Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1623

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
13/993027-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mensenhandel. Arbeidsuitbuiting in de komkommerkassen. Verdachte leende personeel in via het uitzendbureau van medeverdachte. Verdachte had (nog) geen oogmerk van uitbuiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993027-16 (Promis)

Datum uitspraak: 7 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 24 mei en 16 augustus 2016 en 23 en 24 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. van Ling en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S. Urcun naar voren hebben gebracht.

Het onderzoek 13Schalmei richt zich op de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] De verdachten worden verder in dit vonnis bij hun achternaam genoemd.

2 Tenlastelegging

Aan [verdachte] is na wijziging op de zitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van

mensenhandel door middel van arbeidsuitbuiting ten aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in de periode van 1 januari 2016 tot en met 2 maart 2016 in Almere, in elk geval in Nederland.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen zinsnede ‘een ander(en), te weten onder meer’ onvoldoende duidelijk is wie wordt bedoeld met ‘onder meer’. Er kan niet van [verdachte] worden verwacht dat hij zich ten aanzien van de betreffende zinssnede op adequate wijze verdedigt. Dit brengt mee dat de dagvaarding ten aanzien van dit onderdeel niet voldoet aan de eisen die gesteld zijn door artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), en partieel nietig zal worden verklaard.

3.2.

Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie ontvankelijk is in de vordering en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

Het onderzoek ‘13Schalmei’ is gestart naar aanleiding van een melding op 1 maart 2016 dat de komst van de politie noodzakelijk zou zijn in een woning aan de [adres] . Vier Bulgaarse mensen stonden op straat, die verklaarden uit de woning aan de [adres] te zijn gezet. In de woning werden 19 personen aangetroffen, die allemaal een Bulgaars identiteitsbewijs toonden. Door de gehele woning lagen matrassen op de grond en soms was voor wat privacy een afscheiding tussen die matrassen gecreëerd met doeken.

Eén van de personen in de woning, [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), verklaarde dat de mensen in de woning mochten verblijven omdat zij allemaal werkzaam waren in de nabijgelegen komkommerkassen. Alle mensen waren volgens [slachtoffer 1] door [medeverdachte 1] vanuit Bulgarije naar Nederland gehaald om te komen werken. [medeverdachte 1] was een soort voorman voor anderen. Niemand had nog betaald gekregen voor het werk in de kassen. Het enige wat zij hadden gekregen waren voorschotten om eten te kopen. [medeverdachte 1] verklaarde dat de mensen eigenlijk niet mochten werken, omdat er nog geen arbeidscontracten en sofinummers geregeld waren.

Uiteindelijk hebben [slachtoffer 1] en drie andere personen uit de woning aangifte gedaan van arbeidsuitbuiting: [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), zijn vrouw [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) en hun zoon [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ).

5 Standpunten van procespartijen

5.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft, aan de hand van haar op schrift gestelde requisitoir, daartoe de relevante bewijsmiddelen opgesomd.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aan de hand van zijn pleitnota betoogd dat [verdachte] van de hem ten laste gelegde mensenhandel dient te worden vrijgesproken, omdat de betrokkenheid van [verdachte] niet naar voren komt uit de stukken in het dossier.

[verdachte] heeft de Bulgaarse arbeiders alleen ingeleend via het uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V. Voor [verdachte] was er geen enkele reden om te twijfelen aan de deugdzaamheid van het uitzendbureau, omdat hij al ervaring had met het inhuren van personeel via het eerdere uitzendbureau van [medeverdachte 2] , [bedrijf 1] B.V. Het uitzendbureau is de verantwoordelijke voor het uitbetalen van het loon aan het personeel. Wat het uitzendbureau zelf met de Bulgaarse arbeiders had afgesproken, staat los van [verdachte] . [verdachte] heeft op geen enkele wijze geprofiteerd van de situatie waarin de Bulgaarse arbeiders door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] terecht waren gekomen.

[verdachte] heeft aan de betreffende werknemers uitgelegd hoe zij het werk moesten uitvoeren. Geen van de Bulgaarse arbeiders spreekt over bedreigingen of geweld van de kant van [verdachte] . Het stond de arbeiders vrij om te gaan en staan waar zij wilden. De werkomstandigheden in de kas waren niet slecht. [verdachte] heeft nooit enig oogmerk gehad op de uitbuiting van de Bulgaarse arbeiders en hij had geen idee van de situatie waarin zij zich bevonden. Geen van de arbeiders heeft hierover gesproken met [verdachte] noch hem daarop aangesproken. Zodra de arbeiders het terrein van het bedrijf van van [verdachte] verlieten, stopte de verantwoordelijkheid van [verdachte] voor hen.

Gezien de korte periode die na het moment van ondertekening van het huurcontract van de woning aan de [adres] is verstreken, was [verdachte] nog niet in de woning geweest ter controle van de gemaakte afspraken. Hij heeft dan ook geen enkele wetenschap gehad van erbarmelijke leefomstandigheden waarin de mensen zich kennelijk bevonden. Er was afgesproken dat er maximaal acht personen in de woning zouden verblijven. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] zelf geldbedragen op het loon van de arbeiders heeft ingehouden voor die huisvesting.

[verdachte] heeft zijn taak als werkgever naar behoren uitgevoerd. [verdachte] had geen bemoeienis met wat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met elkaar hadden afgesproken omtrent de arbeiders, en hij heeft daar ook geen wetenschap van gehad. Er zijn geen aanknopingspunten dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] enerzijds en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] anderzijds.

6 Het oordeel van de rechtbank

6.1.

Juridisch kader

6.1.1.

Artikel 273f Sr algemeen

Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Dit wetsartikel staat in titel XVIII die ziet op de ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. De strafbaarstelling is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting daarvan. Bij mensenhandel dient uit te worden gegaan van de intentie van de dader, niet van de motieven van het slachtoffer.

In de onderhavige zaak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het handelen van [verdachte] onder de specifieke omstandigheden van het geval kan worden beschouwd als mensenhandel, meer specifiek arbeidsuitbuiting, in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 1, 4 en 6 Sr.

6.1.2.

Artikel 273f Sr, eerste lid, sub 1 en sub 4

Artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr ziet op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander met toepassing van dwangmiddelen. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4.

Voornoemde subonderdelen bestaan uit de volgende drie elementen: a) handelingen, b) dwangmiddelen en c) (oogmerk van) uitbuiting.

a. Handelingen

De handelingen van sub 1 (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen, met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander) hebben elk een neutrale en feitelijke betekenis en kunnen worden begrepen aan de hand van dagelijks taalgebruik. Zij dienen ruim te worden uitgelegd.

Sub 4 ziet op handelingen waarbij iemand een ander dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid, dan wel enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid.

Dwangmiddelen

De dwangmiddelen die in sub 1 zijn genoemd zijn: dwang, (dreiging met) geweld of met een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie en het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over een ander heeft.

In sub 4 is opgenomen dat gebruik moet zijn gemaakt van de onder sub 1 genoemde dwangmiddelen, dan wel dat de handelingen moeten zijn verricht onder de onder sub 1 genoemde omstandigheden.

De inzet van een dwangmiddel dient kortgezegd ertoe te leiden dat iemand in een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schept belandt of dat iemand wordt belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.

Het onderscheid met betrekking tot de dwangmiddelen in sub 1 en sub 4 zit in het gegeven dat in sub 1 het dwangmiddel ziet op de handeling werven, vervoeren etc., terwijl in sub 4 het dwangmiddel direct is gekoppeld aan het zich beschikbaar stellen tot verrichten van arbeid.

(Oogmerk van) uitbuiting

Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, met dien verstande dat in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten’.

Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere factoren die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - in aanmerking kunnen/moeten worden genomen en die beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van tewerkstelling sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De in de Nederlandse samenleving daartoe geldende maatstaven vormen het referentiekader.1

Uitbuiting ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren. Bij het gebruik van (één van de) dwangmiddelen ontbreekt het bij het slachtoffer aan een vrije, reële keuzemogelijkheid.

De daadwerkelijke uitbuiting hoeft bij de beoordeling van artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr nog niet te hebben plaatsgevonden, voldoende is de (onmiskenbare) bedoeling van de dader. Het oogmerk van de dader dient te zijn gericht op de uitbuiting, voorwaardelijk opzet is niet voldoende.

De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.2 Niet is vereist dat diegene de uitbuitingssituatie zelf heeft gecreëerd. Daarbij geldt dat het ‘zich beschikbaar stellen’ voldoende is. Dit betekent dat er ook hier niet daadwerkelijk gewerkt hoeft te zijn om tot een voltooid delict te komen.

