in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente daarover.

3.2.

Het gevorderde bedrag van RSD 51.955.756,70 is als volgt berekend:

Proceskosten bij vonnis van 3 november 2011 RSD 2.853.000,00
Hoofdsom bij vonnis van 17 september 2013 RSD 48.141.256,70

Proceskosten bij vonnis 17 september 2013 RSD 961.500,00

Totaal RSD 51.955.756,70

3.3.

ADRPP heeft haar vordering gebaseerd op artikel 431 lid 2 Rv. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat de Servische vonnissen in Nederland moeten worden erkend en ten uitvoer kunnen worden gelegd, omdat aan de in de rechtspraak in het kader van artikel 431 lid 2 Rv ontwikkelde criteria is voldaan.

3.4.

De conclusie van EC strekt tot afwijzing van de vordering. EC voert – kort weergegeven – aan dat niet is voldaan aan de aan de in de rechtspraak in het kader van artikel 431 lid 2 Rv ontwikkelde criteria, zodat de Servische vonnissen niet voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komen. Volgens EC heeft de Servische rechter zich in de onderhavige procedures ten onrechte bevoegd verklaard. Verder voert zij aan dat erkenning van de Servische vonnissen in strijd is met het in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op een eerlijk proces, omdat de hoger beroeps- en herzieningsprocedures zonder zitting hebben plaatsgevonden en partijen niet de mogelijkheid hadden op elkaars stellingen te reageren. Daarnaast is volgens EC sprake geweest van belangenverstrengeling, omdat één rechter zowel in hoger beroep als in cassatie over dezelfde zaak zou hebben beslist. EC heeft voorts verwezen naar producties waaruit zou blijken dat de Servische rechterlijke macht aan corruptie onderhevig is. Tenslotte kunnen de Servische vonnissen volgens EC niet worden erkend, omdat sprake is van onverenigbare uitspraken tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht

4.1.

Er is sprake van een internationaal geschil. De rechtbank dient daarom ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen van ADRPP kennis te nemen.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat de Servische vonnissen niet in Nederland kunnen worden erkend en ten uitvoer gelegd op grond van een bepaling in een Nederland bindend verdrag of in een Europese verordening. Tussen Nederland en Servië geldt geen verdrag waarin de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen is geregeld. De Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis-Vo) is in formeel opzicht uitsluitend van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen afkomstig uit een lidstaat van de Europese Unie en dus niet op beslissingen uit Servië. Dit brengt mee dat naar het Nederlandse commune internationaal bevoegdheidsrecht moet worden bepaald of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van ADRPP.

4.3.

De vorderingen van ADRPP zijn gebaseerd op artikel 431 lid 2 Rv. Artikel 431 lid 2 Rv schept in beginsel rechtsmacht voor de Nederlandse rechter, nu het de mogelijkheid biedt om de gedingen opnieuw in Nederland te behandelen en af te doen. Dit geldt ongeacht of de Nederlandse rechter aanleiding ziet tot een inhoudelijke herbeoordeling van het geschil dan wel de vraag beoordeelt of aan een beslissing van een buitenlandse rechter gezag toekomt en zich in dat verband beperkt tot een toets aan de vereisten zoals door de Hoge Raad uiteen gezet in het zogenaamde Gazprombankarrest (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838 en HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54, Yukos). In zijn algemeenheid geldt hierop als uitzondering het geval waarin de eisende partij met het voorleggen van de desbetreffende vordering op de voet van artikel 431 lid 2 Rv aan de Nederlandse rechter misbruik van procesrecht maakt. Dat daar in dit geval sprake van zou zijn, is evenwel gesteld noch gebleken.

4.4.

Nu EC is gevestigd in Amsterdam en de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank niet is betwist, acht de rechtbank zich bevoegd van de vorderingen van ADRPP kennis te nemen.

Algemene uitgangspunten voor de beoordeling van de vordering

4.5.

In deze zaak moet worden beoordeeld of EC kan worden veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe zij in de Servische vonnissen is veroordeeld, dat wil zeggen of in Nederland aan die beslissingen gezag toekomt. Uit het Gazprombankarrest volgt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

(i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een

bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is;

(ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging;

(iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde; en

(iv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

4.6.

