Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1739

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
C/13/659349 / KG ZA 18-1376
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geen inbreuk auteursrechten website ‘gestitchte’ schilderijen Jeroen Bosch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/659349 / KG ZA 18-1376 MvW/MB

Vonnis in kort geding van 7 maart 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [wooonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 12 februari 2019,

advocaat mr. G.J. Bos te Amsterdam,

tegen

de stichting

BOSCH RESEARCH AND CONSERVATION PROJECT,

gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. N.A.D. Plasmans-Noesen te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en BRCP worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 20 februari 2019 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. BRCP heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat ter zitting zijn partijen gedurende een week in de gelegenheid gesteld een minnelijke regeling te beproeven. Bij e-mail van 27 februari 2019 heeft de raadsvrouw van BRCP meegedeeld dat dit niet is gelukt en namens beide partijen vonnis gevraagd. Vonnis is bepaald op heden.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van [eiser] : [eiser] , [naam 1] en mr. Bos;

aan de zijde van BRCP: [naam 2] ( [functie] ), [naam 3] ( [functie] ) [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] ( [functie] van de moedermaatschappij van BRCP), mr. Plasmans-Noesen en haar kantoorgenoot

mr. L.T. de Groot.

Verder waren aanwezig [naam 7] , bemiddelaar, en [naam 8] , tolk in de Engelse taal ten behoeve van [eiser] .

2 De feiten

2.1.

BRCP is opgericht in 2010, met als doel de verdieping van de kennis van het werk van Jheronimus Bosch door middel van nieuw internationaal wetenschappelijk onderzoek, waarbij de nadruk ligt op objectonderzoek met moderne technische hulpmiddelen. Het onderzoek zou onder meer dienen als wetenschappelijke onderbouwing en ter voorbereiding van de in 2016 ter gelegenheid van het vijfhonderdste sterfjaar van Bosch in Het Noordbrabants Museum georganiseerde tentoonstelling “Jheronimus Bosch - Visioenen van een genie”. Het onderzoek en de daaruit voortvloeiende activiteiten en producten worden hierna ook ‘het project’ genoemd.

2.2.

Vanaf 2010 heeft een door BRCP samengesteld team onderzoek gedaan naar het werk en de werkwijze van Jheronimus Bosch. Het onderzoeksteam bestond uit [naam 4] en [naam 5] (beiden kunsthistorici), [naam 9] ((technisch) kunsthistoricus), [naam 10] (fotograaf) en [naam 11] (restaurator).

2.3.

Bij akte van 20 januari 2012 heeft [naam 10] zijn auteursrechten op zijn foto’s van (delen van) werken van Bosch overgedragen aan BRCP.

2.4.

Op enig moment is [eiser] bij het project betrokken geraakt. [eiser] , kunstwetenschapper en informaticus, had kennis van en ervaring met zogenoemde stitching en registration technieken. Stitching houdt in dat van een schilderij honderden overlappende foto’s worden gemaakt die elk slechts een klein deel van het schilderij beslaan en die vervolgens digitaal aan elkaar worden gehecht tot één naadloos geheel. Door middel van stitching wordt de indruk gewekt dat het schilderij in zeer hoge resolutie in één opname is gefotografeerd. Registration houdt in dat de gestitchte foto’s in verschillende soorten licht (infrarood, röntgen) perfect over elkaar heen kunnen worden gelegd, waardoor de foto’s en daarmee de verschillende lagen van het schilderij goed met elkaar kunnen worden vergeleken. Door middel van de zogenaamde curtain viewer (een door [eiser] ontwikkelde digitale techniek) kunnen de verschillende soorten over elkaar gelegde foto’s als een ‘gordijn’ worden weggetrokken, waardoor de verschillende lagen van het schilderij zichtbaar worden.

2.5.

[eiser] heeft op 16 mei 2013 de domeinnaam [domeinnaam] geregistreerd. Als registrerende organisatie had hij daarbij BRCP vermeld.

2.6.

In het kader van het project zou ook een Publieke Website tot standkomen. Op deze website zouden de schilderijen van Bosch door het publiek kunnen worden bekeken met gebruikmaking van de moderne digitale technieken. The Getty Foundation heeft op 28 oktober 2013 aan Het Noordbrabants Museum een subsidie van € 175.000,00 verstrekt voor de ontwikkeling van een dergelijke website. Op 5 november 2013 heeft BRCP de verplichtingen op grond van die subsidie overgenomen.