6.1.3.

Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr

Strafbaar op grond van artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, ter voorkoming dat “slechts” onachtzaam handelen onder het bereik van deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft bepaald dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander.3 De profijttrekker kan, maar hoeft niet, een ander te zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd. Het gebruik van een dwangmiddel is geen vereiste.

6.2.

Beoordeling

6.2.1.

Betrouwbaarheid verklaringen aangevers

De raadsman van [medeverdachte 1] heeft betoogd dat de verklaringen van de aangevers onbetrouwbaar zijn en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De overweging van de rechtbank met betrekking tot de betrouwbaarheid van deze verklaringen zijn relevant voor onderhavige zaak.

6.2.1.1. Toetsingskader

Uit de wettelijke bepalingen en de jurisprudentie met betrekking tot het bewijsrecht in strafzaken is geen algemeen, in alle strafzaken geldend, toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen af te leiden.

Wel kunnen uit de jurisprudentie criteria worden afgeleid die bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen van getuigen betrokken kunnen worden. In de eerste plaats komt belang toe aan de consistentie, gedetailleerdheid en volledigheid van de betreffende verklaringen. Daarnaast kan getoetst worden aan uit overige objectieve bronnen verkregen informatie of gegevens en kan meewegen of de inhoud van de afgelegde verklaringen gegeven de vastgestelde omstandigheden plausibel is. Ook kan daarbij worden betrokken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de (betrouwbaarheid van de) verklaring. Daarbij valt te denken aan de psychische belasting van de betrokkene, de mogelijke eigen rol of betrokkenheid bij het tenlastegelegde feitencomplex, de beïnvloedbaarheid of een belang dan wel motief - persoonlijk, financieel of anderszins - om niet overeenkomstig de waarheid dan wel een daardoor gekleurde voor de verdachte ont- of belastende verklaring af te leggen.

6.2.1.2. Oordeel van de rechtbank

Zoals in de inleiding beschreven werden na de melding op 1 maart 2016 vier Bulgaarse personen aangetroffen op straat in de [adres] , die verklaarden uit de woning aan [adres] te zijn gezet. Zij zouden daar met anderen verblijven die allemaal bij hetzelfde bedrijf in de buurt werkten.

In de woning heeft aangever [slachtoffer 1] een korte verklaring afgelegd. Volgens [slachtoffer 1] mochten de mensen in de woning verblijven omdat iedereen in de nabijgelegen kassen werkte. Al deze mensen waren door [medeverdachte 1] vanuit Bulgarije voor werk naar Nederland gehaald. Zij hadden [medeverdachte 1] voor de reis naar Nederland moeten betalen. Hij fungeerde als een soort voorman voor de andere werknemers. Hij hield iedereen én op het werk én in de woning in de gaten. Voor het werk in de kassen zou iedereen € 6,- netto per uur ontvangen, maar niemand had tot dusver betaald gekregen. Men ontving wel een voorschot om eten te kopen. Men moest maandelijks per persoon € 300,- betalen voor het verblijf in de woning. Dat bedrag zou worden ingehouden op het salaris. [slachtoffer 1] is vervolgens drie keer door de politie en één keer door de rechter-commissaris gehoord, waarbij hij nagenoeg gelijkluidende verklaringen heeft afgelegd.

Naast [slachtoffer 1] hebben uiteindelijk ook drie van de personen die op 1 maart 2016 op straat werden aangetroffen aangifte gedaan, alle leden van het gezin [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] , zijn vrouw [slachtoffer 3] en hun zoon [slachtoffer 4] zijn meerdere keren door de politie gehoord. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn ook door de rechter-commissaris als getuige gehoord.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de verklaringen van de aangevers op details niet geheel in overeenstemming zijn met elkaar en met eerdere door hen afgelegde verklaringen. Echter, het enkele feit dat getuigenverklaringen op punten inconsistenties en tegenstrijdigheden bevatten, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen.

Met betrekking tot de in de tenlastelegging opgenomen feitelijkheden verschillen de verklaringen van de aangevers in hoofdlijnen niet van elkaar. De aangevers in deze zaak hebben allen telkens verklaard dat:

  • -

    [medeverdachte 1] hen had geholpen aan werk in Nederland;

  • -

    [medeverdachte 1] de reis naar Nederland had georganiseerd;

  • -

    [medeverdachte 1] hen een netto uurloon van € 6,- had beloofd;

  • -

    zij geen salaris voor het door hen verrichte werk hadden ontvangen;

  • -

    zij alleen kleine voorschotten voor eten hadden ontvangen:

  • -

    zij niet de beloofde arbeidscontracten, sofinummers en bankpasjes hadden ontvangen;

  • -

    zij een woning moesten delen met een groot aantal andere werknemers en op matrassen op de grond sliepen en geen privacy hadden;

  • -

    zij werden geconfronteerd met door hen te betalen kosten waarover vooraf niets was afgesproken en die op hun salaris zouden worden ingehouden;

  • -

    door [medeverdachte 1] regelmatig werd gedreigd hen terug te sturen naar Bulgarije.

Daarbij komt dat de aangevers al een eerste verklaring bij de politie hadden afgelegd voordat aan het einde van het informatieve gesprek hen de zogenaamde B8-regeling was uitgelegd. De later afgelegde verklaringen komen in de kern overeen met die verklaringen van de aangevers in hun eerste politiecontacten. Als geheel acht de rechtbank de verklaringen van de vier aangevers geloofwaardig en op andere punten niet zodanig met elkaar in strijd dat deze verklaringen als onvoldoende betrouwbaar moeten worden aangemerkt en niet aan het bewijs kunnen bijdragen.

Daar komt bij dat ook andere personen - die ook aanwezig waren in de woning aan de [adres] - bij de politie hebben verklaard dat zij nog geen salaris maar slechts een éénmalig voorschot hadden ontvangen van [medeverdachte 2] . Daarnaast sluit de situatie in de woning, zoals de politie die op 1 maart 2016 heeft aangetroffen, aan bij de beschrijving van de aangevers. De woning was voorzien van één badkamer, één keuken en meerdere toiletten. In de hele woning lagen matrassen op de grond. Ten behoeve van enige privacy was hier en daar een afscheiding gemaakt met opgehangen doeken.

Tenslotte bevestigt [medeverdachte 1] , in de woning tegenover de politie, dat hij als een soort manager was gevraagd om mensen vanuit Bulgarije naar Nederland te laten komen om te werken. Als zij in de kassen werkten mochten zij ook in de woning verblijven. Officieel mochten de mensen nog niet werken omdat zij geen sofinummers hadden en nog niet stonden ingeschreven. Zij werkten soms wel, maar nog niet onder contract en kregen daarom soms wat geld om eten te kopen. Deze verklaring sluit in de kern aan op de verklaringen van de aangevers.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaringen van de aangevers niet onbetrouwbaar worden geacht en bewijsuitsluiting daarom niet aan de orde is. Het daartoe strekkende verweer wordt verworpen.

6.2.2.

Bevindingen

De rechtbank heeft uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende relevante feiten en omstandigheden vastgesteld.

6.2.2.1. Situatie aangevers in Bulgarije

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij, ondanks dat hij een goede opleiding had genoten, geen andere mogelijkheid zag dan het verrichten van ongeschoold werk in Nederland. Volgens [slachtoffer 1] was er nauwelijks werk te vinden in Bulgarije. Mocht je al werk kunnen vinden dan kon het voorkomen dat je daarvoor geen betaling ontving, hetgeen hem was overkomen.

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] hebben verklaard dat zij al langere tijd werkloos waren in Bulgarije. Het was moeilijk om in Bulgarije werk te vinden. [slachtoffer 3] had naar eigen zeggen nog een schuld bij haar werkgeefster. Volgens [slachtoffer 2] was er ook een schuld bij een winkel in verband met niet betaalde boodschappen. Zij konden enigszins rondkomen omdat zij in Bulgarije in een huis woonden waar zij op pasten en alleen de kosten voor water en elektriciteit hoefden te betalen. Om de treinreis naar [plaatsnaam 1] te kunnen betalen, de plaats waar zij naar toe moesten reizen voor de reis naar Nederland, hadden zij hun auto en wasmachine moeten verkopen. Hun zoon [slachtoffer 4] had in Bulgarije schulden gemaakt, die aanzienlijk waren opgelopen. Zij waren in Bulgarije door de geldschieters onder druk gezet om de schulden af te betalen. [slachtoffer 3] had tegen haar zus, die hen in contact had gebracht met [medeverdachte 1] , verteld over de schulden van haar zoon. [medeverdachte 1] had volgens [slachtoffer 3] bij aankomst in Almere direct gevraagd naar de problemen van [slachtoffer 4] . Zij konden met het gezin niet terug naar Bulgarije omdat zij daar helemaal niets meer hadden. Bijna iedereen in het huis had volgens haar geldproblemen of geld nodig voor familieleden.

