Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1576

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
13/665019-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van een gewapende overval op een waardetransport, afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving, brandstichting en vernieling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665019-17 (Promis)

Datum uitspraak: 7 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28, 29 en 30 januari 2019 en 7 maart 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F. Heus, en hetgeen de raadsman van verdachte, mr. S. Ettalhaoui, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Onder feit 1 is primair aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een gewapende overval op een waardetransport en/of afpersing. Subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan heling van de buit.

Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke vrijheidsberoving van de bijrijder van het waardetransport.

Onder feit 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting door de bestelbus waarmee het waardetransport werd uitgevoerd in brand te steken.

Onder feit 4 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan vernieling van de bestelbus waarmee het waardetransport werd uitgevoerd.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig haar overgelegde schriftelijk requisitoir – op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en afpersing (feit 1, primair), opzettelijke vrijheidsberoving (feit 2, primair), opzettelijke brandstichting (feit 3, primair) en vernieling (feit 4, primair). De officier van justitie heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Verdachte was op de dag van de overval de chauffeur van het waardetransport. Hij heeft de noodknop niet gebruikt en daarover wisselende verklaringen afgelegd. Het waardetransport vond plaats in een niet als zodanig herkenbare bestelbus, zodat de overvallers op een andere manier moeten hebben geweten dat de bestelbus een waardetransport uitvoerde en dat het waardetransport op de Amstelveensweg reed. In dat verband is van belang dat verdachte vlak voor de overval besliste om van de gebruikelijke route af te wijken naar de Amstelveenseweg en dat hij – kort voordat hij afsloeg – telefonisch contact heeft gehad met zijn broer, [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Op basis van de telefoongegevens van [medeverdachte 1] is te zien dat [medeverdachte 1] voor en tijdens de overval meermalen telefonisch contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en dat hun telefoons op die momenten in de buurt van het waardetransport uitpeilden. Op het later aangetroffen deel van de buit zijn dactyloscopische sporen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangetroffen. Ook is er bij [medeverdachte 2] een USB-stick aangetroffen met daarop foto’s van sieraden die zeer vermoedelijk zijn buitgemaakt bij de overval en zijn er bij de medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) zes horloges aangetroffen waarvan is vastgesteld dat deze bij de overval zijn buitgemaakt. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij deze horloges voor [medeverdachte 2] bewaarde. Deze feiten en omstandigheden zijn zodanig bezwarend, dat van verdachte een verklaring mag worden verlangd. Verdachte heeft echter geen antwoord willen geven op vragen en geen verklaring gegeven voor de hiervoor beschreven omstandigheden. Daarmee kan het zwijgen van verdachte bijdragen aan de bewijskracht van de overige bewijsmiddelen. Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten worden bewezen, aldus de officier van justitie. Verdachte kan daarbij als medepleger worden aangemerkt, nu hij niet alleen een intellectuele bijdrage heeft geleverd, maar ook een materiële bijdrage. Zo heeft hij de overval vooraf besproken, onderhield hij tijdens de rit contact met [medeverdachte 1] , zorgde hij ervoor dat de bestelbus langs de plek reed waar de overvaller klaarstond en zorgde hij ervoor dat het raam openstond zodat de overvaller zijn arm naar binnen kon steken. Door de noodknop niet in te drukken heeft hij er voorts voor gezorgd dat er voldoende tijd was om – nadat hij de laadruimte had opengemaakt – de bestelbus leeg te halen.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld – overeenkomstig zijn overgelegde schriftelijke pleitnota – dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft daartoe – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Verdachte wist niet dat er op 15 december 2016 een overval zou plaatsvinden. Uit het dossier volgt niet dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte een actieve of passieve bijdrage heeft geleverd voor of tijdens de overval, zodat verdachte evenminals medeplichtige kan worden aangemerkt. Uit het dossier blijkt niet dat er sprake was van een route die verdachte van zijn werkgever moest rijden en waarvan hij dus is afgeweken. Hij heeft zelf de route bepaald. Vanwege drukte op de weg is hij afgeslagen naar de Amstelveenseweg. Verdachte wordt verweten dat hij de noodknop niet heeft ingedrukt, maar uit het dossier is gebleken dat de noodknop helemaal niet werkte. Verdachte wordt ook verweten dat hij de overvaller de gelegenheid heeft verschaft om een arm naar binnen te steken doordat de ramen openstonden, maar de ramen stonden enkel open omdat hij en de bijrijder aan het roken waren. Er is verder niets op mobiele telefoons, laptops en schriftelijke bescheiden aangetroffen waaruit enige betrokkenheid van verdachte blijkt. Ook zijn er op de later aangetroffen buit geen dactyloscopische sporen van verdachte aangetroffen. Kortom, verdachte is geen dader maar slachtoffer, aldus de raadsman.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.1 De bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens slechts gebruikt voor het bewijs van dat feit of die feiten waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

Op 15 december 2016 omstreeks 19.20 uur kwam er bij de politie een melding binnen om te gaan naar de Riekerweg in Amsterdam, omdat er een bestelauto in brand stond. De ter plaatse gekomen verbalisanten zagen dat de vlammen tot circa drie meter hoog boven de bestelauto uitkwamen. De verbalisanten zagen op 40 meter afstand van de brandende bestelauto twee mannen staan. Dat waren [naam collega] en verdachte te zijn. Zij verklaarden dat de bestelauto van hen was en dat ze waren overvallen. De verbalisanten zagen dat [naam collega] emotioneel was en dat hij rode ogen had. Ze hoorden [naam collega] stotteren. Later bleek dat [naam collega] in zijn broek had geplast.2

Op het moment dat een tweede politie-eenheid ter plaatse kwam, was de bestelbus volledig uitgebrand. Op ongeveer een meter afstand van de bestelbus lag een jerrycan op de grond. De geur van benzine was nog te ruiken.3

De bestelbus stond op naam van W&S Security. De bestelbus is total loss verklaard.4

Namens Richemont Luxery Group (hierna: RLG) is aangifte gedaan. RLG is een distributiecentrum van luxe goederen zoals juwelen, horloges en schrijfgerei van merken van het hogere segment (te weten o.a. Cartier en Van Cleef & Arpels).