2.7.

Aanvankelijk was het plan dat een externe partij de Publieke Website zou maken, maar uiteindelijk zijn partijen mondeling in de loop van 2014 overeengekomen dat [eiser] dat zou gaan doen.

2.8.

Op 28 oktober 2014 hebben partijen een overeenkomst ondertekend (de ‘Nijmegen-overeenkomst’). Op grond daarvan zou [eiser] onderzoek verrichten op het gebied van “visualizing art-history.” BRCP zou in totaal € 90.000,- aan [eiser] betalen voor zijn werkzaamheden.

2.9.

Partijen hebben een conflict gekregen over de ontwikkeling van de website en de aanwending van de subsidie van The Getty Foundation.

In een e-mail van [eiser] aan [naam 9] van 11 maart 2016 staat onder meer het volgende:

I agreed to take on the responsibility and massive additional time commitment as the main designer and developer of the site (…)

If you consider the current [domeinnaam] site, which is already the result of thousands of hours of my work and the work of others, to be “merely an embarrassment”, I will be happy to remove your name from it (…)

2.10.

Partijen hebben hun samenwerking beëindigd, zonder dat de Publieke Website was voltooid. De Publieke Website was niet gereed voor lancering ten tijde van de tentoonstelling “Jheronimus Bosch - Visioenen van een genie”. Wel zijn toen resultaten van het onderzoek gepresenteerd en een tweedelig wetenschappelijk naslagwerk.

2.11.

[eiser] heeft op 31 december 2016, zonder dat BRCP en/of de andere teamleden daarvan op de hoogte waren, de website www. [domeinnaam] openbaar gemaakt via de domeinnaam [domeinnaam] (hierna ook: website A, door hem zelf en in het hierna te noemen vonnis ‘de [eiser] -website’ genoemd). Daarop kunnen alle door het onderzoeksteam onderzochte werken worden bekeken met behulp van de hiervoor genoemde digitale technieken, losgelaten op de foto’s van [naam 10] van die werken. De vóór 31 december 2016 door [naam 4] aangeleverde teksten staan ook op deze website.

2.12.

Bij brief van 1 maart 2017 heeft de raadsvrouw van BRCP aan [eiser] meegedeeld dat BRCP en niet [eiser] de eigenaar is van de domeinnaam [domeinnaam] en dat de teamleden van BRCP mede-eigenaar zijn van intellectuele eigendomsrechten op de website. In deze brief, waarin BRCP voorstellen doet aan [eiser] om het conflict op te lossen staat onder meer:

You developed the “curtain viewer” technique and you improved the technique to stitch and to register the VIS, IRO, IRR and X-Ray images. If there are any copyrights related to these works, my client agrees that these copyrights are owned by you.”

2.13.

Op 25 mei 2017 heeft [eiser] de registratie van de domeinnaam [domeinnaam] gewijzigd, in die zin dat de naam van de Stichting daarin niet langer voorkomt.

2.14.

Bij akten van 29 september 2017 hebben [naam 4] , [naam 5] , [naam 9] en [naam 11] hun auteursrechten in het kader van het project overgedragen aan BRCP.

2.15.

BRCP heeft op 5 oktober 2017 een bodemprocedure tegen [eiser] aangespannen. Deze loopt nog.

2.16.

Partijen hebben vervolgens overleg gevoerd over aanpassing van website A, met name ten behoeve van de op 1 december 2018, eveneens in Het Noordbrabants Museum te openen tentoonstelling “Jheronimus Bosch en de Aanbidding der Koningen”. Partijen hebben daarover geen overeenstemming bereikt.

2.17.

Op 8 mei 2018 heeft BRCP [eiser] in kort geding gedagvaard en in conventie onder meer gevorderd [eiser] te bevelen eraan mee te werken dat de leden van het onderzoeksteam zelfstandig de databases en/of de website [domeinnaam] konden beheren, waaronder mede wordt begrepen de afgifte van de daartoe benodigde inloggegevens en om [eiser] te bevelen eraan mee te werken dat de domeinnaam [domeinnaam] uitsluitend op naam van de Stichting wordt gesteld.

In reconventie heeft [eiser] betaling van (de derde termijn voor zijn werkzaamheden van) € 30.000,- gevorderd. BRCP had alleen de eerste twee termijnen betaald.

2.18.