Strekt de aan de Nederlandse rechter voorgelegde vordering op de voet van artikel 431 lid 2 Rv tot veroordeling tot hetgeen waartoe de wederpartij in de buitenlandse beslissing is veroordeeld, en is voldaan aan de vier hiervoor vermelde voorwaarden, dan dient de Nederlandse rechter de gebondenheid van partijen aan die beslissing tot uitgangspunt te nemen, en is de vordering in beginsel toewijsbaar. Toewijzing van een vordering op grond van artikel 431 lid 2 Rv kan echter afstuiten op de grond dat de voor erkenning vatbare buitenlandse beslissing volgens het recht van het land van herkomst niet, nog niet dan wel niet meer uitvoerbaar is (zie eveneens het Gazprombankarrest). Onder omstandigheden kan er voorts aanleiding zijn de beslissing op de voet van artikel 431 lid 2 Rv aan te houden indien tegen het buitenlandse vonnis een rechtsmiddel is ingesteld en daarop nog niet bij onherroepelijk vonnis is beslist.

4.7.

De rechtbank zal hierna eerst bespreken of aan de vier genoemde voorwaarden is voldaan.

Ad (i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.

4.8.

Bij de beoordeling of de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is, gaat het niet om de vraag of de buitenlandse rechter volgens zijn eigen recht of volgens het Nederlands internationaal privaatrecht bevoegd was, maar of die bevoegdheid naar internationale normen aanvaardbaar is. Bij de beoordeling kan de rechter internationale verdragen en verordeningen betrekken, omdat de bepalingen die daarin zijn vastgelegd een aanwijzing kunnen opleveren voor hetgeen internationaal aanvaardbaar wordt geacht. Gelet op dit uitgangspunt, behoeft in dit geding niet te worden beoordeeld of de Servische rechter zich op grond van de juiste artikelen uit de toepasselijke Servische wet bevoegd heeft verklaard. Hetgeen EC heeft aangevoerd over een naar haar mening door het Hof van Cassatie in zijn uitspraak van 3 november 2011 ten onrechte aangenomen bevoegdheidsgrond, behoeft daarom geen bespreking.

4.9.

ADRPP vordert in de eerste plaats erkenning en tenuitvoerlegging van het vonnis van het Hof van Cassatie van 3 november 2011 (zie 2.12). Dit vonnis is gevolgd op twee beslissingen van lagere instanties in de door EC tegen ADRPP aangespannen procedure, waarin zij terugbetaling van het aan ADRPP uitgekeerde bedrag onder de bankgarantie heeft gevorderd. De bevoegdheid van het Hof van Cassatie vloeit dus voort uit de bevoegdheid van de lagere instanties waarvoor EC ADRPP heeft gedagvaard. Dat zijn gerechten in Belgrado, de plaats van vestiging van ADRPP, hetgeen in overeenstemming is met het internationaal geldende beginsel dat de bevoegdheid van de rechter in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de gedaagde.

4.10.

Uit het vonnis van 17 september 2013 van de Handelsrechtbank in Belgrado (zie 2.14) en het vonnis van het Economisch Hof van Beroep van 8 april 2015 (zie 2.15), waarvan ADRPP eveneens erkenning en tenuitvoerlegging vordert, leidt de rechtbank af dat de in die uitspraken beoordeelde vordering van ADRPP jegens EC was gegrond op ongerechtvaardigde verrijking. Immers, ADRPP vorderde (terug)betaling van het door haar aan EC op grond van de uitspraak van de Hoge Rechtbank van Koophandel van 7 oktober 2009 (zie 2.11) betaalde bedrag van de getrokken bankgarantie. Ter comparitie heeft ADRPP desgevraagd toegelicht dat haar vordering in deze procedure (ook) was gegrond op nakoming van de tussen partijen gesloten conceptkoopovereenkomst waarin als voorwaarde was opgenomen dat EC een bankgarantie zou stellen. Ook EC heeft ter comparitie verklaard dat zij de veilingovereenkomst als grondslag voor de vorderingen ziet. Wat daar verder ook van zij, uit de hiervoor in 2.14. en 2.15. geciteerde en onderstreepte passages uit deze uitspraken kan de rechtbank geen andere conclusie trekken dan dat de vorderingen waren gegrond op ongerechtvaardigde verrijking en ook op die grondslag zijn beoordeeld. De rechtbank neemt dit tot uitgangspunt bij de beoordeling van de bevoegdheid van de Servische rechter.