Op 15 december 2016 is er een beveiligd transport georganiseerd vanaf de Herengracht te Amsterdam naar het TNT Express depot op Schiphol. Op die dag waren in totaal 388 zendingen opgehaald. Daarvan zijn 170 zendingen teruggevonden. De overige, te weten 218 zendingen, zijn niet teruggevonden. De totaalwaarde hiervan bedraagt € 288.935,17.5

[naam collega] heeft later die avond aangifte gedaan. In zijn aangifte heeft hij verklaard dat dit de eerste keer was dat hij deze rit heeft gedaan. Hij is niet bekend in Amsterdam en hij was ook niet bekend met de werkwijze van deze rit. Hij was die dag vrij, maar werd omstreeks 11:00 uur gebeld door zijn werkgever W&S safety.nl met de vraag of hij vandaag een rit zou kunnen doen. Zijn collega (de rechtbank leest: verdachte) wist de werkwijze en de route en dus zou het geen probleem zijn dat hij de rit nooit eerder had gedaan.

[naam collega] heeft verder verklaard dat hij de bus heeft opgehaald bij zijn werkgever, dat hij de bus heeft afgetankt en dat hij vervolgens naar TNT is gereden, alwaar [verdachte] is ingestapt. Hij kende [verdachte] niet. Vanaf het TNT gebouw is hij naar Cartier in Amsterdam gereden. [verdachte] is naar binnen gegaan en kwam weer naar buiten met een pakketje. Vervolgens zijn ze verder gereden naar de volgende locatie. [naam collega] bestuurde nog steeds de bus.

Ergens bij een gracht zijn ze gewisseld, omdat [verdachte] de route wist. Ze zijn naar ROG (de rechtbank begrijpt: RLG) gereden. Ze kregen daar de vracht. Vanaf daar reden ze terug in de richting van de eindbestemming TNT op Schiphol-Rijk. Het was erg druk op de weg, daarom reden ze erg langzaam. [naam collega] en verdachte waren een sigaretje aan het roken in de auto en hadden daarom de ramen opengedaan. De deuren konden niet van buiten worden geopend. Uit het niets stond er iemand naast de bus die iets in de zij van [naam collega] drukte. Het was iets zwarts. [naam collega] hoorde dat deze persoon riep dat hij de deur open moest doen. Nadat [naam collega] de deur had opengedaan, is die persoon naast hem in de bus komen zitten. [naam collega] moest opschuiven en zijn hoofd tussen zijn knieën doen. [naam collega] hoorde dat de persoon aanwijzingen gaf aan verdachte over de richting die hij op moest rijden. Opeens werd de bus tot stilstand gebracht. [naam collega] hoorde dat er andere voertuigen aan kwamen rijden. [naam collega] hoorde de persoon in de bus zeggen dat hij en [verdachte] hun hoofden tussen hun knieën moesten houden, anders zou hij hun schieten. [naam collega] voelde dat er nog steeds iets hards in zijn zij drukte. [naam collega] hoorde dat de onbekende persoon riep dat ze snel de laadruimte moesten openmaken, waarna verdachte de knop indrukte waarmee de laadruimte en de achterdeuren werden geopend. [naam collega] hoorde vervolgens veel lawaai en hij voelde de bus schudden. Hij schat dat er vier à vijf personen in de laadruimte waren gestapt. Dit duurde ongeveer tien minuten. [naam collega] hoorde vervolgens dat er werd geroepen: “Steek hem in de fik, steek hem in de fik”. De onbekende persoon is toen uitgestapt. [naam collega] en verdachte moesten vervolgens hun mobiele telefoons bij deze persoon inleveren, waarna hun mobiele telefoons door de onbekende persoon zijn meegenomen. [naam collega] hoorde vervolgens dat de voertuigen wegreden. [naam collega] en verdachte zijn vervolgens uitgestapt, waarna ze naar de achterzijde van de bus zijn gelopen. Ze zagen toen dat er brand in de bus was.6

Tussenconclusie rechtbank:

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat op 15 december 2016 een waardetransport van het beveiligingsbedrijf W&S Security in Amsterdam door meerdere personen is overvallen. Het waardetransport vervoerde op dat moment 388 pakketten met daarin luxegoederen, zoals waardevolle horloges, sieraden en pennen. In totaal zijn er 218 pakketten weggenomen, met een totaalwaarde van € 288.935,17.

Door de daders van de overval is tegen [naam collega] gedreigd met geweld. Ook is er sprake geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [naam collega] .

De rechtbank merkt in dat verband op dat [naam collega] wisselende verklaringen heeft afgelegd over het moment waarop hij en verdachte hun telefoons moesten afgeven en over waar zij zich bevonden toen de overvallers wegreden (binnen of buiten de bestelbus).

De rechtbank merkt voorts op dat uit de telefoongegevens van [naam collega] is gebleken dat hij tijdens de overval een inkomend gesprek heeft ontvangen van drie minuten. Het Openbaar Ministerie heeft naar dit telefoontje geen onderzoek gedaan. Verder heeft [naam collega] heeft verklaard dat verdachte niet aan het bellen was in de bestelbus, terwijl uit het onderzoek is gebleken dat verdachte wel degelijk heeft gebeld.

Alhoewel deze omstandigheden enigszins verwonderlijk zijn, roepen deze omstandigheden bij de rechtbank niet zoveel vragen op dat zij om die reden twijfelt aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam collega] . De rechtbank neemt in haar overweging mee dat [naam collega] op het allerlaatste moment – te weten slechts een paar uur van te voren – is ingedeeld op desbetreffende transportopdracht. Hij was eigenlijk vrij die dag. Daar komt bij dat [naam collega] nog nooit eerder een rit voor RLG had gereden en hij niet bekend was in Amsterdam. Bovendien kenden [naam collega] en verdachte elkaar vóór 15 december 2016 niet en is ook niet gebleken dat [naam collega] banden heeft met andere medeverdachten. Voorts is op generlei wijze gebleken dat [naam collega] na 15 december 2016 in contact is geweest met de buit dan wel op enige wijze aan de buit is te linken. De rechtbank wordt gesterkt in haar overtuiging dat [naam collega] niet bij de overval betrokken was door de waarneming van de eerste ter plaatse gekomen verbalisanten dat [naam collega] emotioneel was, rode ogen had, stotterde en in zijn broek had geplast. Voor wat betreft het moment dat [naam collega] de telefoon moest afgeven en er in de laadruimte van de bestelauto brand was gesticht, gaat de rechtbank uit van zijn verklaring bij de politie, nu hij deze verklaring slechts een paar uur na de overval heeft afgelegd. Het is immers voorstelbaar dat [naam collega] – als hij 2,5 jaar later door de rechter-commissaris wordt gehoord – op dit punt anders verklaart.