Bij vonnis van 12 september 2018 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in kort geding [eiser] in conventie veroordeeld om ten aanzien van de website en de databases BRCP desverlangd in staat te stellen de website op nader overeen te komen wijze te bewerken en aan te vullen. Daarnaast is [eiser] bevolen om ervoor te zorgen dat de domeinnaam [domeinnaam] uitsluitend op naam van BRCP werd gesteld en dat BRCP zonder enige restrictie over deze domeinnaam zou kunnen beschikken.

In reconventie is BRCP veroordeeld om € 30.000,- aan [eiser] te voldoen.

2.19.

Het vonnis van 12 september 2018, waarin BRCP wordt aangeduid met “de Stichting” bevat onder meer de volgende overwegingen:

5.1. (…) de Stichting [heeft] haar vorderingen mede expliciet gebaseerd op de stelling dat de [eiser] -website een gemeenschappelijk goed is, namelijk het resultaat van de scheppende werkzaamheden van de verschillende teamleden, en dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van dat gemeenschappelijke goed.

5.2. (…)

ook in de sommatiebrief ((...)“On the basis of this joint ownership …”) was het argument al in wezen genoemd. Overigens erkent ook [eiser] zelf in zijn

e-mail van 11 maart 2017 [bedoeld wordt 2016, vzr.] aan [naam 9] (zie 2.6: “my work and the work of others …”) met zoveel woorden dat die website het resultaat is van door hemzelf en anderen verrichte werkzaamheden. (…)

5.3.

Partijen zijn het erover eens dat zij (voornamelijk mondeling) afspraken hebben gemaakt die erop neerkomen dat zij zouden samenwerken in het kader van het onderzoek naar het werk en de werkwijze van Jheronimus Bosch. Gedurende enige tijd hebben partijen feitelijk uitvoering gegeven aan de gemaakte afspraken.

(…)

5.4.

De vordering is (…) toewijsbaar op de meer subsidiaire grondslag daarvan. De samenwerking tussen partijen is immers uitgemond in een intellectuele schepping die is aan te merken als een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 Burgerlijk Wetboek (BW) en verder. Alle teamleden hebben een aandeel gehad in het verrichte werk, ieder vanuit zijn eigen expertise.

[eiser] stapte in een gereedstaand project: de keuze voor de te onderzoeken werken was al gemaakt, er lag al een onderzoeksplan, de wetenschappelijke context is door zijn teamgenoten geschapen. Binnen het al bestaande onderzoekteam heeft hij een eigen rol gekregen. Dat die rol gaandeweg groter is geworden dan aanvankelijk bedoeld doordat aan zijn taak het maken van de Publieke Website is toegevoegd, neemt niet weg dat alle teamleden gezamenlijk hebben bijgedragen aan de gemeenschappelijke schepping (de tentoonstelling, de analoge naslagwerken en de [eiser] -website). Zij zijn dus gezamenlijk rechthebbenden op die gemeenschappelijke schepping, ook indien wordt aangenomen dat sprake is van een onevenredig grote inbreng door [eiser] , zoals hij stelt. (…)

5.5.

Partijen dienen hun verdere handelen af te stemmen op het voormelde uitgangspunt. Dat betekent dat [eiser] , met respectering van zijn legitieme belangen (…), alsnog moet meewerken aan doorontwikkeling van de [eiser] -website tot de Publieke Website die partijen voor ogen heeft gestaan. (…) Deelgenoten in een gemeenschap zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. In redelijkheid kan [eiser] zich niet verzetten tegen aanvulling van de website met meer recente onderzoeksgegevens, gelet op het doel met het oog waarop de onderhavige gemeenschap is ontstaan.

5.6.

De verplichting van [eiser] strekt niet zo ver dat hij kan worden gehouden tot afgifte van de inloggegevens van de [eiser] -website aan de Stichting. [eiser] wil die gegevens niet aan de Stichting verstrekken omdat de Stichting met die inloggegevens ook kennis zou kunnen nemen van de broncodes van de website en die broncodes vervolgens zou kunnen gebruiken. Dat is bezwaarlijk omdat de Stichting dan toegang heeft tot broncodes van de door hem gebruikte software die ten dele door hem is ingekocht en ten dele door hem zelf is ontwikkeld. Aldus zou inbreuk worden gemaakt op de auteursrechten van derden en van [eiser] zelf op die software. De Stichting heeft daartegen onvoldoende ingebracht.

