Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1661

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
19-03-2019
Zaaknummer
13/654186-18 + 13/741139-17 TUL)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herkenningen. Nu verdachte geen verklaring heeft willen geven voor zijn aanwezigheid in de flat die ochtend, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat verdachte betrokken is geweest bij de woninginbraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/654186-18 + 13/741139-17 (TUL)

Datum uitspraak: 6 maart 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] , gedetineerd in het Huis van Bewaring [locatie te plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Lobregt, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.G.D. Rutten, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 27 oktober 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen op/aan het [adres 2] ) heeft/hebben weggenomen 3 paar schoenen en/of een Rolex horloge en/of een blauwe jas en/of een riem en/of een tas (merk Tip de Bruin) en/of 10000 Zweedse kronen en/of 10000 Deense kronen en/of 10000 euro en/of 5 horloges en/of een aantal munten en/of een aantal armbanden en/of kettingen en/of ringen, geheel of ten dele toebehorend aan [persoon 1] en/of [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die woning heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (te weten het forceren van een raam en/of het openbreken van een kluis en/of kasten).

(Artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Op 27 oktober 2018 is bij de flatwoning van aangever [persoon 1] op het [adres 2] te Amsterdam ingebroken. Aangever vermoedt dat de daders door het slaapkamerraam van zijn zoon zijn binnengekomen. In dat kozijn heeft hij namelijk moeten gezien. Zijn zoon verliet die dag als laatste, om 08:30 uur, de woning. Zijn dochter kwam een aantal uren later thuis en zag het raam open staan. Bij binnenkomst zag zij dat twee slaapkamers overhoop waren gehaald. Kasten waren vernield, lades waren opengetrokken en de kluisdeur was ontzet. Verschillende goederen, zoals dure sieraden, geld en een tas van de winkel Tip de Bruin, waren weggenomen.

Camerabeelden

Op camerabeelden is te zien dat twee mannen op 27 oktober 2018 om 8:08 uur Albert Heijn aan het [adres 2] binnengaan, om 09:12 uur zonder tas de centrale toegangshal van de flat inlopen en vervolgens om 09:27 uur met versnelde pas het portiek uitlopen. Eén van de twee mannen heeft dan opeens een donkergekleurde tas met witte belettering bij zich. Verdachte is door meerdere verbalisanten als één van de twee mannen op de camerabeelden herkend.

Tip de Bruin-tas

In de woning van verdachte is een zwarte tas met witte belettering van Tip de Bruin aangetroffen.

Herkenningen

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte één van de twee personen is die op de camerabeelden te zien is. De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen. Dit geldt te meer als deze herkenningen de belangrijkste bewijsmiddelen zijn die de betrokkenheid van een verdachte bij het hem ten laste gelegde kunnen aantonen.

In de eerste plaats heeft de rechtbank zich afgevraagd of de camerabeelden voldoende duidelijk en helder zijn om een herkenning op te kunnen baseren. Daarmee nauw in verband staat een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed degene die verdachte herkent de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte (visueel) kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Tevens zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan. Hoe meer dat er zijn, hoe hoger de bewijskracht.

De rechtbank stelt vast dat de stills die zich in het dossier bevinden van voldoende kwaliteit zijn om een herkenning op te baseren. Zeven verbalisanten hebben hem onafhankelijk van elkaar herkend op die beelden. De verbalisanten verklaren allen verdachte ambtshalve te kennen:

  • -

    Verbalisant [verbalisant 1] kent verdachte goed omdat hij hem regelmatig tegenkomt op straat,

  • -

    verbalisant [verbalisant 2] heeft regelmatig persoonlijk contact met verdachte gehad,

  • -

    verbalisant [verbalisant 3] heeft meermalen contact gehad met verdachte en hem in augustus 2017 gecontroleerd,

  • -

    verbalisant [verbalisant 4] heeft verdachte meerdere keren staande gehouden of aangehouden,

  • -

    verbalisant [verbalisant 5] is verdachte meermalen tegengekomen en heeft hem staandegehouden,

  • -

    verbalisant [verbalisant 6] kent verdachte al jaren, kwam verdachte in het verleden vaak op straat tegen in Amsterdam Noord en ongeveer twee weken voor de herkenning nog op het centraal station,

  • -

    verbalisant [verbalisant 7] kent verdachte omdat hij hem (de rechtbank begrijpt: zijn foto) meermalen is tegengekomen op briefings.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de herkenningen onbetrouwbaar kunnen maken. De rechtbank merkt daarom verdachte aan als één van de twee mannen die op 27 oktober 2018 de hal van de flat waar aangever woont heeft betreden.