Het verweer van de verdediging dienaangaande, wordt verworpen.

Aangetroffen deel van de buit - vingerafdrukken

Een deel van de buit is op 5 januari 2017 in Amsterdam aangetroffen in de woning van medeverdachte [medeverdachte 4] . Verbalisanten stuitten hierop, nadat zij de woning van [medeverdachte 4] betraden naar aanleiding van een melding van een geweldsincident. In de woning lagen onder meer lege Cartier dozen, echtheidscertificaten, paklijsten, RLG enveloppen en vijf dozen met pennen van Montblanc.7

De buit is onderzocht op forensische sporen. Daarbij zijn meerdere dactyloscopische sporen aangetroffen van diverse personen, waaronder van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Van [medeverdachte 1] zijn dactyloscopische sporen aangetroffen op een papier met lakzegel, een doos van “Cartier”, een stuk karton en een witte doos.

Van [medeverdachte 2] zijn dactyloscopische sporen aangetroffen op de scheurranden van zakjes van “Cartier” en op postkratten, luchtkussentjes, een vuilniszak, stroken papier en op een stuk transparant plastic van een kartonnen doos.8

Op 29 maart 2017 zijn in de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] , in een wasmand, zes horloges aangetroffen.9 Uit een door RLG verschafte lijst van weggenomen goederen bleek dat de horloges als gestolen staan vermeld.10

Door [medeverdachte 3] is verklaard dat hij deze horloges op verzoek van [medeverdachte 2] bij een persoon in Weesp heeft opgehaald en dat vervolgens in zijn wasmand heeft verstopt.11

Telefoonnummers * [nummer] en * [nummer]

Door de politie is onderzoek gedaan naar bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in gebruik zijnde telefoonnummers. Op basis daarvan zijn ten aanzien van het nummer * [nummer] de volgende bevindingen gedaan:

- Het telefoonnummer eindigend op * [nummer] peilde ’s morgens en ’s avonds regelmatig uit op de verkeersmasten Slotermeerlaan en Nolenstraat. Deze verkeersmasten staan in de nabijheid van de woning van [medeverdachte 1] ;12

- Andere telefoonnummers van [medeverdachte 1] peilen ook uit op verkeersmasten Slotermeerlaan en Nolenstraat.13 Deze telefoonnummers hebben overeenkomende contacten met het telefoonnummer eindigend op * [nummer] ;14

- De vriendin van [medeverdachte 1] – [naam vriendin] – heeft tot en met 14 december 2016 veelvuldig contact met het nummer eindigend op * [nummer] ;

- Uit de woning van medeverdachte [medeverdachte 3] is een mobiele telefoon en een simkaart in beslag genomen, waarin onder de naam “ [medeverdachte 1] ” het telefoonnummer eindigend op * [nummer] en het telefoonnummer + [nummer] zijn opgeslagen. Dit laatstgenoemde telefoonnummer is opgeslagen in een telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 5] onder de naam “ [medeverdachte 1] ”;15

- Het telefoonnummer eindigend op * [nummer] staat onder de naam “ [medeverdachte 1] ” in de telefoon die in de woning van verdachte en [medeverdachte 1] in beslag is genomen. Deze telefoon is vermoedelijk in gebruik bij hun broer [naam broer] .16

Ten aanzien van het nummer * [nummer] zijn door de politie de volgende bevindingen gedaan:

- Het telefoonnummer eindigend op * [nummer] staat op naam van de moeder van [medeverdachte 2] .17

- Het telefoonnummer * [nummer] staat onder de naam “ [medeverdachte 2] ” in de huistelefoon van zijn ouderlijk huis.18

- Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij er voor 99% zeker van is dat het nummer * [nummer] van [medeverdachte 2] is.19

- In een telefoon die uit de woning van [medeverdachte 1] en verdachte in beslag is genomen staat in de contactenlijst bij het nummer * [nummer] “ [medeverdachte 2] niffo”. Deze telefoon is vermoedelijk van verdachte. [medeverdachte 2] is een neef van verdachte.20

Tussenconclusie rechtbank:

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het voorgaande met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de telefoonnummers * [nummer] en * [nummer] in gebruik waren bij respectievelijk [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .

Het is denkbaar dat een mobiele telefoon door meerdere personen wordt gebruikt. Met het enkele bestaan van die mogelijkheid is evenwel niet gegeven dat die mogelijkheid zich daadwerkelijk heeft gerealiseerd. Dat deze nummers op 15 december 2016 door andere personen zijn gebruikt, is niet aannemelijk geworden.

Het telefoonnummer * [nummer]

Door verbalisanten is onderzoek verricht naar historisch gegevens van de door verdachte – de chauffeur van het waardetransport – opgegeven telefoonnummers eindigend op * [nummer] en * [nummer] . Daarbij hebben verbalisanten geconstateerd dat het nummer * [nummer] tot en met 27 oktober 2016 is gebruikt en dat het toestel waarin dit nummer is gebruikt, op 15 december 2016 was voorzien van het nummer * [nummer] . Uit de historische gegevens van * [nummer] en * [nummer] is gebleken dat deze telefoonnummers met dezelfde telefoonnummers contact hebben gehad.21 Bovendien is op de camerabeelden van RLG te zien dat verdachte op 15 december 2016 om 17.34 uur belt22 en uit de historische gegevens blijkt dat * [nummer] op dat moment belt met * [nummer] . 23

Tussenconclusie rechtbank:

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat kan worden vastgesteld dat het nummer * [nummer] in gebruik is bij verdachte en dat dit ook het geval was op 15 december 2016. Dit is door de verdediging ook niet betwist.