4.11.

Bij de beoordeling van de internationale rechtsmacht bij vorderingen uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking is van belang dat binnen de Europese Unie op grond van verschillende verordeningen de regel geldt dat naast de gerechten van de woonplaats van de gedaagde ook andere gerechten alternatief bevoegd zijn. De kern van de bevoegdheidsregels onder de Brussel I bis Verordening is dat geschillen zoveel mogelijk moeten worden behandeld door de rechter van het land dat een nauwe band heeft met het geschil. In de Brussel I bis Verordening is geen specifieke regeling voor vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking opgenomen. De bevoegdheidsregels voor vorderingen uit onrechtmatige daad zijn – volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie EU (HvJEU) – ook van toepassing op andere vorderingen die geen verband houden met een verbintenis uit overeenkomst. Daaronder wordt ook de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking begrepen, hetgeen aansluit bij de kwalificatie van ongerechtvaardigde verrijking als niet-contractuele verbintenis onder Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).

4.12.

Als bevoegd gerecht bij vorderingen op grond van onrechtmatige daad wordt beschouwd het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU kan daarbij worden aangeknoopt bij zowel de plaats waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden (het Handlungsort) als bij de plaats waar de schade is ingetreden (het Erfolgsort). In dit geval was de gestelde ongerechtvaardigde verrijking en dus het schadebrengende feit gelegen in de terugbetaling van het door ADRPP ontvangen bedrag onder de bankgarantie aan EC op een speciaal daartoe geopende bankrekening in Servië. Zowel het Handlungsort als het Erfolgsort bevinden zich dus in Servië. Bovendien had het geschil hoofdzakelijk aanknopingspunten met Servië, nu de vordering voortvloeide uit een in Servië gehouden veiling van het aandelenkapitaal in een Servische onderneming. Rechtsmacht van de Servische rechter is daarmee ook in overeenstemming met het internationaal algemeen aanvaarde uitgangspunt dat geschillen zoveel mogelijk moeten worden behandeld door de rechter van een land een nauwe band heeft met het geschil.

4.13.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid van de Servische rechter in de drie Servische procedures is gebaseerd op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is.

Ad (ii) de buitenlandse beslissing is tot stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging en (iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde

4.14.

De hiervoor onder (ii) en (iii) genoemde criteria uit het Gazprombankarrest hangen met elkaar samen en zien op de behoorlijke rechtspleging, in ruime zin. Deze voorwaarden beogen te voorkomen dat in de Nederlandse rechtsorde een buitenlandse rechterlijke beslissing tot gelding komt die naar haar totstandkoming of haar inhoud in strijd is met beginselen en waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden aangemerkt. Het onder (ii) genoemde criterium betreft de wijze waarop de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen. De daaraan te stellen eisen vallen ten minste samen met de criteria voor een fair trial als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het onder (iii) bedoelde criterium betreft de gevolgen van de erkenning voor de Nederlandse openbare orde. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarden is voldaan, geldt niet het beginsel van wederzijds vertrouwen in de rechtsbedeling van de staat van herkomst, dat ten grondslag ligt aan internationale regelingen over erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen. Bij de beoordeling of is voldaan aan de onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden gaat het er niet om of de buitenlandse beslissing juist is (er is geen plaats voor een révision au fond). Dit brengt mee dat ook een rechterlijke beslissing die binnen de Nederlandse rechtsorde als onjuist wordt aangemerkt, kan worden erkend. Dat is anders indien erkenning, gelet op de totstandkoming of inhoud van de desbetreffende beslissing, in strijd komt met beginselen en waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden aangemerkt (vgl. r.o. 4.1.3 en 4.1.4 van HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:54, Yukos).

4.15.

EC heeft aangevoerd dat zij in Servië geen eerlijk proces heeft gehad en dat daarom niet is voldaan aan deze twee voorwaarden van het Gazprombankarrest.

Artikel 6 lid 1 EVRM – recht op openbare behandeling

4.16.