Conclusie

Nu verdachte geen verklaring heeft willen geven voor zijn aanwezigheid in de flat die ochtend, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat verdachte betrokken is geweest bij de woninginbraak.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte op 27 oktober 2018 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan het [adres 2] hebben weggenomen 3 paar schoenen, een Rolex horloge, een blauwe jas, een riem, een tas (merk Tip de Bruin), 10000 Zweedse kronen, 10000 Deense kronen, 8.090 euro, 5 horloges, een aantal munten, armbanden, kettingen en ringen, toebehorend aan [persoon 1] en [persoon 2] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader zich de toegang tot die woning hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en verbreking, te weten het forceren van een raam en het openbreken van een kluis en kasten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak in vereniging. Woninginbraken veroorzaken materiële schade en hinder aan de benadeelden. In dit geval is er voor een zeer grote waarde aan goederen gestolen. Er zijn juwelen weggenomen die als bruidsschat waren ingebracht en die daarnaast een zeer persoonlijke waarde vertegenwoordigen. De dochter die de inbraak heeft ontdekt is daar erg van geschrokken. Bovendien brengt dit soort feiten in het algemeen gevoelens van onbehagen en onveiligheid in de samenleving teweeg. Verdachte heeft er door zijn handelen blijk van gegeven zich niet te bekommeren om deze belangen van anderen en heeft zich enkel laten leiden door financieel gewin.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 25 januari 2019 liep verdachte ten tijde van het plegen van het feit in een proeftijd wegens een veroordeling voor een bedrijfsinbraak en is verdachte eerder voor woning/bedrijfsinbraken veroordeeld. Die eerdere veroordelingen en proeftijd hebben hem er blijkbaar niet van weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Toch komt de rechtbank tot een lagere straf dan de officier van justitie. Zij betrekt bij het bepalen van de straf de oriëntatiepunten van Nederlandse strafrechters. Deze oriëntatiepunten dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij een woninginbraak is in geval van recidive een gevangenisstraf van vijf maanden het uitgangspunt. De rechtbank zoekt aansluiting bij dit oriëntatiepunt en zal een gevangenisstraf van vijf maanden met aftrek van voorarrest opleggen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 15.051,- aan materiële schadevergoeding en € 1.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft verzocht om € 2.000,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft – vanwege de door hem bepleitte vrijspraak – verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Verzekeraar Unigarant/ANWB heeft de schade als volgt vastgesteld: € 10.398 (contanten), €12.803 (sieraden), €4.664 (kleding), €464,50 (kluis en kast) en € 275 (overige inboedel). In de polis zijn maximeringen opgenomen. Voor de contanten is daarom slechts € 750 en voor de sieraden slechts € 7.500 uitgekeerd. Bij de schadevaststelling is uitgegaan van de nieuwwaarde en de herstelkosten.

De rechtbank zal het bedrag aan contanten dat niet door de ANWB is uitgekeerd, te weten € 9.648, toewijzen. Voor het niet-uitgekeerde deel van de sieraden ligt dat anders, nu de rechtbank, in tegenstelling tot de verzekeraar, alleen de reële waarde van goederen toekent. Zonder deskundig oordeel kan de rechtbank niet vaststellen of de huidige waarde van de sieraden hoger/lager ligt dan de reeds door de verzekeraar vergoede schade. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden.

De benadeelde partij zal in de vordering tot immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de zij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 9.648,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dat deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 9.648,- (negenduizendzeshonderdachtenveertig euro).

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling (TUL)

Bij de stukken bevindt zich de op 8 december 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/741139-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 26 juni 2017 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte onder andere is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 61 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 60 dagen niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft – vanwege de door hem bepleite vrijspraak – verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Oordeel van de rechtbank

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] , toe tot een bedrag van € 9.648,- (negenduizendzeshonderdachtenveertig euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 oktober 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 1] , te betalen de som van € 9.648 (negenduizendzeshonderdachtenveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 oktober 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 83 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

TUL

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 26 juni 2017, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en R.H.G. Odink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. van der Hooft, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2019.