De route van het waardetransport – de telefoonnummers * [nummer] en * [nummer]

Op basis van de GPS-coördinaten van het waardetransport is onderzoek gedaan naar de route die het waardetransport op 15 december 2016 heeft gereden. Op basis daarvan is door verbalisanten vastgesteld dat het waardetransport omstreeks 15.30 uur is aangekomen in de P.C. Hooftstraat te Amsterdam. Tussen 16.30 uur en 17.45 uur reed het waardetransport in de omgeving van de Herengracht / Keizersgracht. Omstreeks 18.13 uur heeft het waardetransport stilgestaan op de Amstelveenseweg ter hoogte van het Vondelpark. Vervolgens is het waardetransport via de Zeilstraat en Hoofddorpplein in de richting van de Riekerweg gereden. Omstreeks 18.30 uur peilde het waardetransport uit op de Riekerweg.24

Door de politie is vervolgens tussen 10 en 13 juli 2017 een dynamische netwerkmeting uitgevoerd op de route die het waardetransport heeft gereden van de Amstelveenseweg naar de Riekerweg. In deze meting heeft de telecomspecialist is geen relevante afwijkingen geconstateerd. 25

Door verbalisanten is het volgende in kaart gebracht ten aanzien van de telefoonnummers * [nummer] en * [nummer] :

16:33 waarde transport [adres 1] bij RLG

16:38 * [nummer] ( [adres 2] ) belt uit met * [nummer] (geen mastlocatie)

16:43 * [nummer] ( [adres 3] ) belt uit met ONBEKEND geen contact

16:54 * [nummer] ( [adres 3] ) belt uit naar * [nummer] (geen mastlocatie)

17:10 * [nummer] ( [adres 3] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 2] )

17:13 * [nummer] ( [adres 3] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 4] )

17:24 * [nummer] ( [adres 3] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 5] )

17:34 * [nummer] ( [adres 3] ) belt uit naar * [nummer] (geen mastlocatie)

17:34 * [nummer] ( [adres 5] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 3] )

17:45 waarde transport [adres 6]

17:45 * [nummer] ( [adres 3] ) belt uit met * [nummer] (Slotermeerlaan)

17:52 waarde transport [adres 7]

17:52 * [nummer] ( [adres 3] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 8] )

17:56 waarde transport [adres 9]

17:58 waarde transport [adres 10]

18:01 * [nummer] ( [adres 3] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 3] )

18:03 waarde transport [adres 11]

18:04 * [nummer] ( [adres 12] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 13] )

18:07 waarde transport [adres 14]

18:07 * [nummer] ( [adres 12] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 13] )

18:08 waarde transport [adres 14]

18:13 waarde transport [adres 15]

18:14 * [nummer] ( [adres 12] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 16] )

18:15 * [nummer] ( [adres 12] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 16] )

18:18 waarde transport 3 [adres 17]

18:22 * [nummer] ( [adres 18] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 19] )

18:23 waarde transport [adres 20]

18:26 waarde transport [adres 21]

18:26 * [nummer] ( [adres 22] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 23] )

18:27 * [nummer] (Anthony Fokkerweg) belt uit met * [nummer] (Anthony Fokkerweg)

18:27 waarde transport [adres 24]

18:28 waarde transport [adres 25]

18:28 * [nummer] ( [adres 22] ) belt uit met * [nummer] (onbekende mastlocatie) geen contact

18:29 waarde transport Jaagpad

18:29 * [nummer] ( [adres 26] ) belt uit met ** [nummer] (onbekende mastlocatie)

geen contact

18:30 waarde transport [adres 27]

18:30 * [nummer] ( [adres 22] ) belt uit met * [nummer] (onbekende mastlocatie) geen contact

18:31 waarde transport [adres 28]

18:41 * [nummer] (onbekende mastlocatie) stuurt sms naar * [nummer] ( [adres 29] )

18:43 * [nummer] ( [adres 29] ) belt uit met * [nummer] ( [adres 13] ).26

Het nummer * [nummer] is op 15 december 2016 te 19.11 uur voor het laatst in gebruik geweest.27

Tussenconclusie:

Op basis van de historische gegevens kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] (met nummer * [nummer] ) en [medeverdachte 2] (met nummer * [nummer] ) vlak vóór en tijdens de overval meermalen met elkaar telefonisch contact met elkaar hebben gehad.

Ook kan worden vastgesteld dat er tussen 17.24 uur en 18.01 uur vier maal contact is geweest tussen [medeverdachte 1] en verdachte. Het waardetransport bevond zich tijdens de eerste drie contacten op het terrein van RLG. Tijdens het vierde contact om 18.01 uur reed het waardetransport op de Overtoom. Dit betreft een uitgaande oproep van verdachte naar [medeverdachte 1] .

Verder kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] (met telefoonnummer * [nummer] ) en [medeverdachte 2] met nummer (* [nummer] ) vanaf 18.04 uur met hun telefoons telkens een zendmast in hetzelfde celgebied hebben aangestraald als waar het waardetransport zich op dat moment bevond. Dit geldt ook op het moment dat het waardetransport om 18.30 uur tot stilstand is gekomen op de Riekerweg. [medeverdachte 1] heeft immers met zijn telefoonnummer om 18.27 uur de zendmast aan de Anthony Fokkerweg aangestraald. De Riekerweg bevindt zich in het celgebied van deze zendmast. Vanaf in ieder geval 18.41 uur bewegen de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich van de Riekerweg vandaan en stralen hun telefoons zendmasten aan die in een ander celgebied liggen dan het celgebied waar de Riekerweg in ligt. Dit past bij de verklaring van [naam collega] dat het leeghalen van de bestelbus ongeveer tien minuten heeft geduurd.

Naar het oordeel van de rechtbank geven deze bevindingen voldoende indicaties dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vanaf 18.04 uur met het waardetransport zijn meebewogen in de richting van de Riekerweg, dat zij zich in de omgeving van de Riekerweg hebben bevonden toen het waardetransport op de Riekerweg stond, en zij na ongeveer tien minuten vanuit de richting van de Riekerweg zijn weggegaan.