Een aantal van de overige werknemers die op 1 maart 2016 in de woning werden aangetroffen, heeft ook verklaard dat zij geen werk in Bulgarije hadden, waaronder onder andere [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , en daarom naar Nederland waren gekomen of zich in een erbarmelijke financiële situatie bevonden, zoals [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] en [persoon 9] .

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij werknemers geld leende omdat zij zelf geen geld hadden om levensmiddelen te kopen.

6.2.2.2. Arbeidsbemiddeling en vervoer

[slachtoffer 1] had [medeverdachte 1] leren kennen toen hij in 2015 in Nederland was. Zij hebben steeds contact gehouden en hij heeft [medeverdachte 1] gebeld toen hij werk nodig had. [medeverdachte 1] beloofde hem werk in de komkommerkassen. [medeverdachte 1] had hem eerst meegenomen naar Bulgarije. Vanuit Bulgarije is [slachtoffer 1] een aantal dagen later samen met [medeverdachte 1] en andere toekomstige werknemers naar Nederland gereden. Na aankomst in Nederland op 29 januari 2016 bleek dat hij aan [medeverdachte 1] € 300,- commissie voor deze arbeidsbemiddeling en € 130,- voor de reis naar Nederland moest betalen. Dit bedrag zou worden ingehouden op zijn loon. Dit was niet van tevoren afgesproken.

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] kenden [medeverdachte 1] al van jongs af aan vanuit Bulgarije. Zij hadden hem daar geholpen met het verkrijgen van een inschrijfadres. Het contact met [medeverdachte 1] over het werk was in Bulgarije tot stand gekomen via de zus van [slachtoffer 3] , die getrouwd was met een oom van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] kon werk voor hen regelen in Nederland. Telefonisch had [medeverdachte 1] uitgelegd dat zij in Nederland konden komen werken in de komkommerkassen. [medeverdachte 1] had vooraf verteld dat zij de reiskosten naar Nederland en een bedrag van € 300,- per persoon aan commissie moesten betalen voor de arbeidsbemiddeling. Deze kosten zouden worden ingehouden op het loon. Op 2 februari 2016 heeft de schoonvader van [medeverdachte 1] het hele gezin in een busje vanuit Bulgarije naar Nederland gebracht. Op het laatste moment kon de 14-jarige dochter van het gezin, [persoon 10] (hierna: [persoon 10] ), ook mee naar Nederland, maar zij zou daar niet hoeven werken. Eenmaal in Nederland aangekomen bleek [persoon 10] ook te moeten werken en dat de betreffende commissie en het reisgeld ook voor haar betaald moesten worden.

Een aantal van de overige werknemers heeft ook verklaard dat zij via [medeverdachte 1] in Nederland in de komkommerkassen aan het werk konden. [persoon 5] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 1] in contact was gekomen over werk in Nederland en dat hij met hem afspraken had gemaakt over het loon. Op 6 januari 2016 was hij met zes anderen in de auto naar Nederland gekomen. [persoon 11] heeft in aanvulling op [persoon 5] verklaard dat de reis naar Nederland door [medeverdachte 1] was geregeld. [persoon 6] had via [persoon 5] gehoord over het werk in Nederland en was met hem en zijn vrouw op 6 januari 2016 naar Nederland gekomen in de auto. [persoon 12] heeft verklaard dat zijn vriend [medeverdachte 1] hem had verteld over werk in Nederland. Hij was samen met twee bevriende stellen begin februari 2016 met een pendelbusje naar Nederland gekomen. De reis kostte € 130,- per persoon.

[medeverdachte 1] heeft op 1 maart 2016 tegenover de politie verklaard dat hij als een soort manager was gevraagd om mensen vanuit Bulgarije naar Nederland te halen om te werken. Voor een reis enkele reis van Bulgarije naar Nederland betaalde je volgens hem tussen de € 100,- en € 130,-. Hij was zelf ook weleens door zijn schoonvader van Bulgarije naar Nederland gebracht.

6.2.2.3. Huisvesting

Op 1 maart 2016 trof de politie in de woning aan de [adres] 19 personen aan. De situatie in de woning is hiervoor beschreven.

De woning werd vanaf 1 januari 2016 door het bedrijf [bedrijf 2] B.V., eigendom van [verdachte] , exploitant van de betreffende komkommerkassen, onderverhuurd aan het uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V. Voor de woning werd door het uitzendbureau € 1.750,- per maand aan huur, inclusief gas, water en licht betaald. Volgens [verdachte] mochten op grond van het huurcontract maximaal acht personen in de woning verblijven. Het huurcontract tussen [verdachte] en [naam uitzendbureau] B.V. maakt echter geen melding van een dergelijk beding.

Volgens [slachtoffer 1] had [medeverdachte 1] hem in Nederland onderdak beloofd waarbij hij onder normale omstandigheden kon leven. Nu woonde hij met negen mensen op zolder en was aan hem alleen een matras op de grond zonder kussen en deken verstrekt. Met alle mensen in de woning moesten ze de badkamer, de toiletten en de keuken delen. Na aankomst in Nederland had [medeverdachte 1] hem meegedeeld dat hij € 10,- per dag voor het verblijf in de woning moest betalen, terwijl daarover eerder niet was gesproken. De huur zou worden ingehouden op het loon. Volgens [slachtoffer 1] was het verblijf in de woning gekoppeld aan het werk in de kassen.

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben verklaard dat [medeverdachte 1] hen, toen zij hem in Bulgarije telefonisch spraken, had beloofd dat zij in Nederland tijdelijk samen met anderen in een woning konden verblijven, en dat zij na een aantal dagen een eigen woning zouden krijgen. Er was niet gesproken over de kosten van de huisvesting. In Nederland kwamen zij terecht in een woning waar zij met circa 19 personen moesten wonen. Zij sliepen met negen mensen op de zolder van de woning op matrassen op de grond en er waren geen kussens en dekens. In de woning golden regels die door [medeverdachte 1] werden bepaald, zoals voor de duur van het gebruik van de badkamer en het draaien van muziek. In Nederland bleek dat zij voor de huur van de woning € 10,- per persoon per dag, en dus in totaal € 40,- per dag voor het gezin, moesten betalen, terwijl dat van tevoren niet was afgesproken.

[medeverdachte 1] zelf woonde ook in de woning en beschikte met zijn vrouw over een eigen kamer.

[medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat de mensen in de woning mochten verblijven als zij in de kassen werkten. Volgens [medeverdachte 1] hield [medeverdachte 2] € 70,- per persoon per week in voor de accommodatie. [medeverdachte 1] zelf diende ook huur te betalen voor het gebruik van de kamer.

In de telefoon van [medeverdachte 1] zijn bestanden aangetroffen met overzichten van namen, tijden en bedragen per week. Het betreft getypte overzichten van week 1 tot en met 7. De rechtbank begrijpt dat de overzichten zien op de gewerkte uren in de weken 1 tot en met 7 van het jaar 2016. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij de urenlijsten bijhield voor zichzelf, [verdachte] en [medeverdachte 2] , omdat de uren vaak niet klopten met de facturen. Facturen die in dit onderzoek overigens niet zijn aangetroffen. Op die urenlijsten werd ook de € 70,- genoteerd die [medeverdachte 2] inhield voor de accommodatie. De rechtbank heeft geconstateerd dat op de overzichten inderdaad te zien is dat achter iedere naam van een werknemer een bedrag van € 70,- in mindering wordt gebracht op het daar vermelde (te ontvangen) salaris van de betreffende week.