Artikel 6 lid 1 EVRM houdt in dat partijen in een civiele procedure in beginsel recht hebben op een openbare en mondelinge behandeling. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) wordt hiermee bedoeld dat partijen – behoudens bijzondere omstandigheden – tenminste bij één instantie de gelegenheid moeten krijgen hun standpunt mondeling toe te lichten (EHRM 8 februari 2005, 55853/00, Miller v. Sweden). Er zijn omstandigheden waaronder wordt aangenomen dat geen mondelinge behandeling vereist is, bijvoorbeeld als er geen discussie over de feiten is (EHRM 20 december 2016, 21682/11, Sagvolden v. Norway). Er is dus geen sprake van een absoluut recht op een openbare en mondelinge behandeling. Verder geldt dat indien partijen in eerste aanleg een mondelinge behandeling hebben gehad, dat een reden kan zijn op grond waarvan het ontbreken van een zitting in hoger beroep gerechtvaardigd wordt geacht. Dat is bijvoorbeeld het geval indien in hoger beroep alleen over het recht wordt geoordeeld en geen beslissing over de feiten meer wordt genomen.

4.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de onderhavige Servische procedures alleen in eerste aanleg een zitting heeft plaatsgevonden. EC heeft aangevoerd dat daarmee inbreuk is gemaakt op haar rechten op grond van artikel 6 EVRM, omdat haar Servische advocaat aldus geen mogelijkheid heeft gehad om ter zitting, ten overstaan van deze instanties, in discussie te gaan over en te reageren op nieuwe feiten en standpunten van ADRPP.

4.18.

ADRPP heeft ter zitting – onbestreden – toegelicht dat het in Servië gebruikelijk is dat in civiele zaken in hoger beroep en cassatie alleen schriftelijk geprocedeerd wordt en geen mondelinge behandeling plaatsvindt. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat, zoals ADRPP heeft gesteld, in de civiele procedure in Servië in beginsel alleen in eerste aanleg bewijsstukken in het geding kunnen worden gebracht. Gelet op de hiervoor in 4.16 weergegeven rechtspraak van het EHRM is het enkele feit dat geen zitting heeft plaatsgehad in hoger beroep (of cassatie) op zichzelf geen reden om aan te nemen dat de beslissingen tot stand zijn gekomen in een met onvoldoende waarborgen omklede gerechtelijke procedure. Er is in dit geval ook anderszins geen reden om dat aan te nemen. Uit de hiervoor geciteerde Servische vonnissen blijkt dat in hoger beroep uitsluitend over rechtsvragen is geoordeeld. Niet is gebleken dat in hoger beroep en cassatie een oordeel is gegeven over de feiten die aan de vorderingen ten grondslag lagen. EC heeft desgevraagd ter comparitie ook niet kunnen toelichten welke specifieke nieuwe feiten of standpunten ADRPP (desondanks) zou hebben ingenomen, waarop zij vervolgens niet heeft kunnen reageren. De conclusie is dan ook dat het ontbreken van een mondelinge behandeling in hoger beroep en cassatie, in dit geval niet meebrengt dat de wijze waarop de Servische vonnissen tot stand zijn gekomen in strijd is met artikel 6 EVRM. Een schending van het beginsel van hoor en wederhoor is evenmin gebleken.

Artikel 6 lid 1 EVRM – recht op onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak

4.19.

EC heeft verder aangevoerd dat sprake is geweest van een oneerlijk proces, omdat in de procedures in Servië één en dezelfde rechter in twee instanties over de zaak heeft beslist. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij verwezen naar een notitie van S.H. Spahović, de advocaat die EC in Servië heeft bijgestaan. Hij heeft toegelicht dat de president van de het Constitutionele Hof dat op 28 oktober 2014 een door EC ingesteld beroep heeft afgewezen, als voorzitter van het Hof van Cassatie op 6 december 2017 het verzoek om herziening eveneens heeft afgewezen. De uitspraken waar Spahović naar verwijst zijn niet in het geding gebracht, zodat de rechtbank niet zelf heeft kunnen vaststellen dat bij de genoemde uitspraken inderdaad dezelfde rechter betrokken is geweest. Zelfs als dit juist was, geldt dat ADRPP van geen van de genoemde uitspraken in dit geding erkenning vraagt. Evenmin heeft de rechtbank op basis van de summiere toelichting van EC kunnen vaststellen dat genoemde procedures nauw verbonden zijn geweest met de Servische uitspraken die in dit geding wel aan de orde zijn. Om die reden behoeft niet onderzocht te worden of door de mogelijke dubbele betrokkenheid van een rechter niet aan de voorwaarden (ii) en (iii) van het Gazprombankarrest is voldaan. De rechtbank heeft op basis van haar onderzoek van het dossier nog wel vastgesteld dat zowel in de uitspraak van 8 maart 2013 in het bevoegdheidsincident (zie 2.13) als in het vonnis van 17 september 2013 (zie 2.14), M. Dacijar als behandelend rechter is genoemd. Voor zover EC zich in verband hiermee op strijdigheid met artikel 6 EVRM heeft willen beroepen, geldt dat het feit dat dezelfde rechter in zowel het bevoegdheidsincident als in de hoofdzaak over een zaak beslist, in beginsel niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces.