De rechtbank acht deze telecomgegevens voldoende betrouwbaar. In de netwerkmeting Amstelveenseweg – Riekerweg zijn geen relevante afwijkingen geconstateerd, die er voor zouden kunnen zorgen dat een toestel verbonden is met een andere dan de sterkste cel. Wel neemt de rechtbank hierbij in ogenschouw dat een exacte locatie van de telefoon niet kan worden vastgesteld. De maximale nauwkeurigheid van locatiebepaling is immers de grootte van het celgebied. Ook omliggende straten worden bediend door dezelfde zendmasten. Om die reden moet de vraag naar de bewijsbetekenis van het aanstralen van zendmasten niet slechts op zichzelf maar in het licht van andere onderzoeksbevindingen worden beantwoord. De rechtbank zal derhalve behoedzaam omgaan met de resultaten van de netwerkmetingen en deze bekijken in het relatie tot de overige feiten en omstandigheden die op basis van het dossier kunnen worden vastgesteld.

Betrokkenheid verdachte?

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte betrokken is geweest bij de overval en of er in zoverre sprake is geweest van een ‘inside job’.

Allereerst is van belang dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte elkaar kennen. [medeverdachte 1] en verdachte zijn broers en [medeverdachte 2] is een neef van hen.28

Voorts is van belang dat het waardetransport niet als zodanig herkenbaar was29, zodat de vraag rijst hoe de overvaller wist dat de bestelbus die op de Amstelveenseweg stil stond, een waardetransport betrof en kort daarvoor was volgeladen met waardevolle goederen. Dat deze informatie door verdachte is doorgegeven, blijkt uit het volgende.

Het was de beslissing van verdachte om over de Amstelveenseweg te rijden. Hij bestuurde op dat moment de bestelbus. Op de Overtoom heeft hij er op het laatste moment voor gekozen om af te slaan naar de Amstelveenseweg. Hij heeft verklaard dat hij die keuze heeft gemaakt omdat hij op de route over de Overtoom, richting het Surinameplein, veel auto’s zag staan. het op de Overtoom druk was. Uit GPS-gegevens van de bestelbus blijkt echter dat er op dat moment 50 kilometer per uur werd gereden, terwijl de bestelbus op de Amstelveenseweg juist vanwege de drukte stil kwamen te staan. 30

In dat verband is opvallend dat verdachte op het terrein van RLG drie keer telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 1] en dat hij daarna – toen het waardetransport zich op de Overtoom bevond – nog een keer telefonisch contact heeft gemaakt met [medeverdachte 1] . Kort daarna sloeg verdachte af naar de Amstelveenseweg, alwaar de overvaller klaarstond.

Op het moment dat de overvaller naast de bestelbus verscheen, stond het raam van de bestelbus aan de passagierszijde open. Daarmee is het voor de overvaller mogelijk gemaakt om [naam collega] met een vuurwapen te bedreigen door zijn hand naar binnen te steken. De deuren van de bestelbus konden immers niet van buitenaf geopend worden, zodat het voor het bedreigen van [naam collega] cruciaal was dat de ramen open zouden staan. Uit de aangifte van [naam collega] waarin hij verklaart dat de ramen geopend waren omdat verdachte en hij sigaretten rookten en de ramen al eerder open waren omdat “hij” (de rechtbank begrijpt verdachte) “de hele tijd aan het hoesten was voor frisse lucht”, leidt de rechtbank af dat de ramen vooral op initiatief van verdachte open stonden.31

De rechtbank wordt gesterkt in haar overtuiging dat verdachte bij de overval betrokken is geweest, nu hij bij de politie heeft verklaard dat hij het telefoonnummer * [nummer] niet kent, terwijl op basis van het onderzoek kan worden vastgesteld dat dit nummer bij hem in gebruik was op de dag van de overval. Als verdachte door de politie wordt gevraagd of hij bij het kantoor van RLG nog heeft gebeld dan verklaart hij: “Niet dat ik weet. Weet ik niet.”. Dit is opmerkelijk, omdat verdachte maar liefst drie keer telefonisch contact heeft met verdachte terwijl hij zich bij RLG bevindt.

Tussenconclusie rechtbank:

Alles in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte ‘de inside man’ was en dat mede op basis van de door hem gegeven inlichtingen het voor zijn broer en neef mogelijk was om het waardetransport te overvallen.

De contacten tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn verder redengevend voor het bewijs, omdat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn te linken aan de buit, nu van hen dactyloscopische sporen zijn aangetroffen op het in de woning van medeverdachte [medeverdachte 4] aangetroffen verpakkingsmateriaal behorende bij de buit.

[medeverdachte 2] is ook te linken aan de buit doordat zes bij de overval weggenomen horloges bij [medeverdachte 3] zijn aangetroffen en [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij deze voor [medeverdachte 2] heeft bewaard. De rechtbank acht deze verklaring voldoende betrouwbaar, nu [medeverdachte 3] hiermee ook zichzelf belast.

Bovendien zijn op een USB-stick, die is aangetroffen in de woning waar [medeverdachte 2] verbleef, foto’s van sieraden van Cartier en Van Cleef & Arpels aangetroffen die zeer vermoedelijk deel uitmaken van de buit.32

Tot slot is van belang dat het nummer * [nummer] van [medeverdachte 1] na 15 december 2016 te 19.11 uur niet meer is gebruikt.

Zoals reeds door de rechtbank is vastgesteld bestaan er op grond van de GPS-gegevens van de bestelbus in samenhang met de resultaten van de netwerkmeting en de historische gegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] indicaties dat zij tijdens de overval hebben meebewogen met het waardetransport én, nadat de bestelbus was leeggehaald, van de locatie van de bestelbus wegbewogen. Tegen deze achtergrond dienen de overige feiten en omstandigheden te worden beoordeeld.

De rechtbank komt dan tot het oordeel dat het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, zodanig bezwarend is dat dit schreeuwt om een verklaring van verdachte. Zwijgen is een verdachte toekomend recht, maar geen rechtsregel verzet zich ertegen ook het zwijgen een rol te laten spelen bij de beoordeling van het bewijs. Het zwijgen van de verdachte kan niet op enig moment een zelfstandig bewijsmiddel worden waarmee een leemte in de bewijsvoering van een zwakke zaak kan worden aangevuld. Er dient ten minste significant bewijsmateriaal aanwezig te zijn, wil de rechtbank voor het bewijs redengevende conclusies kunnen trekken uit het stilzwijgen van de verdachte op een punt waarover juist die verdachte opheldering kan geven.