6.2.2.4. Werkomstandigheden

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij minimaal vijf tot zes uur en maximaal negen uur per dag in de komkommerkassen werkte. Per dag kregen ze één à twee pauzes van 15 of 30 minuten. [slachtoffer 1] heeft de door hem gewerkte uren zelf bijgehouden in een boekje. [verdachte] was samen met zijn broer [broer verdachte] (hierna: [broer verdachte] ) eigenaar van de kassen. [verdachte] was elke dag in de kassen aanwezig. Hij woonde in een caravan in een loods bij de kassen. [verdachte] verdeelde de taken en was op kantoor met de computer bezig. [medeverdachte 1] gaf de werkopdrachten. [medeverdachte 1] was volgens [slachtoffer 1] ondergeschikt aan [verdachte] en [broer verdachte] . [slachtoffer 1] mocht zich van [medeverdachte 1] niet zelf tot [verdachte] en [broer verdachte] richten. Tijdens het werk werden zij voortdurend in de gaten gehouden door [medeverdachte 1] . Hij zei dat zij op moesten schieten en alleen in de pauze naar het toilet mochten en mochten drinken. Zij hoorden van [medeverdachte 1] de avond van tevoren of zij de dag daarop moesten werken. [medeverdachte 1] was geen gewone medewerker en stelde zich voor als partner van het uitzendbureau van [medeverdachte 2] .

Volgens [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] waren de kassen eigendom van [verdachte] en [broer verdachte] . [verdachte] en [broer verdachte] legden de werkzaamheden in de kas aan hen uit. Van [medeverdachte 1] kregen zij opdrachten. Volgens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] was [medeverdachte 1] de hele dag in de kas en lette hij op het werk dat zij deden. Hij zei wat zij moesten doen en dat zij problemen alleen met hem moesten en mochten bespreken. [medeverdachte 1] schreeuwde dat zij door moesten werken. [medeverdachte 1] was niet een gewone medewerker, hij hield hen in de gaten. Zij mochten van [medeverdachte 1] niet direct met [verdachte] en [broer verdachte] praten. Tijdens werktijd mochten zij van [medeverdachte 1] niet roken, niet naar de wc en geen water drinken. [slachtoffer 4] heeft meerdere dagen niet kunnen werken vanwege hevige spierpijn, hetgeen [medeverdachte 1] een probleem vond. [medeverdachte 1] dreigde om salaris in te houden als het werk niet goed gedaan was. Zij hoorden van [medeverdachte 1] of zij de volgende dag moesten werken. Het gezin werkte vaak van 8.00 uur tot 17.00 uur of 18.00 uur, met totaal één uur pauze.

Volgens [slachtoffer 3] mochten de vrouwen van [medeverdachte 1] , behalve als ze ongesteld waren, geen werk weigeren. [slachtoffer 1] werd niet toegestaan om een vrije dag te nemen op een Bulgaarse feestdag. Volgens [slachtoffer 2] werkte [medeverdachte 1] zelf niet. Hij liep rond om hen te observeren. Om niet te hoeven werken moest je heel ziek zijn. [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij geen vrije dagen op mochten nemen toen zij de eerste dagen spierpijn hadden. [slachtoffer 2] had de door hem en zijn gezinsleden gewerkte uren zelf bijgehouden.

De aangevers hebben verklaard dat [persoon 10] ook in de kassen heeft gewerkt en dat zij hetzelfde werk als de anderen moest doen. Iedereen binnen het bedrijf was volgens hen op de hoogte van de leeftijd van [persoon 10] . Volgens [slachtoffer 1] had [medeverdachte 1] tegen de mensen in de kas gezegd dat als er controle zou komen dat zij moesten zeggen dat [persoon 10] alleen op visite was, niet werkte en bij familie in [plaatsnaam 2] woonde. [medeverdachte 1] heeft zelf verklaard dat hij wist dat [persoon 10] 14 jaar was.

Zoals in het bovenstaande al onder 6.2.2.3 vermeld zijn in de telefoon van [medeverdachte 1] bestanden gevonden met overzichten van namen, tijden en bedragen per week, behorende bij de werknemers in de kassen.

[slachtoffer 1] heeft zichzelf op de overzichten herkend als ‘ [benaming 1] ’ onder de weken 5 tot en met 7. De rechtbank heeft geconstateerd dat de overzichten grotendeels overeenkomen met de notities die [slachtoffer 1] zelf had gemaakt ten aanzien van de door hem gewerkte uren. Vastgesteld kan worden dat [slachtoffer 1] de meeste uren heeft gewerkt in week 5, te weten zes dagen van negen uur.

[slachtoffer 3] heeft [slachtoffer 4] op de lijsten herkend als ‘ [benaming 2] ’, haar dochter als ‘ [naam 1] ’ en haar man als ‘ [naam 2] ’. [slachtoffer 2] heeft zichzelf herkend als ‘ [naam 2] ’, zijn dochter als ‘ [naam 1] ’, zijn vrouw als ‘ [naam 3] ’ en zijn zoon als ‘ [benaming 2] ’. De rechtbank heeft geconstateerd dat de overzichten ook grotendeels overeenkomen met de notities die [slachtoffer 2] zelf had gemaakt van de door hem en zijn gezinsleden gewerkte uren. Vastgesteld kan worden dat de meeste uren zijn gewerkt door [slachtoffer 2] in week 5, namelijk 62 uur.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 2] toezicht moest houden op het werk. Hij had in 2015 al in de kassen gewerkt, kende [medeverdachte 2] al langer en sprak goed Turks.

6.2.2.5. Beloofde loon, arbeidscontract, bankpasjes, sofinummer

Volgens [slachtoffer 1] had [medeverdachte 1] hem beloofd dat hij € 6,- netto per uur zou ontvangen voor de werkzaamheden in de kassen. Hij zou wekelijks betaald krijgen. Ook zou [medeverdachte 1] een bankpas en een sofinummer regelen. [medeverdachte 1] had ten behoeve daarvan een kopie van het identiteitsbewijs van [slachtoffer 1] aan [medeverdachte 2] overhandigd. Zodra er een bankrekening geregeld was, zou het loon daarop worden gestort. [medeverdachte 1] had hem ook een Nederlands arbeidscontract in het vooruitzicht gesteld, dat zou worden opgemaakt zodra hij in Nederland aan het werk zou gaan. Het bankpasje, sofinummer en arbeidscontract zijn nooit geregeld. [slachtoffer 1] had al een door hem zelf georganiseerde afspraak voor het regelen van een sofinummer gemist, en omdat hij zelf moest betalen voor zijn vervoer was het voor hem onmogelijk om dit alsnog te doen. Aan [slachtoffer 1] is nooit loon uitbetaald. Wel kreeg hij eens per week van [medeverdachte 1] een voorschot om eten en sigaretten van te kopen. Uit de eigen notities van [slachtoffer 1] blijkt dat hij volgens zijn eigen berekeningen in totaal iets meer dan € 200,- aan voorschotten had gekregen. Als [medeverdachte 1] er niet was, werd er volgens [slachtoffer 1] geen voorschot uitbetaald. Volgens [slachtoffer 1] had [medeverdachte 1] eind februari 2016 tegen hem gezegd dat hij ook het loon van één uur per werkdag voor zichzelf zou inhouden op het salaris van [slachtoffer 1] omdat hij zelf ook iets wilde verdienen aan diens tewerkstelling.

[slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben verklaard dat [medeverdachte 1] hen had toegezegd dat zij € 6,- netto per uur betaald zouden krijgen voor het werk in de komkommerkassen. Zij zouden dit wekelijks uitbetaald krijgen. Het beloofde salaris hebben zij nooit uitbetaald gekregen. Van [medeverdachte 1] hebben zij enkel voorschotten gekregen voor het kopen van eten. Deze voorschotten bedroegen € 100,- per week voor het hele gezin. Wat was betaald aan voorschotten, werd door [medeverdachte 1] bijgehouden in een boekje. Als [medeverdachte 1] er niet was, omdat hij bijvoorbeeld in Bulgarije was, kregen zij geen voorschot uitbetaald. Zij konden toen geen voedsel kopen. Zij hebben nooit een arbeidsovereenkomst getekend. Ook de beloofde bankpasjes en sofinummers waren niet door [medeverdachte 1] voor hen geregeld. [medeverdachte 1] had ten behoeve hiervan wel een aantal dagen hun identiteitsbewijzen onder zich gehouden. Volgens [slachtoffer 3] had [medeverdachte 1] ook gezegd dat hij één uur per dag van hun loon voor zichzelf zou houden.

De overige werknemers, waarmee een informatief gesprek is gevoerd, hebben allen verklaard dat zij nog geen loon uitbetaald hadden gekregen. Allen waren €7,40 als uurloon overeengekomen. Allemaal hadden zij bij aankomst in Nederland een voorschot van € 450,- van [medeverdachte 2] gekregen. De aan hen beloofde arbeidscontracten, bankpasjes en sofinummers hadden zij nog niet gekregen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat de mensen die in de woning verbleven wel werkten, maar dat zij nog geen sofinummers en arbeidscontracten hadden. Ook heeft [medeverdachte 1] later bij de politie verklaard dat hij zelf evenmin een arbeidscontract had en zelf ook nog op loon van de weken 1 tot en met 7 van 2016 wachtte. De werknemers kregen wel geld van hem, maar dat waren leningen. Zij konden hem terugbetalen als zij gewerkt hadden.