4.20.

EC heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij in Servië geen eerlijk proces heeft gehad diverse stukken overgelegd met betrekking tot het gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Servië. EC heeft geconcludeerd dat uit deze stukken volgt dat gerechtelijke procedures in Servië niet vrij zijn van corruptie en dat daaruit voortvloeiende uitspraken niet in Nederland kunnen worden erkend.

4.21.

Bij de beoordeling of sprake is van strijd met het EVRM, gaat het erom of in een specifiek geval aan de vereisten van het verdrag is voldaan. EC heeft onvoldoende toegelicht dat er in dit specifieke geval sprake is geweest van overheidsinvloed op de gerechtelijke procedures en de besluitvorming. Op de comparitie heeft EC erkend dat het moeilijk is concrete aanwijzingen te vinden dat de Servische overheid invloed zou hebben gehad op de uitkomst van de onderhavige procedures. Zij heeft op de comparitie nog een aanvullende productie overgelegd. Het betreft volgens haar een anti-corruptie rapport waarin specifiek de privatisering van Morava wordt genoemd. In het document (“Policy and Process of Privatization Report”), dat is gedateerd op 15 maart 2004, staat onder meer:


Taking into consideration numerous objections suspecting possible corruption and the violation of the process of privatization, the Anti-Corruption Council performed the analysis of the prevailing Law on Privatization,

(…),
Present analysis shows that a successful ownership transformation depends on precise estimation of the failures of the Law on Privatization, as well as the irregularities in the existing procedures. We suggest the revision of the objections regarding privatization process sent to the Anti-Corruption Council, and decisions making regarding further procedures. We, also expect to be posted of actions taken.


Het rapport wordt afgesloten met een lijst met “petitioners” die zich tot de Anti-Corruption Council hebben gewend. Morava wordt genoemd als één van de petitioners. De rechtbank kan, anders dan EC, op basis van dit rapport niet concluderen dat EC in de gerechtelijke procedures in Servië geen eerlijk proces heeft gehad. Het rapport betreft veeleer een analyse van de privatiseringswet en doet een aantal aanbevelingen voor aanpassingen van die wet. Het rapport gaat niet specifiek over de privatisering van Morava. Uit het rapport kan enkel worden afgeleid dat vertegenwoordigers van Morava zich kennelijk tot de Anti-Corruption Council hebben gewend om hun bezwaren tegen de privatisering te uiten.

4.22.

De conclusie is dat uit geen van de door EC overgelegde stukken blijkt van een inbreuk op het beginsel van onafhankelijke of onpartijdige rechtspraak. Bij deze stand van zaken hoeft ADRPP niet meer in de gelegenheid te worden gesteld nog op de comparitie overgelegde stukken te reageren.

4.23.

EC heeft tenslotte aangevoerd dat de uitspraak van het Hof van Cassatie van

3 november 2011, gelet op het Besluit van 6 mei 2004 van het Constitutionele Hof, niet te rechtvaardigen is en ondeugdelijk is gemotiveerd. Om die reden, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van EC, komen de Servische vonnissen niet voor erkenning in Nederland in aanmerking. EC heeft haar standpunt toegelicht door erop te wijzen dat het inroepen van de bankgarantie door ADRPP was gegrond op artikel 37 van de Verordening. Nadien heeft het Constitutionele Hof in het Besluit van 6 mei 2004 geoordeeld dat artikel 37 van de Verordening in strijd is met de Servische Grondwet en de Wet op het verbintenissenrecht. Om die reden heeft de Servische rechter vervolgens in twee instanties beslist dat de bankgarantie door ADRPP zonder grondslag was ingeroepen en dat het bedrag dus terugbetaald moest worden aan EC (Rechtbank van Koophandel 12 juni 2008 en Hoge Rechtbank van Koophandel 7 oktober 2009, zie 2.10 en 2.11). Het is volgens EC onbegrijpelijk dat het Hof van Cassatie op 3 november 2011 (zie 2.12) anders heeft beslist.