Verdachte heeft zich – vanaf het moment dat hij als verdachte werd aangemerkt – op zijn zwijgrecht beroepen. Hij is niet verschenen bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Nu verdachte er kennelijk telkens bewust en weloverwogen voor heeft gekozen om op vragen geen antwoord te geven, kan het, gelet op alle feiten en omstandigheden, die naar het oordeel van de rechtbank gezamenlijk significant bewijsmateriaal opleveren, niet anders zijn dan dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gewapende overval, wederrechtelijke vrijheidsberoving, brandstichting en vernieling.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden bewezen dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – in ieder geval met z’n drieën – zich schuldig hebben gemaakt aan diefstal met geweld en afpersing (feit 1, primair), wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2), brandstichting (feit 3) en vernieling (feit 4). Daarbij was er sprake van een gezamenlijk plan, waarbij verdachte van te voren met (één van) de daders heeft besproken dat er een waardetransport zou plaatsvinden, op welke dag en tijdstip dit zou plaatsvinden en met welke auto. Bij het inladen van de waardevolle goederen en tijdens de rit hield verdachte telefonisch contact met [medeverdachte 1] . Ook heeft hij ervoor gezorgd dat de bestelbus over de Amstelveenseweg reed, alwaar de overvaller klaar stond en heeft hij ervoor gezorgd dat het raam op dat moment openstond zodat de overvaller een wapen naar binnen kon richten. Nadat de overvaller was ingestapt heeft verdachte ‘het toneelstukje’ meegespeeld en de bestelbus naar de afhaallocatie op de Riekerweg gereden. Onderweg hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met elkaar contact gehouden en zijn zij naar de kennelijk afgesproken plek op de Riekerweg gereden. Op de Riekerweg heeft verdachte de laadbak opengemaakt, waarna de bestelbus is leeggehaald. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan worden vastgesteld dat er sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen in ieder geval verdachte, [medeverdachte 1] en Khaldi, dat van medeplegen kan worden gesproken.

Ten aanzien van de tenlastegelegde brandstichting overweegt de rechtbank in het bijzonder dat door in een laadbak van de bestelbus brand te stichten, terwijl er benzine in de tank van de bestelbus zat, is er een zodanige ontploffingsgevaar ontstaan, dat daardoor levensgevaar voor [naam collega] te duchten was. Uit de verklaring van [naam collega] bij de politie volgt immers dat hij nog in de bestuurderscabine van de bestelbus zat toen in de laadruimte brand werd gesticht. De rechtbank gaat wat betreft dit punt uit van de verklaring van [naam collega] bij de politie, nu hij deze verklaring kort na het incident heeft afgelegd en de verklaring bij de rechter-commissaris pas 2,5 jaar later.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Feit 1

op 15 december 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- 218 zendingen bestaande uit een grote hoeveelheid van horloges en sieraden en andere luxegoederen met een verzekerde waarde van in totaal 288.935,17 euro en

- een mobiele telefoon,

ten dele toebehorende aan Richemont Luxury Group en aan en [naam collega] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen voornoemde [naam collega] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend

- naast de bestelbus zijn gaan staan waarin [naam collega] zich bevond en een hand door het raam van voornoemde bestelbus hebben gestoken en hebben gezegd "open maken nu" en

- een vuurwapen tegen de zij van voornoemde [naam collega] hebben gedrukt en gedrukt gehouden en

- voornoemde [naam collega] de woorden hebben toegevoegd: "Schuiven, Schuiven" en "overval, overval" en dreigend gezegd dat [naam collega] , laag moest blijven en zijn hoofd tussen zijn knieën moest doen en "anders schiet ik jullie", en

vervolgens tegen voornoemde [naam collega] dreigend hebben gezegd dat voornoemde [naam collega] zijn hoofd naar beneden moest houden en

- vervolgens dreigend tegen voornoemde [naam collega] hebben gezegd dat hij de telefoon van voornoemde [naam collega] wilde hebben en heeft geroepen 'Steek hem in de fik, steek hem in de fik', waarna verdachte en zijn mededaders voornoemde bestelbus in brand hebben gestoken en

- vervolgens dreigend tegen voornoemde [naam collega] heeft gezegd "hoofd omlaag" (waarbij) verdachte en/of één van zijn mededaders met een getrokken (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, gericht op voornoemde [naam collega] , achteruit is weggelopen;

en

op 15 december 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door met bedreiging met geweld [naam collega] hebben gedwongen tot de afgifte van

- een mobiele telefoon,

toebehorende aan voornoemde [naam collega] ,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend

- naast de bestelbus zijn gaan staan waarin [naam collega] zich bevond en een hand door het raam van voornoemde bestelbus hebben gestoken en hebben gezegd "open maken nu" en

- een vuurwapen tegen de zij van voornoemde [naam collega] hebben gedrukt en gedrukt gehouden en

- voornoemde [naam collega] de woorden hebben toegevoegd: "Schuiven, Schuiven" en "overval, overval" en dreigend gezegd dat [naam collega] , laag moest blijven en zijn hoofd tussen zijn knieën moest doen en "anders schiet ik jullie", en

- vervolgens tegen voornoemde [naam collega] dreigend hebben gezegd dat voornoemde [naam collega] zijn hoofd naar beneden moest houden en

- vervolgens dreigend tegen voornoemde [naam collega] hebben gezegd dat hij de telefoon van voornoemde [naam collega] wilde hebben en heeft geroepen 'Steek hem in de fik, steek hem in de fik', waarna verdachte en zijn mededaders voornoemde bestelbus in brand hebben gestoken en

- vervolgens dreigend tegen voornoemde [naam collega] heeft gezegd "hoofd omlaag" (waarbij) verdachte en/of één van zijn mededader(s) met een getrokken (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, gericht op voornoemde [naam collega] , achteruit is weggelopen;

Feit 2

op 15 december 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [naam collega] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders,

- naast de bestelbus zijn gaan staan waarin [naam collega] zich bevond en een hand door het raam van voornoemde bestelbus hebben gestoken en hebben gezegd "open maken nu" en

- een vuurwapen tegen de zij van voornoemde [naam collega] hebben gedrukt en gedrukt gehouden en