6.2.2.6. Dreigen met terugsturen naar Bulgarije

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] regelmatig tegen mensen zei dat zij naar hem moesten luisteren omdat hij ze anders terug naar Bulgarije zou terugsturen of hen een boete zou geven. Ook dreigde hij dat mensen hun geld niet zouden krijgen. Volgens [slachtoffer 1] had [medeverdachte 1] [slachtoffer 3] gedreigd dat hij haar dochter terug zou sturen naar Bulgarije.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] dreigde om haar dochter terug te sturen naar Bulgarije als zij niet ook zou werken. Als je [medeverdachte 1] tegensprak dreigde hij met vertrek en terugsturen. Ook [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben verklaard dat [medeverdachte 1] dreigde hen allemaal terug te sturen naar Bulgarije als de dochter niet zou werken. Volgens [slachtoffer 2] zou [medeverdachte 1] ze terug naar Bulgarije brengen als ze meerdere keren niet zouden werken. Hij had gehoord dat dat ook met anderen was gebeurd.

De reden dat zij op 1 maart 2016 weg waren gestuurd was volgens de aangevers dat zij een discussie met [medeverdachte 1] waren aangegaan over de werk- en leefomstandigheden in het bedrijf en de woning.

6.2.2.7. Positie aangevers in Nederland

Geen van de aangevers sprak Nederlands. Op [slachtoffer 1] na, die heeft verklaard wel Engels te spreken, spraken de aangevers ook geen Engels. Volgens de aangevers waren zij in Nederland op het werk of in de woning. De dagen bestonden uit werken, eten, douchen en slapen. Zij mochten van [medeverdachte 1] niet te ver naar buiten gaan, omdat er altijd een oproep kon komen voor werk. Zij waren bovendien onbekend in de omgeving, wisten niet wat hun eigen woonadres was of wat de naam was van het bedrijf waarvoor zij werkten. De supermarkt was ver van de woning af. Als zij ergens naartoe wilden moesten zij zelf voor het vervoer betalen, maar daar hadden zij het geld niet voor. De aangevers hadden geen arbeidscontract. [medeverdachte 1] had hen verboden om met anderen, ‘buitenstaanders’, te praten. Er werd gezegd dat zij met anderen niet mochten spreken omdat deze hun werk zouden willen hebben. Toen één van de aangevers contact kreeg met een groepje Polen werd hij op dit contact aangesproken en gemaand dat voortaan achterwege te laten.

Niemand had hen iets uitgelegd over de rechten en plichten die in Nederland gelden voor een werkgever ten aanzien van een werknemer. Er is niet gesproken over een ziektekostenverzekering.

[medeverdachte 1] heeft zelf verklaard dat hij al langere tijd in Nederland was en de regels in Nederland kende. Ook verklaarde hij dat hij in 2015 al in de kassen had gewerkt, [medeverdachte 2] daardoor ook al langer kende, en zelf al wel over een sofinummer en een bankrekening beschikte. Hij had eerder ook al in dezelfde woning verbleven. [medeverdachte 2] had hem al wel (contant) betaald voor zijn werkzaamheden.

6.2.2.8. Betrokkenheid van verdachten

- [medeverdachte 1]

Uit de hiervoor reeds aangehaalde verklaringen van de aangevers en de overige werknemers blijkt dat zij via [medeverdachte 1] aan het werk als uitzendkracht van het bedrijf van [medeverdachte 2] in de komkommerkassen van [verdachte] waren gekomen. Voor de aangevers had [medeverdachte 1] het vervoer naar Nederland geregeld. Zij hebben een commissie voor de arbeidsbemiddeling en een vergoeding voor de reiskosten moeten betalen. Dit zou op hun loon worden ingehouden. Ten behoeve van het regelen van de arbeidscontracten, sofinummers en bankpasjes had [medeverdachte 1] hun identiteitskaarten ingenomen om hiervan een kopie te kunnen geven aan [medeverdachte 2] . Zij waren via [medeverdachte 1] ondergebracht in de woning aan de [adres] , de woning die door het bedrijf van [medeverdachte 2] werd gehuurd. Aangevers was verteld dat hiervoor € 10,- per dag per persoon zou worden ingehouden op het loon. Deze inhouding is terug te vinden in de door [medeverdachte 1] bijgehouden urenlijsten. Lijsten die [medeverdachte 1] ten behoeve van de facturering tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] bijhield. In de woning golden de regels van [medeverdachte 1] . Hij bewoonde zelf met zijn vrouw een kamer in de woning. Volgens de aangevers uit het gezin [slachtoffer 2] bepaalde [medeverdachte 1] dat de dochter van het gezin, [persoon 10] , ook aan het werk moest in de kassen en ook of de werknemers een vrije dag mochten opnemen. Van [medeverdachte 1] hoorden zij of ze de volgende dag moesten werken. In de kas gaf [medeverdachte 1] de werkopdrachten en hield hij de werknemers in de gaten. Hij verbood hen tijdens het werk om te roken, water te drinken en naar de wc te gaan. [medeverdachte 1] verbood de aangevers daarnaast om met buitenstaanders te praten en problemen mochten alleen met hem worden besproken. Van [medeverdachte 1] hadden zij elke week een voorschot op hun loon gekregen. [medeverdachte 1] had hen verteld dat hij één uur per dag zou inhouden op het loon ten behoeve van zichzelf. [medeverdachte 1] dreigde de aangevers met terugsturen naar Bulgarije als zij niet zouden doen wat hij van hen verlangde. Op 1 maart 2016 had hij de aangevers de woning uitgezet.

[medeverdachte 1] heeft zelf verklaard dat hij als een soort manager was gevraagd om mensen vanuit Bulgarije naar Nederland te laten komen om te werken. De aangevers hadden hem zelf benaderd omdat zij werk zochten en hij had voor hen het vervoer naar Nederland geregeld. In opdracht van [medeverdachte 2] hield [medeverdachte 1] toezicht op de werkzaamheden in de kas. Hij was namelijk al bekend met de werkzaamheden en sprak goed Turks.

Uit de overzichten van de weken 1 tot en met 7 van 2016, die in de telefoon van [medeverdachte 1] zijn aangetroffen, blijkt dat [medeverdachte 1] urenregistraties van de werknemers in de kassen bijhield en de verschuldigde kosten voor huisvesting. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat hij de urenregistraties bijhield omdat de facturen van [medeverdachte 2] en [verdachte] vaak niet klopten. Het dossier bevat echter geen enkele factuur met betrekking tot de door de werknemers verrichte werkzaamheden in deze periode.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat [medeverdachte 1] , zoals door hemzelf ook in eerste instantie is gezegd, werkzaam was als een soort manager. Zelfstandig kon [medeverdachte 1] immers niet beschikken over de door het uitzendbureau van [medeverdachte 2] gehuurde woonruimte noch kon hij optreden als tewerksteller nu niet hij maar [medeverdachte 2] zaken deed met [verdachte] . Het werven van arbeidskrachten uit Bulgarije en het organiseren van hun komst naar Nederland vond plaats ten behoeve van de werkzaamheden via het uitzendbureau van [medeverdachte 2] bij de komkommerkassen van [verdachte] .

- [verdachte]

heeft verklaard dat hij eigenaar en directeur grootaandeelhouder van [bedrijf 2] B.V. is. Het werk in de komkommerkassen had hij uitbesteed aan het uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V. [verdachte] zelf had geen mensen in dienst. Eigenaar van het uitzendbureau was volgens hem [medeverdachte 2] . [verdachte] had al in 2015 personeel via het vorige uitzendbureau van [medeverdachte 2] , [bedrijf 1] B.V., ingehuurd. [medeverdachte 2] was altijd samen met een Hongaarse man, genaamd [persoon 13] (de rechtbank begrijpt: [persoon 13] , hierna: [persoon 13] ). [verdachte] had echter het meeste contact met [medeverdachte 2] omdat hij Turks sprak en deed de zaken met hem.