4.24.

Zoals hiervoor in 4.14 is overwogen gaat het er bij de beoordeling of is voldaan aan de onder (ii) en (iii) genoemde voorwaarden van het Gazprombankarrest niet om of de buitenlandse beslissing juist is. Getoetst moet worden of de beslissingen, gelet op hun totstandkoming of inhoud, in strijd komen met beginselen en waarden die in de Nederlandse rechtsorde als fundamenteel worden aangemerkt. Slechts in dat geval kunnen ze niet in Nederland worden erkend.

4.25.

Aan EC kan worden toegegeven dat de vertaling van een aantal van de overgelegde Servische uitspraken aan duidelijkheid te wensen overlaat. Toch acht de rechtbank zich voldoende in staat de strekking en inhoud daarvan tot zich te nemen. Daarbij komt dat het op de weg van EC had gelegen om, mocht een door ADRPP overgelegde vertaling naar haar mening onjuist zijn, een eigen vertaling in het geding te brengen. Dat zij dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de overgelegde vertalingen. De rechtbank leidt uit de door partijen overgelegde producties en het verhandelde op de comparitie, het volgende af.

4.26.

De op artikel 37 van de Verordening gegronde uitkering van de bankgarantie vond plaats voordat het artikel door het Constitutionele Hof in strijd met de Grondwet werd verklaard. In de uitspraak van het Constitutionele Hof (zie 2.6, zoals gezegd in een procedure tussen andere partijen) is beslist dat de uitvoering van individuele besluiten die vóór deze uitspraak op grond van artikel 37 waren genomen, niet werd opgeschort, met andere woorden dat het besluit geen terugwerkende kracht had. Op grond van artikel 57 van de Wet inzake de procedures voor het Constitutionele Hof had EC het recht om het bevoegd orgaan (het Ministerie) te verzoeken om de gevolgen van een op grond van artikel 37 genomen beslissing te wijzigen, zodat de gevolgen teniet zouden worden gedaan. Dit moest binnen zes maanden na publicatie van de beslissing van het Constitutionele Hof. Het Ministerie heeft het verzoek in eerste instantie afgewezen, omdat het verzoek te laat was. Het Hof van Cassatie heeft toen het besluit van het Ministerie vernietigd omdat het Ministerie had verwezen naar onjuiste wettelijke bepalingen (zie 2.7). Het Hof van Cassatie heeft wel gezien dat het verzoek van EC niet-tijdig (want niet binnen zes maanden ingediend) was gedaan, maar heeft in de toelichting vermeld dat het Ministerie het verzoek voor de terugbetaling van de aanbetaling heeft afgewezen en het Ministerie geïnstrueerd om de gebreken te herstellen. Het Ministerie heeft dat gedaan en heeft het verzoek van EC vervolgens afgewezen als niet-tijdig. Tegen die afwijzing stond een rechtsmiddel open, waarvan EC geen gebruik heeft gemaakt zodat het besluit van het Ministerie formele rechtskracht heeft gekregen. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 3 november 2011 (zie 2.12) om dezelfde redenen, namelijk dat het besluit van het Constitutionele Hof geen terugwerkende kracht had en dat het besluit van het Ministerie formele rechtskracht heeft, geoordeeld dat de (voor EC gunstige) beslissingen in de eerste twee instanties geen stand konden houden. De rechtbank kan deze redenering van het Hof van Cassatie goed volgen en acht deze anders dan EC niet onbegrijpelijk. Er worden geen in de Nederlandse rechtsorde geldende fundamentele waarden of beginselen geschonden als deze beslissing en de daarop volgende beslissingen van de Handelsrechtbank en het Economisch Hof van Beroep worden erkend. Dat kan tegen de hiervoor weergegeven achtergrond in elk geval niet worden geconcludeerd op grond van het enkele feit dat het Constitutionele Hof in 2004 heeft geoordeeld dat artikel 37 van de Verordening in strijd was met de Grondwet. Daarbij komt dat ADRPP ter comparitie onbetwist heeft gesteld dat het voormalige artikel 37 van de Verordening op dit moment in de Servische wet is opgenomen, en aldus het door het Constitutionele Hof geconstateerde gebrek (te weten dat de veilingvoorwaarden niet bij een verordening, maar bij wet moesten worden geregeld) is verholpen.