- voornoemde [naam collega] de woorden hebben toegevoegd: "Schuiven, Schuiven" en "overval, overval" en dreigend gezegd dat [naam collega] , laag moest blijven en zijn hoofd tussen zijn knieën moest doen en "anders schiet ik jullie", en

-vervolgens tegen voornoemde [naam collega] dreigend hebben gezegd dat voornoemde [naam collega] zijn hoofd naar beneden moest houden en

- vervolgens dreigend tegen voornoemde [naam collega] hebben gezegd dat hij de telefoon van voornoemde [naam collega] wilde hebben en heeft geroepen 'Steek hem in de fik, steek hem in de fik', waarna verdachte en zijn mededaders voornoemde bestelbus in brand hebben gestoken en

- vervolgens dreigend tegen voornoemde [naam collega] heeft gezegd "hoofd omlaag" , althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of (waarbij) verdachte en/of één van zijn mededader(s) met een getrokken (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, gericht op voornoemde [naam collega] , achteruit is weggelopen;

Feit 3

op 15 december 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht in een bestelbus, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met voornoemde bestelbus, ten gevolge waarvan die bestelbus geheel is verbrand, terwijl daarvan levensgevaar voor [naam collega] , te duchten was;

Feit 4

op 15 december 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een bestelbus, toebehorende aan W&S Safety, heeft vernield gemaakt door opzettelijk open vuur in aanraking te brengen met voornoemde bestelbus, ten gevolge waarvan voornoemde bestelbus geheel is verbrand.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair eerste en tweede cumulatief/alternatief, feit 2, feit 3 en feit 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Voorts heeft de officier van justitie de gevangenneming van verdachte gevorderd.

7.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Door onderhavige zaak is verdachte zijn beveiligerspas kwijtgeraakt, waardoor hij niet meer mocht werken als beveiliger. Verdachte heeft evenwel geprobeerd zijn leven weer op te pakken. Inmiddels heeft hij een nieuwe baan en beschikt hij over een zelfstandige woning. De raadsman heeft voorts verzocht er rekening mee te houden dat verdachte een verstandelijke beperking heeft en functioneert op matig zwakzinnig niveau. De raadsman heeft tot slot verzocht om de vordering tot gevangenneming af te wijzen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een overval op een waardetransport. Het waardetransport vervoerde op dat moment luxegoederen zoals dure horloges, sieraden en schrijfgerei. Er is in totaal voor € 288.935,17 aan goederen weggenomen. Daarbij is in georganiseerd verband en op planmatige en berekende wijze te werk gegaan, waarbij door de daders ‘inside information’ is verkregen van verdachte. Daardoor wisten de overvallers dat de bestelbus – die op Amstelveenseweg stilstond – een waardetransport betrof en dat deze was volgeladen met waardevolle luxegoederen. Verdachte heeft er als chauffeur voor gezorgd dat de ramen van de bestelbus openstonden, waarmee hij het voor één van de overvallers mogelijk heeft gemaakt om de bijrijder met een vuurwapen te bedreigen.

Nadat de bijrijder – onder bedreiging van een vuurwapen – de deur van de bestelbus had opengedaan, is de overvaller naar binnen gestapt en zijn ze naar een afgelegen plek gereden, alwaar de bestelbus door meerdere personen is leeggehaald. De bijrijder werd al die tijd gesommeerd om met zijn hoofd tussen zijn benen in de bestelbus te blijven zitten. Daarmee is de bijrijder wederechtelijk van zijn vrijheid beroofd. De bijrijder moest ook zijn telefoon afgeven, zodat verdachte en zijn mededaders zich ook schuldig hebben gemaakt aan afpersing.

Nadat de bestelbus was leeggeroofd is in de laadruimte brand gesticht. Op dat moment zat de bijrijder nog in de bestelbus. De bestelbus is uiteindelijk volledig uitgebrand. Verdachte heeft zich daarmee samen met zijn mededaders ook schuldig gemaakt aan brandstichting met levensgevaar voor de bijrijder en vernieling van de bestelbus.

Dit zijn zeer ernstige feiten. Gewapende overvallen hebben een enorme impact op slachtoffers, zo ook op de bijrijder. De ter plaatse gekomen verbalisanten zagen dat hij kennelijk zichtbaar emotioneel was en dat hij in zijn broek had geplast. Ook bij het verhoor bij de rechter-commissaris werd het hem te veel oen het beeld van de overvaller weer bij hem opkwam. Uit de toelichting van zijn vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij ook nu nog last heeft van sterke gevoelens van angst als hij aan het wapen in zijn zij denkt. Ook slaapt hij minder goed en wordt hij wakker door nachtmerries. Door verdachte is een ernstige inbreuk gepleegd op de lichamelijke integriteit van de bijrijder. Daar komt bij dat de bijrijder op verdachte als collega vertrouwde. Door de overval mogelijk te maken en deze mee te spelen, heeft verdachte dit vertrouwen op zeer grove en ernstige wijze beschaamd. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zich slechts heeft laten leiden door financieel gewin. Verdachte heeft bovendien geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

Gelet op de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aanzienlijke duur.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 20 december 2018, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Het oriëntatiepunt voor een overval op een geldtransport waarbij is gedreigd met geweld is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. De wijze waarop is samengewerkt en de omvang van de schade kunnen daarbij van strafverhogende invloed zijn.

Voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, brandstichting met gevaar voor personen en vernieling zijn er geen oriëntatiepunten. De rechtbank heeft daarom voor deze feiten gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.

Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden een passende straf is.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om de gevangenneming van verdachte te bevelen, nu de feiten zijn gepleegd op 15 december 2016 en de voorlopige hechtenis van verdachte reeds op 7 juli 2017 is opgeheven. De vordering tot gevangenneming zal worden afgewezen.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[naam collega]

De benadeelde partij [naam collega] vordert € 499,00 aan materiële schadevergoeding en

€ 2.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair tweede cumulatief/alternatief, bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De telefoon van verdachte is immers afgenomen. Nu verdachte de waarde van zijn telefoon niet heeft onderbouwd met stukken, zal de rechtbank deze schade schatten op € 100,00.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 100,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair (eerste en tweede cumulatief/alternatief), 2 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn lichamelijke integriteit.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.500,00.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam collega] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.600,00.