[verdachte] maakte naar eigen zeggen kopieën van alle identiteitsbewijzen van de mensen die via het uitzendbureau bij hem werkten. Ook hield hij zelf een urenregistratie bij van de uren die de mensen werkten. Die urenlijsten verstrekte hij aan het uitzendbureau zodat een factuur kon worden opgemaakt. De facturen die [naam uitzendbureau] B.V. vervolgens zou opstellen, zouden door [verdachte] betaald worden en aan zijn boekhouder worden verstrekt. [verdachte] heeft echter in de eerste maanden van 2016 geen factuur van [naam uitzendbureau] B.V. gezien noch betaald, zo verklaart hij ter terechtzitting. [verdachte] had contact met [medeverdachte 2] over de benodigde hoeveelheid personeel voor de volgende dag. [verdachte] was met [naam uitzendbureau] B.V. overeengekomen dat hij voor elke werknemer een bedrag van € 14,- per uur zou betalen. De uitbetaling aan de werknemers werd volgens [verdachte] door het uitzendbureau gedaan. [verdachte] had niet gecontroleerd of de werknemers een sofinummer hadden. [verdachte] voelde zich - nu hij de inlener was - alleen verantwoordelijk voor de werknemers op de werkvloer. Hij gaf op de werkvloer de opdracht wat er gedaan moest worden. [verdachte] zegt niet op de hoogte te zijn geweest van de door de werknemers betaalde reiskosten, commissie en huur, en het feit dat tot dusver zij hun loon niet betaald hadden gekregen.

[verdachte] heeft verklaard dat hij de woning aan de [adres] in Almere vanaf januari 2016 aan [naam uitzendbureau] B.V. verhuurde. Volgens het contract mochten er maximaal acht personen in de woning verblijven. In het dossier bevindt zich een huurcontract tussen [verdachte] en [naam uitzendbureau] B.V., echter zonder dit beding. Sinds [verdachte] de woning had verhuurd was hij niet meer in de woning geweest. Hij wist niet dat er zoveel mensen in de woning verbleven.

Ter terechtzitting heeft [verdachte] verklaard dat een werkdag in de kas in de kantine begon, waar iedereen bij elkaar kwam. [verdachte] instrueerde de groepsleider en liep verder de gehele dag door de kas. De groepsleider gaf de instructies door aan de werknemers. De werknemers waren vrij om vragen aan hem te stellen, maar kwamen bijna nooit naar hem toe. In zijn aanwezigheid waren de werknemers meestal ineens stil of gingen ze onderling Bulgaars praten, waarschijnlijk omdat ze hem als baas zagen. Het uitzendbureau zond hem facturen. Hij betaalde deze altijd, ook al kon het een tijdje duren. Omdat hij begin januari 2016 opnieuw gestart was in de kas, kan het zijn dat hij in die periode nalatig is geweest met betrekking tot zijn administratie.

Volgens artikel 55 van de CAO glastuinbouw is de werkgever die gebruik maakt van uitzendarbeid verplicht om te controleren of het uitzendbureau beschikt over een geldig NEN 4400-1 of NEN 4400-2 certificaat dat is afgegeven door de Stichting Normering Arbeid. [verdachte] heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat wel te hebben verzocht aan [medeverdachte 2] en dit certificaat werd hem door [medeverdachte 2] in het vooruitzicht gesteld.

[verdachte] dacht dat er maar één jongen van 17 jaar in de kas werkte. Bij het kopiëren van de identiteitsbewijzen had hij blijkbaar niet gelet op de geboortedata. Hem was verteld dat er een gezin was en dat de kinderen de ouders alleen wat hielpen. Hij heeft nooit een meisje van 14 jaar in de kas zien werken. [verdachte] had nooit gekeken of de werknemers allemaal met de auto naar de kas gebracht werden of dat zij lopend kwamen.

De boekhouder van [verdachte] , [persoon 14] , was niet bekend met [naam uitzendbureau] B.V. of [medeverdachte 2] . De betreffende stukken over 2016 waren volgens hem nog niet door [verdachte] aangeleverd. [verdachte] was volgens zijn boekhouder wat laks wat betreft het aanleveren van stukken.

Volgens de aangevers waren [verdachte] en zijn broer [broer verdachte] de eigenaars van de kas. Zij legden aan de werknemers de werkzaamheden uit en controleerden deze ook. Zij gaven ook instructies aan [medeverdachte 1] . Volgens [slachtoffer 3] is [verdachte] niet in de woning geweest. Volgens [slachtoffer 4] stuurden [verdachte] en [broer verdachte] hem weleens weg als hij het werk niet goed deed.

- [medeverdachte 2]

[verdachte] heeft verklaard dat hij zijn personeel inleende via het uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van het uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V. was de enig aandeelhouder en bestuurder [persoon 13] . [medeverdachte 2] stond vermeld als gevolmachtigde. Dat [medeverdachte 2] echter, in weerwil van hetgeen is vermeld in de Kamer van Koophandel registratie, optrad als feitelijk leidinggevende van het uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V., leidt de rechtbank af uit het volgende.

Voor [verdachte] was [medeverdachte 2] zijn contactpersoon van het uitzendbureau. Alle zaken wat betreft de uitbetaling van de medewerkers werd volgens [verdachte] door en met [medeverdachte 2] geregeld. [medeverdachte 2] had hem in 2015 en in januari 2016 benaderd voor het leveren van personeel en hij had met hem een uurloon van € 14,- per persoon per uur afgesproken. [persoon 13] had de overeenkomst hierover getekend. [verdachte] belde [medeverdachte 2] op en zei hoeveel personeel hij de volgende dag nodig had. Ook had [verdachte] de woning aan de [adres] in Almere verhuurd aan [naam uitzendbureau] B.V. De besprekingen hierover had [verdachte] met [medeverdachte 2] gevoerd en het contract was door [persoon 13] getekend. [verdachte] communiceerde met [medeverdachte 2] omdat hij ook Turks sprak.

[persoon 13] heeft verklaard dat hij niets wist van uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V. [medeverdachte 2] had hem meerdere keren meegenomen naar instellingen waar hij papieren had moeten ondertekenen waarvan hij de inhoud niet begreep. Hij was onder andere met [medeverdachte 2] naar meerdere banken en de Belastingdienst geweest. Hij had ook gezien dat [medeverdachte 2] de beschikking had over bankpasjes waarop zijn ( [persoon 13] ’s) naam stond. Er waren regelmatig brieven op zijn naam binnengekomen, maar die diende hij aan [medeverdachte 2] af te geven. Hij wist niets van een overeenkomst tussen [bedrijf 2] B.V. en [naam uitzendbureau] B.V. over het inlenen van personeel. Het huurcontract betreffende de woning aan de [adres] is niet door hem getekend.

Daarnaast zijn onder [medeverdachte 2] tijdens de doorzoeking van zijn woning een aantal zaken aangetroffen die erop wijzen dat niet [persoon 13] , maar [medeverdachte 2] in de praktijk de feitelijk leidinggevende van het uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V. was. Zo werden in zijn slaapkamer een urenregistratie, een brief gericht aan [naam uitzendbureau] B.V. ter attentie van [medeverdachte 2] en een concept-statutenwijziging ten behoeve van [naam uitzendbureau] B.V. gevonden. In de telefoon van [medeverdachte 2] werden foto’s van meerdere bankpasjes op naam van [persoon 13] met op de achterzijde de bijbehorende pincodes aangetroffen, net als een bankpas op naam van [naam uitzendbureau] B.V. [medeverdachte 2] was aldus in staat om financiële zaken te regelen op naam van [persoon 13] en [naam uitzendbureau] B.V. In de telefoon van [medeverdachte 2] werd ook een foto van het identiteitsbewijs van [medeverdachte 1] gevonden.

[medeverdachte 2] zelf heeft verklaard dat hij gevolmachtigde voor [naam uitzendbureau] B.V. was en dat hij in die rol onder andere contracten met werknemers mocht afsluiten. Ook was hij naar eigen zeggen aanwezig bij de gesprekken die met [verdachte] waren gevoerd over het afgesproken uurloon en het huren van de woning aan de [adres] .

De aangevers hadden [medeverdachte 2] slechts één keer in de woning gezien. Volgens [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] had [medeverdachte 1] hem toen kopieën van hun identiteitskaarten gegeven. [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben verklaard dat [medeverdachte 2] hen na 1 maart 2016 meerdere keren had gebeld. Hij had hen aangeboden om het achterstallige loon alsnog uit te betalen en alsnog arbeidscontracten op te stellen. [medeverdachte 2] had toen ook duidelijk gemaakt dat niet [medeverdachte 1] maar hij de baas was. [slachtoffer 3] had daarvoor ook al van anderen gehoord dat [medeverdachte 2] de grote baas was. [medeverdachte 1] had tegen [slachtoffer 1] gezegd dat [medeverdachte 2] een soort uitzendbureau had waar [medeverdachte 1] partner van was. Zij zouden al sinds 2015 mensen naar Nederland halen om te werken.