4.27.

Op de comparitie heeft EC nog aangevoerd dat artikel 37 van de Verordening ook in strijd is met internationale bepalingen. EC wordt niet toegelaten tot het door haar aangeboden bewijs op dit punt, reeds omdat zij haar standpunt op geen enkele wijze heeft toegelicht, door bijvoorbeeld een bepaling te noemen waarmee het artikel in strijd zou zijn.

Ad (iv) de buitenlandse beslissing is niet onverenigbaar met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.

4.28.

EC heeft zich – zo begrijpt de rechtbank de stellingen van EC in de conclusie van antwoord – op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de vierde voorwaarde van het Gazprombankarrest, omdat het vonnis van het Hof van Cassatie van 3 november 2011 in strijd zou zijn met de eerdere beslissing van het Constitutionele Hof van 6 mei 2004.

4.29.

Dit standpunt wordt verworpen. Zoals vermeld, is de beslissing van het Consitutionele Hof van 6 mei 2004 gegeven in een zaak waarbij partijen niet betrokken waren, zodat reeds hierom onverenigbaarheid als hier bedoeld niet aan de orde is. Ook overigens is geen sprake van onverenigbaarheid van deze twee uitspraken. Het Hof van Cassatie heeft met inachtneming van de beslissing van het Constitutionele Hof over artikel 37 van de Verordening geoordeeld dat deze er niet aan in de weg staat dat ADRPP de bankgarantie mocht innen, om de redenen die hiervoor in 4.26 zijn besproken.

Erkenning en tenuitvoerlegging

4.30.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat is voldaan aan alle daaraan te stellen voorwaarden voor erkenning van de Servische vonnissen. ADRPP heeft onweersproken gesteld dat alle uitspraken waarvan zij tenuitvoerlegging in Nederland vordert, in Servië onherroepelijk zijn geworden en – in formele zin – uitvoerbaar zijn. Dit brengt met zich dat de rechtbank de gebondenheid van partijen aan die beslissingen tot uitgangspunt dient te nemen, en de vordering van ADRPP in beginsel toewijsbaar is. Dat betekent dat de vorderingen tot betaling van de hoofdsom, de proceskosten en de rente waartoe EC in de Servische vonnissen is veroordeeld toewijsbaar zijn. Indien ADRPP overeenkomstig artikel 6:123 lid 2 BW het vonnis wil executeren in Nederlands geld, dient dat overeenkomstig artikel 6:124 BW – zoals hierna in de beslissing vermeld – te geschieden door omrekening van Servische dinars in euro’s naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt.

Proceskosten, nakosten en daarover gevorderde rente

4.31.

EC zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten worden aan de zijde van ADRPP begroot op:

- dagvaarding € 81,00

- griffierecht 3.946,00

- salaris advocaat 6.198,00 (2 punten × tarief € 3.099)

Totaal € 10.225,00

4.32.

De gevorderde wettelijke rente is als niet bestreden toewijsbaar. De gevorderde nakosten en de daarover gevorderde wettelijke rente zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt EC tot betaling aan ADRPP van RSD 51.955.756,70 (éénenvijftig miljoen negenhonderdvijfenvijftigduizend zevenhonderdzesenvijftig Servische dinars en zeventig para), te vermeerderen met de binnenlandse rente van Servië over een bedrag van RSD 48.141.256,70 vanaf 9 november 2012 tot aan de dag van betaling, waarbij omrekening dient plaats te vinden naar de koers van de dag waarop betaling plaatsvindt;

5.2.

veroordeelt EC in de proceskosten aan de zijde van ADRPP, tot aan dit vonnis begroot op € 10.225,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van betaling;

5.3.

veroordeelt EC, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door ADRPP volledig aan dit vonnis voldoet, in de voor ADRPP na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, en te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van betaling;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen, mr. J.W. Bockwinkel en mr. M. Timmerman en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2019.1

1 type: MT