5.7.

[eiser] zal de Stichting desverlangd wél in staat moeten stellen de website op nader door partijen overeen te komen wijze te bewerken en aan te vullen, zulks met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de deelgenoten beheersen (zie artikel 3:166 lid 3 BW). Partijen zullen daarover met elkaar in gesprek moeten treden.

2.20.

Ook na het vonnis van 12 september 2018 hebben partijen geen overeenstemming bereikt over (een nadere invulling van) website A.

BRCP heeft de derde termijn van € 30.000,- aan [eiser] betaald.

2.21.

Op 29 november 2018, dus vlak voor de aanvang van de nieuwe tentoonstelling, heeft BRCP een website gelanceerd www.jheronimusbosch.org (hierna ook: website B). Met website B wordt voortgeborduurd op website A. Op website B is onder meer vermeld:

De afzonderlijke macro-opnamen worden gestitched, geregistreerd en toegankelijk gemaakt middels een set interactieve online viewers die voor het BRCP is ontwikkeld door [eiser] . Op [domeinnaam] kan de fotografische documentatie van fase 1 worden gevonden.”

2.22.

In een e-mail van 30 november 2018 heeft de advocaat van [eiser] BRCP gesommeerd het gebruik van de werken van [eiser] op website B te staken en gestaakt te houden, op grond van diens auteursrechten.

2.23.

Bij brief van 3 december 2018 heeft (de advocaat van) BRCP aan (de advocaat van) [eiser] meegedeeld niet aan de sommatie te zullen voldoen, aangezien BRCP meent geen rechten van [eiser] te schenden.

2.24.

De tentoonstelling “Jheronimus Bosch en de Aanbidding der Koningen” duurt nog tot en met 10 maart 2019.

2.25.

Op 3 april 2019 zal een comparitie van partijen plaatsvinden in de bodemprocedure.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, BRCP te bevelen, binnen 24 uur na de betekening van het te wijzen vonnis te staken en gestaakt te houden:

A. primair: de schending van de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van [eiser] betreffende de (bron)code van de curtain viewer en/of de gebruikersinterface van de curtain viewer en/of de door [eiser] aan elkaar gestichte beelden;

B. subsidiair het slaafs nabootsen van deze werken van [eiser] ;

C. meer subsidiair het handelen jegens [eiser] in strijd met de redelijkheid en billijkheid;

in ieder geval door het stoppen met de openbaarmaking en verveelvoudiging op website B, of op enige andere website of anderszins van deze werken.

Daarnaast vordert [eiser] :

D. BRCP te bevelen, binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis, te staken en gestaakt te houden iedere openbaarmaking of verveelvoudiging van de in het lichaam van de dagvaarding omschreven onjuiste mededelingen, waaronder maar niet beperkt tot enige mededeling op de BRCP Website of op enig andere website of via enige andere URL;

E. tot en met G.: BRCP te veroordelen tot het binnen 24 uur na betekening van het te wijze vonnis plaatsen van de in het petitum van de dagvaarding nader omschreven rectificaties;

H. BRCP te veroordelen tot betaling van in het petitum nader omschreven dwangsommen in het geval zij de veroordelingen op grond van A tot en met D niet nakomt;

I. BRCP te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 25.000, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, als voorschot op de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het handelen van BRCP;

J. BRCP op grond van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te veroordelen in de volledige proceskosten, waarbij het salaris advocaat voorlopig is begroot op € 16.628,27, zoals nader gespecificeerd in productie 17 van [eiser] , te verhogen met de wettelijke rente bij niet tijdige betaling; althans in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en (in beide gevallen) in de nakosten.

Tot slot vordert [eiser] om de termijn waarbinnen [eiser] de eis in de hoofdzaak dient in te stellen tegen BRCP als bedoeld in artikel 1019i Rv te bepalen op 6 (zes) maanden na de vonnisdatum.

3.2.

BRCP voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding moet worden beoordeeld of BRCP onjuist heeft gehandeld door op 29 november 2018 website B te lanceren en deze website niet te verwijderen.

4.2.