Een aantal van de overige werknemers hebben verklaard dat zij werkafspraken, onder andere over het te verdienen uurloon, hadden gemaakt met [medeverdachte 2] en dat zij van hem een eenmalig voorschot van € 450,- hadden gekregen na aankomst in Nederland. Ook had [medeverdachte 2] hen beloofd arbeidscontracten, bankpassen en sofinummers te zullen regelen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] de baas is van het uitzendbureau en dat zij uiteindelijk voor hem werken. Als hijzelf niet naar [medeverdachte 2] luisterde was hij zijn baan kwijt. [medeverdachte 2] zou de sofinummers en arbeidscontracten regelen. [medeverdachte 2] vertelde hen welke werkzaamheden er verricht moesten worden. In opdracht van [medeverdachte 2] hield [medeverdachte 1] toezicht op de werkzaamheden in de kas. [medeverdachte 1] had [medeverdachte 2] in 2015 al leren kennen toen hij werk zocht en via [medeverdachte 2] was hij toen aan het werk gegaan in de kassen van [verdachte] .

[medeverdachte 2] zorgde er als feitelijk leidinggevende van het uitzendbureau dus voor dat arbeidskrachten bij [verdachte] in de komkommerkassen aan het werk gingen. Ook zorgde hij voor huisvesting. Voor het werven van de arbeidskrachten uit Bulgarije en het organiseren van hun komst naar Nederland was [medeverdachte 2] afhankelijk van [medeverdachte 1] .

6.2.3.

Kwalificatie

6.2.3.1. Handelingen

De rechtbank is van oordeel dat uit voorgaande feiten en omstandigheden volgt dat de aangevers zijn geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest en daarmee dat de aangevers in Nederland aan het werk gingen en aan het werk bleven. Hiervan is ook daadwerkelijk geprofiteerd, doordat de aangevers moesten betalen voor de arbeidsbemiddeling, voor de reis naar Nederland en de verstrekte huisvesting en tevens doordat aan hen het verschuldigde loon niet is uitbetaald.

6.2.3.2. Dwangmiddelen

Op grond van de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat daarbij gebruik is gemaakt van de dwangmiddelen misbruik van een kwetsbare positie, misleiding, dreigen met een andere feitelijkheid en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.

- Misbruik van een kwetsbare positie

De aangevers, en de overige werknemers die geen aangifte hebben gedaan, zijn naar Nederland gekomen om te werken vanwege hun slechte financiële omstandigheden in Bulgarije. Zij konden geen werk vinden en leefden in armoede. [slachtoffer 4] had een grote schuld. De aangevers werd werk en een woning in Nederland in het vooruitzicht gesteld. De aangevers spraken geen van allen Nederlands en waren onbekend met de omgeving waar zij terechtkwamen en hun positie binnen de Nederlandse samenleving. Hen was niets uitgelegd over de rechten en de plichten die zij in Nederland als werknemer hadden en zij waren niet verzekerd voor ziektekosten. Zij hadden in Nederland niet de beschikking over geld of vervoer. Zij ontvingen slechts kleine voorschotten op hun loon, waar zij eten van konden kopen. Zolang de aangevers in de kassen werkten, konden zij in de woning van het uitzendbureau verblijven.

- Misleiding

[slachtoffer 1] werd pas in Nederland geconfronteerd met de kosten voor de arbeidsbemiddeling en de reis naar Nederland. De aangevers was in het vooruitzicht gesteld dat zij voor het werk in Nederland € 6,- per uur betaald zouden krijgen. Aan de aangevers is echter nooit loon uitbetaald, maar enkel minimale voorschotten voor boodschappen. Daarnaast was beloofd dat [persoon 10] niet zou hoeven werken, wat na aankomst in Nederland anders bleek te zijn. Ook moesten toen de kosten voor de arbeidsbemiddeling, de reis naar Nederland en de huisvesting voor haar worden betaald, terwijl daarover eerder niet was gesproken. De aangevers was beloofd dat voor hen sofinummers, arbeidscontracten en bankpasjes geregeld zouden worden, hetgeen niet is gebeurd. De aangevers was beloofd dat zij in Nederland in een woning onder normale omstandigheden konden wonen. In werkelijkheid kwamen zij terecht in een woning die zij met vele anderen moesten delen, en waar zij bij elkaar in een ruimte op matrassen op de grond sliepen. Met de aangevers was ook voorafgaand aan de komst naar Nederland niet gesproken over de kosten voor de huisvesting. In Nederland werden zij pas met deze kosten geconfronteerd. Aan [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] was bovendien een eigen woning in het vooruitzicht gesteld, terwijl daar nooit iets van terecht is gekomen. De aangevers kenden [medeverdachte 1] al langere tijd en zij vertrouwden hem om die reden.

- Dreigen met een andere feitelijkheid

[medeverdachte 1] heeft de aangevers gedreigd met het terugsturen naar Bulgarije, en daarmee verlies van hun werk, als zij niet voldeden aan de eisen of de werk- of leefomstandigheden aan de kaak stelden.

- Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht

[medeverdachte 1] was degene die de aangevers aan werk en huisvesting door tussenkomst van het uitzendbureau van [medeverdachte 2] in Nederland hielp. [medeverdachte 1] woonde al langere tijd in Nederland en was bekend met [medeverdachte 2] en het werk in de komkommerkas van [verdachte] . Hij was ook degene die het vervoer naar Nederland kon realiseren. [medeverdachte 1] hield voor [medeverdachte 2] toezicht in de kas en gaf door of er de volgende dag gewerkt moest worden. Hij bepaalde of er een vrije dag opgenomen mocht worden. In tegenstelling tot de aangevers had [medeverdachte 1] wel de beschikking over geld, een sofinummer en een bankrekening en ontving hij ook betalingen van [medeverdachte 2] . Gelet op de omstandigheid dat het gezin op 1 maart 2016 door hem uit de woning was gezet, had [medeverdachte 1] zelf enige mate van feitelijke zeggenschap over wie er in de woning mocht verblijven en in de kas mocht werken. Deze zeggenschap blijkt ook uit de verklaringen van de aangevers dat [medeverdachte 1] dreigde met het terugsturen naar Bulgarije. Er was aldus sprake van een zekere gezagsverhouding van hem jegens de werknemers.

6.2.3.3. (Oogmerk van) uitbuiting

Ten aanzien van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] geldt dat zij er doelbewust voor hebben gezorgd dat de aangevers in Nederland tewerk werden gesteld, om daar zelf voordeel van te genieten. De aangevers werd werk en een woning in Nederland in het vooruitzicht gesteld, waar zij gedrongen door hun benarde (financiële) situatie in hun thuisland voor kozen. In Nederland verkeerden de aangevers in een situatie die niet gelijk was aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. Gelet op hetgeen de aangevers hebben verklaard over de werktijden, de aard van de werkzaamheden en het beloofde uurloon, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesproken van buitenproportioneel zware of onveilige werkomstandigheden of een onevenredige lage betaling. Het overeengekomen loon werd echter alleen bij wijze van een (gering) voorschot uitbetaald en de aangevers werd voorgehouden dat het loon later alsnog zou worden uitbetaald. Arbeidsovereenkomsten waren niet opgesteld, de aangevers beschikten niet over sofinummers en zij werden niet behoorlijk gehuisvest. In Nederland werden zij geconfronteerd met kosten waarover eerder niet met hen was gesproken, welke kosten van het voorgehouden loon zouden worden afgetrokken. Ook werden minderjarigen aan het werk gezet. De aangevers hadden geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze dan de situatie te ondergaan. Voor het werk en de woning in Nederland waren zij immers afhankelijk van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en zij leefden in een sociaal en financieel isolement. Als zij zich aan de situatie zouden onttrekken of tegen de misstanden opkwamen, restte hen terugkeer naar een perspectiefloze situatie in Bulgarije. Door zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] werd daarvan geprofiteerd. Er werd gewerkt en niet betaald, er werd per dag aan doorberekende woonlasten meer verdiend dan maandelijks was verschuldigd, er werden loonuren ingehouden, de huisvesting was door overbewoning ver beneden peil en er was niet enige vorm van privacy.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het hiervoor overwogene niet alleen dat de aangevers in een uitbuitingssituatie hebben verkeerd, maar ook dat het oogmerk van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is geweest om de aangevers in die situatie te brengen en te houden en voorts dat hun opzet erop was gericht zichzelf door die uitbuiting te bevoordelen. De handelwijze van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] levert gezien de aard van die handelingen uitbuiting op.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of ook [verdachte] met het oogmerk van uitbuiting heeft gehandeld of dat hij heeft gehandeld in een situatie waarin uitbuiting door hem moest worden verondersteld.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] , vanuit zijn positie als eigenaar van [bedrijf 2] B.V. die zijn werknemers inleende via het uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V., het een en ander aan te rekenen valt ten aanzien van de geldende normen omtrent goed werkgeverschap (inlenerschap).