TNT Express Nederland BV

De benadeelde partij vordert € 3.902,26 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de schadeposten “vergoeding betaald aan verzender RLG”, “kosten security ad € 669,60” en “verbrande scanner ad € 1.052,66”.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair (eerste cumulatief/alternatief), en 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De afzonderlijke kostenposten zijn met stukken onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding van € 3.902,26 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer TNT Express Nederland BV, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.902,26.

RLG Europe BV

De benadeelde partij vordert € 265.258,20 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit de schadeposten “verloren goederen ad

€ 256.258,20”, “extra inkoopkosten vervanging goederen ter reparatie aangeboden ad € 6.000,00” en “herstelkosten manuren ad € 3.000,00”.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair tweede cumulatief/alternatief, bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De kostenposten “verloren goederen” en “extra inkoopkosten vervanging goederen ter reparatie aangeboden” zijn met stukken onderbouwd en zullen worden toegewezen. De rechtbank overweegt ten aanzien van de schadepost “verloren goederen” in het bijzonder dat de hoogte hiervan is gebaseerd op de inkoopwaarde van de goederen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

De schadepost “herstelkosten manuren” is niet met stukken onderbouwd. De benadeelde partij zal voor dat deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn/haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding zal worden toegewezen tot een bedrag van € 262.258,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer RLG Europe BV, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 262.258,20.

Hoofdelijkheid

De vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding zullen telkens hoofdelijk worden toegewezen.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die iedere benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank begroot op nihil, en in de kosten die iedere benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 47, 57, 157, 312, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

 Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair, eerste cumulatief/alternatief en tweede cumulatief bewezen verklaarde:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of anderen hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

medeplegen van afpersing;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 72 (tweeënzeventig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

 Wijst de vordering van [naam collega] toe tot € 2.600,00 (tweeduizend en zeshonderd euro), bestaande uit € 100,00 (honderd euro) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizendvijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 15 december 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam collega] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam collega] , € 2.600,00 (tweeduizend en zeshonderd euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 36 (zesendertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

 Wijst de vordering van TNT Express Nederland BV toe tot € 3.902,26 (drieduizendnegenhonderdentwee euro en zesentwintig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 15 december 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan TNT Express Nederland BV voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van TNT Express Nederland BV € 3.902,26 (drieduizendnegenhonderdentwee euro en zesentwintig cent) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 49 (negenenveertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

 Wijst de vordering van RLG Europe BV toe tot € 262.258,20 (tweehonderdtweeënzestigduizend tweehonderdachtenvijftig euro en twintig cent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 15 december 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan RLG Europe BV voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van RLG Europe BV € 262.258,20 (tweehonderdtweeënzestigduizend tweehonderdachtenvijftig euro en twintig cent aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 280 (tweehonderdtachtig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. Riggelink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 maart 2019.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 2016271938 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van bevindingen AD4301 van 15 december 2016, pagina 1027;

3 Een proces-verbaal van bevindingen van 15 december 2016, pagina 1025;

4 Een proces-verbaal van bevindingen van 5 januari 20178, pagina 1350;

5 Een proces-verbaal van verhoor aangever van 23 mei 2017, pagina’s 280-2081;

6 Een proces-verbaal van aangifte van 16 december 2016, pagina’s 1011-1014;

7 Een proces-verbaal van bevindingen van 20 april 2017, pagina’s 1958-1961;

8 Een proces-verbaal uitslag sporenonderzoek n.a.v. dactyloscopisch onderzoek, van 21 maart 2017, pagina 1770; Een proces-verbaal uitslag sporenonderzoek n.a.v. dactyloscopisch onderzoek, van 21 maart 2017, pagina’s 1717-1718; proces-verbaal uitslag sporenonderzoek n.a.v. dactyloscopisch onderzoek, van 21 maart 2017, pagina’s 1837-1838; proces-verbaal uitslag sporenonderzoek n.a.v. dactyloscopisch onderzoek, van 21 maart 2017, pagina 1898-1899;

9 Een proces-verbaal bevindingen van 30 maart 2017, pagina’s 1685-1686;

10 Een proces-verbaal bevindingen horloges [medeverdachte 3] van 5 april 2017, pagina’s 1703-1704;

11 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 maart 2017, persoonsdossier [medeverdachte 3] pagina’s 14-15;

12 Een proces-verbaal van 20 februari 2017, pagina 1628;

13 Een proces-verbaal van bevindingen gebruik * [nummer] en * [nummer] van 23 mei 2017, pagina’s 2118-2119;

14 Een proces-verbaal van 13 juni 2017, pagina’s 2197-2198;

15 Een proces-verbaal van bevindingen van 18 juli 2017, pagina 2259;

16 Een proces-verbaal van 3 januari 2019, pagina 2635;

17 Een proces-verbaal van relaas van 30 maart 2017, pagina 28;

18 Een proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2017, pagina 1661

19 Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 maart 2017, persoonsdossier [medeverdachte 3] pagina 17;

20 Een proces-verbaal van bevindingen van 29 juni 2017, pagina 2196;

21 Een proces-verbaal van 23 januari 2017, pagina’s 1618-1619;

22 Een proces-verbaal van bevindingen beelden van 29 december 2016, p. 1175-1179;

23 Een proces-verbaal van 23 januari 2017, pagina’s 1618-1619;

24 Een proces-verbaal van bevindingen van 23 december 2016, pagina 1160;

25 Een proces-verbaal van bevindingen van 7 september 2017, pagina’s 2222-2223;

26 Een proces-verbaal van bevindingen van 31 juli 2017, pagina’s 2230-2241, een proces-verbaal van bevindingen van 17 februari 2017 p. 1624-1627 en een proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2017, p. 1628-1631;

27 Een proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming van 10 maart 2017, pagina 2561;

28 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 6] van 29 maart 2017, pg 6, en een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 6] van 7 april 2017, pg 2, beide opgenomen in het persoonsdossier van [medeverdachte 6] ;

29 Een proces-verbaal van bevindingen AD4301 van 15 december 2016, pagina 1027;

30 Een proces-verbaal van bevindingen van 20 december 2016, p. 1157-1158;

31 Een proces-verbaal van aangever van 15 december 2016, p. 1018;

32 Proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2017, p. 1977-1983 en een proces-verbaal van bevindingen van 19 mei 2017, p. 2088-2089;