Voorop staat dat website A niet los kan worden gezien van de samenwerking van partijen in het kader van het project. Ook als [eiser] moet worden gezien als de hoofdontwerper van website A, is voldoende aannemelijk dat website A een product is van gezamenlijke inspanningen van [eiser] en de andere leden van het team. Onder meer staat vast dat voor website A gehanteerde oorspronkelijke foto’s en teksten gemaakt zijn door andere teamleden dan [eiser] . Verder is voldoende aannemelijk dat het tot stand komen van website A deel uitmaakte van het project, waarmee BRCP al in 2010 was begonnen en eindverantwoordelijk was. De registratie van de domeinnaam [domeinnaam] door [eiser] op naam van BRCP duidt daar onmiskenbaar op. BRCP moet dan ook, zoals ook in het eerdere kort geding is aangenomen, worden gezien als de rechthebbende op deze domeinnaam.

4.3.

Vooralsnog wordt dan ook, eveneens overeenkomstig het kortgedingvonnis van 12 september 2018, aangenomen dat website A een gemeenschappelijk goed is, namelijk het resultaat van de scheppende werkzaamheden van de verschillende teamleden, en dat iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik daarvan. Anders dan [eiser] betoogt moet (ook) BRCP als deelgenoot in de gemeenschap worden aangemerkt, omdat zij partij was in Nijmegen-overeenkomst – waarvan het creëren van een website mogelijk niet rechtstreeks deel uitmaakte, maar daar wel mee samenhing – en als degene aan wie alle teamleden behalve [eiser] hun auteursrechten hebben overgedragen.

4.4.

Verder geldt tot uitgangspunt dat deelgenoten in een gemeenschap verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (zie artikel 3:166 lid 3, jo. artikel 6:2 BW).

4.5.

De samenwerking tussen partijen, waarvan de ontwikkeling van een publiek toegankelijke website dus een onlosmakelijk onderdeel vormde, is uiteindelijk stuk gelopen. Over het antwoord op de vraag wat of wie daarvan de oorzaak is geweest zijn partijen verdeeld. Deze vraag is geen onderwerp van dit kort geding en vooralsnog kan niet een van partijen als schuldige worden aangewezen. Vast staat wel dat [eiser] zonder overleg met, laat staan instemming van BRCP, website A voor het publiek toegankelijk heeft gemaakt en dat partijen het niet eens zijn geworden over een verdere exploitatie van website A. Verder staat buiten kijf dat BRCP groot belang had bij aanpassing van die website, mede met het oog op de huidige tentoonstelling (zie ook het vonnis van 12 september 2018 onder 5.5). De redelijkheid en billijkheid brengen in de gegeven omstandigheden, en bij gebreke aan duidelijke schriftelijke afspraken daaromtrent, mee dat BRCP daarbij ook gebruik moest kunnen maken van de in onderlinge samenwerking tot eind 2016 reeds tot stand gekomen inhoud van de website, ook als deze het resultaat was van de inspanningen van [eiser] . Aannemelijk is dat de vergoeding die [eiser] in de jaren 2014 tot en met 2016 heeft ontvangen deels ziet op deze werkzaamheden. [eiser] heeft immers niet weersproken dat zijn werkzaamheden in het kader van zijn leerstoel vooral bestonden uit (onderzoeks)werkzaamheden ten behoeve van het project.

4.6.

Over de vraag of website A auteursrechtelijk beschermde werken van [eiser] bevat, zijn partijen verdeeld. Wat de ‘curtain viewer’, door [eiser] zelf een ‘uitvinding’ genoemd en het stitchen en registreren betreft, kan vooralsnog worden aangenomen dat het veeleer gaat om een werkwijze – het hanteren van bepaalde technieken, mogelijk door middel van via open source beschikbare software – dan om auteursrechtelijk beschermde werken. Bovendien is aannemelijk dat de eerdere samenwerking in het project en het bestaan van de gemeenschap het gebruik door BRCP daarvan – al dan niet tegen een nadere vergoeding – impliceerde. Dit is wellicht anders ten aanzien van de beelden die [eiser] heeft gesticht, de codes en de gebruikersinterface. Van de beelden kan echter niet zonder meer worden aangenomen dat [eiser] daarop als enige auteursrechten heeft, aangezien aan deze beelden foto’s van [naam 10] ten grondslag liggen. Dat deze foto’s niet als een ‘werk’ in de zin van het auteursrecht zouden kunnen worden aangemerkt, zoals [eiser] heeft gesteld, kan niet zonder meer als vaststaand worden aangenomen. Mogelijk is ook ten aanzien van die beelden, maar ook de codes en de gebruikersinterface, sprake van een gemeenschappelijk (auteurs-)recht.