Allereerst kon van [verdachte] verwacht worden dat hij zijn bedenkingen had bij de deugdelijkheid van het uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V. [verdachte] had al eerder, in 2015, personeel ingehuurd via [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] trad toen op als leidinggevende van het uitzendbureau [bedrijf 1] B.V. In 2016 had [medeverdachte 2] [verdachte] opnieuw aangeboden personeel te leveren. Volgens [verdachte] was [bedrijf 1] B.V. failliet gegaan en daarom verhuurde [medeverdachte 2] in 2016 personeel via uitzendbureau [naam uitzendbureau] B.V. Voorts is gebleken dat [naam uitzendbureau] B.V. niet beschikte over de benodigde documenten. Volgens artikel 55 van de CAO glastuinbouw is de werkgever die gebruik maakt van uitzendarbeid verplicht om te controleren of het uitzendbureau beschikt over een geldig NEN 4400-1 of NEN 4400-2 certificaat dat is afgegeven door de Stichting Normering Arbeid. [verdachte] heeft hiertoe een eerste aanzet gedaan door te vragen naar het NEN-certificaat. [medeverdachte 2] had daarop geantwoord dat hiervoor een aanvraag was ingediend, maar dat deze nog niet was verstrekt. [verdachte] heeft het daarbij gelaten en kennelijk geen verdere navraag gedaan.

Ondanks dat [verdachte] zijn bedenkingen had moeten hebben vanwege het faillissement van [bedrijf 1] B.V. en het feit dat de benodigde documenten niet verstrekt konden worden, is [verdachte] wel een uitleenovereenkomst aangegaan met [naam uitzendbureau] B.V.

Daarnaast had [verdachte] zich er van bewust moeten zijn dat de arbeidskrachten die hij via [naam uitzendbureau] B.V. inhuurde zich in een kwetsbare en afhankelijke positie bevonden. Middels de identificatiebewijzen die [verdachte] onder ogen had gekregen, wist hij of kon hij weten dat de door hem ingehuurde arbeidskrachten allemaal afkomstig waren uit Bulgarije. Zij spraken allen in het geheel geen Nederlands. Tijdens het werk in de kas namen zij, in zijn eigen woorden, een ‘onderdanige houding’ ten aanzien van hem aan. Omdat [verdachte] zijn woning onderverhuurde aan het uitzendbureau, had hij redelijkerwijs kunnen weten dat de arbeidskrachten werden gehuisvest door het uitzendbureau en dat zij voor hun huisvesting in Nederland dus afhankelijk waren van hun werk en omgekeerd.

De rechtbank is van oordeel dat voor [verdachte] voldoende duidelijk moest zijn dat er onder deze omstandigheden sprake was van een vruchtbare bodem voor arbeidsuitbuiting. Hij huurde arbeidskrachten, die zich in een kwetsbare en afhankelijke positie bevonden, in via een uitzendbureau waarvan aan de deugdelijkheid en mogelijk ook liquiditeit kon en moest worden getwijfeld. Bovendien is algemeen bekend dat de land- en tuinbouw een risicosector voor mensenhandel is, zeker voor zover het betreft uitzendbureaus die failliet gaan en waarvan de eigenaren dan wel feitelijk leidinggevenden weer met een nieuw bureau opduiken. Het was de zorgplicht van [verdachte] om zich ervan te verzekeren dat er in dit geval geen sprake was van een uitbuitingssituatie.

[verdachte] heeft niet onderzocht of de arbeidskrachten zich reeds hadden ingeschreven bij een gemeente en of zij de beschikking hadden over een sofinummer. Ook heeft [verdachte] kennelijk niet goed gecontroleerd wie er bij hem aan het werk gingen, nu hij bij het kopiëren van de identiteitsbewijzen kennelijk over het hoofd heeft gezien dat er ook een 14-jarig meisje bij hem aan het werk was. [verdachte] is daarnaast nooit in de woning aan de [adres] gaan kijken, terwijl hij deze woning onderverhuurde aan het uitzendbureau en, mede vanwege de omstandigheid dat de woning zich in de nabije omgeving van de kas bevond, kon vermoeden dat de werknemers daar allemaal werden gehuisvest.

[verdachte] heeft niet gecontroleerd of de medewerkers voor de weken 1 tot en met 7 van het jaar 2016 loon hadden ontvangen nu hij ter zake nog geen facturen had ontvangen. Hoewel de uitbetaling aan de arbeidskrachten primair een taak van het uitzendbureau was, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] hier ook een verantwoordelijkheid had, zeker gezien de sector waarin hij actief is. Uit de verklaringen van [verdachte] en zijn boekhouder en uit het feit dat er zich geen facturen in het dossier bevinden, volgt namelijk dat [verdachte] vermoedelijk in het jaar 2016 nog geen facturen van [naam uitzendbureau] B.V. had ontvangen en betaald. De rechtbank betrekt daarbij de verklaring van [verdachte] dat hij mogelijk achterliep met zijn administratie vanwege de nieuwe start in 2016, en gaat er niet vanuit dat hij bewust niet betaalde om te besparen op personeelskosten.

Door te stellen dat hij uitsluitend verantwoordelijk was voor de werknemers op de werkvloer en zich er niet van te verzekeren dat er geen sprake was van een mogelijke uitbuitingssituatie, heeft [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met de in de samenleving bestaande ideeën omtrent goed werkgeverschap en inlenerschap, hetgeen hem kan worden aangerekend. Hoewel het handelen van [verdachte] maatschappelijk ongewenst geacht wordt, betekent dit echter nog niet automatisch dat [verdachte] ook het oogmerk op de uitbuiting van de aangevers had.

De rechtbank wil benadrukken dat het niet zo is dat in een geval als onderhavige, waarbij een werkgever personeel inleent via een uitzendbureau, er - zeker bij het voortduren van de genoemde omstandigheden - geen moment kan ontstaan dat de betreffende inlener het verwijt treft dat het niet anders kan zijn dan dat hij het oogmerk van uitbuiting had bij de feitelijke tewerkstelling van die werknemer. In deze zaak kan echter - aan de hand van de hiervoor beschreven rechtspraak van de Hoge Raad uit 2009 - nog niet tot die gevolgtrekking worden gekomen.

Gelet op de relatief korte periode waarin de aangevers in de kas van [verdachte] werkzaam zijn geweest - ongeveer een maand - is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] nog niet verweten kan worden dat hij zich door zich niet te bekommeren omtrent de vraag of de aangevers (en hun collega’s) in een uitbuitingssituatie hebben verkeerd, zijn oogmerk bestond om de aangevers in die situatie te brengen en te houden en voorts dat zijn opzet (ook in voorwaardelijke zin) erop was gericht zichzelf uit die uitbuiting te bevoordelen.

6.2.3.4. Conclusie

Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank niet bewezen acht dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het in artikel 273f, eerste lid, sub 1, 4 en 6 Sr bepaalde.

Hij heeft niet gehandeld met het oogmerk van uitbuiting of in een situatie waarin uitbuiting kon worden verondersteld. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde niet bewezen. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partijen zullen in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan [verdachte] geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing, waarbij [verdachte] hierna als ‘verdachte’ wordt aangeduid.

 Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

 De benadeelde partijen worden in de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.V. Essenburg, voorzitter,

mrs. E.M.M. Gabel en C. Klomp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 maart 2019.

[bijlagetekst]

  • -

    [bijlagetekst]

  • -

    [bijlagetekst]

  • -

    [bijlagetekst]

  • -

    [bijlagetekst]

  • -

    [bijlagetekst]

  • -

    [bijlagetekst]

  • -

    [bijlagetekst]

  • -

    [bijlagetekst]

1 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099.

2 HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554.

3 HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2467.