4.7.

Hoe dan ook echter, tegen de achtergrond van het onder 4.2 en 4.3 overwogene brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden mee dat het BRCP niet kan worden verboden om ten behoeve van website B de onder de voormalige samenwerking tot stand gekomen onderdelen van website A, ook als deze werken bevat waarvan [eiser] als de maker moet worden aangemerkt en zelfs als deze (deels) auteursrechtelijk beschermd zijn, te kunnen gebruiken. Daarbij wordt meegewogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat BRCP noodgedwongen website B in de lucht heeft moeten brengen aan de vooravond van de tentoonstelling “Jheronimus Bosch en de Aanbidding der Koningen”, omdat op 29 november 2018 nog geen overeenstemming tussen partijen was bereikt over (de aanpassing van) website A. Slaafse nabootsing is gezien het voorgaande niet aan de orde. Dat het ontbreken van overeenstemming met name te wijten zou zijn aan een onredelijke opstelling van BRCP heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt. Ook de stelling van [eiser] dat zijn persoonlijkheidsrechten in het geding zijn, staat een gebruik van BRCP van website B niet in de weg. BRCP heeft de naam van [eiser] vermeld en verwezen naar website A. Dat website B verminkte [eiser] beelden zou bevatten en/of anderszins afbreuk zou doen aan diens reputatie, is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden.

4.8.

Daarbij komt dat BRCP er groot belang bij heeft dat website B minimaal tot en met 10 maart 2019 (de einddatum van de huidige tentoonstelling) voor het publiek beschikbaar blijft en dat op afzienbare termijn de comparitie tussen partijen in de bodemprocedure zal plaatsvinden. De belangen van [eiser] bij de gevraagde bevelen onder A tot en met D wegen in dit verband niet op tegen de belangen van BRCP bij het voorlopig onverkort beschikbaar blijven van website B.

4.9.

Dat BRCP op enige andere wijze dan door middel van het gebruik van website B inbreuk zou maken op de rechten van [eiser] is gesteld noch gebleken.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen onder A tot en met D zullen worden afgewezen.

4.10.

De gevorderde rectificatie onder E is gebaseerd op de stelling dat BRCP inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van [eiser] . Nu uit het voorgaande voortvloeit dat het gebruik van de ‘werken’ van [eiser] vooralsnog is toegestaan, en van inbreuk dus geen sprake is, wordt ook deze vordering afgewezen.

4.11.

[eiser] heeft ook gevorderd dat de mededelingen op website B, inhoudend dat de image processing is gedaan door de heer [naam 12] en dat de Getty Foundation de ontwikkeling van de web-applicatie die gevonden kan worden op website A heeft ondersteund, worden gerectificeerd, omdat deze onjuist zouden zijn. BRCP heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 12] betrokken was bij de image processing, na de beëindiging door [eiser] van zijn werkzaamheden en dat de Getty Foundation daadwerkelijk subsidie heeft verleend ten behoeve van de totstandkoming van een website. Voor een rectificatie bestaat daarom geen grond. Dat BRCP de besteding van de subsidie niet nader heeft gespecificeerd aan [eiser] en dat de bedragen wellicht niet aan hem ten goede zijn gekomen – wat daarvan ook zij – legt in dit verband geen gewicht in de schaal.

4.12.

Voor veroordeling van BRCP tot betaling van een voorschot op door [eiser] te lijden en/of geleden schade is evenmin aanleiding, aangezien enige inbreuk op zijn rechten of onrechtmatig handelen jegens hem, zoals uit het hiervoor overwogene volgt, voorshands onvoldoende aannemelijk is.

4.13.

De conclusie luidt dat de gevraagde voorzieningen worden geweigerd, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding. Ten aanzien van de hoogte van die kosten wordt geoordeeld dat deze zaak voor de helft betrekking heeft op handhaving van intellectuele eigendomsrechten en voor de helft op al dan niet onrechtmatig handelen, mede in het kader van de afwikkeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap. Het salaris advocaat wordt daarom gesteld op € 7.500,- +

€ 490,- (50% van de indicatietarieven IE en 50% van het forfaitaire tarief) =

€ 7.990,-.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van BRCP begroot op:

– € 1.992,- € 1.992,- aan griffierecht en

– € 1.992,- € 7.990,-, aan salaris advocaat.

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,- voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2019.1

1 type: MB coll: JE