Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1556

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
13-06-2019
Zaaknummer
C/13/640265 / HA ZA 17-1353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

omvang en verdeling van huwelijksgoederengemeenschap / geen overeenstemming verdeling / spaarrekening kind valt in de gemeenschap omdat vrouw als eigen spaarrekening heeft gebruikt / schuld vliegeniersopleiding naar maatstaven R&B voor rekening van man

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2019-0085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/640265 / HA ZA 17-1353

Vonnis van 6 maart 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] (Turkije),

eiser,

advocaat mr. M. Koudstaal te Haarlem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. El Aqde te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 december 2017, met producties (1 tot en met 7),

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties (1 en 2),

  • -

    het tussenvonnis van 23 mei 2018, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 augustus 2018 en de daarin genoemde (proces)stukken,

  • -

    de akte wijziging van eis, tevens houdende akte overlegging producties (8 tot en met 14),

  • -

    de akte overlegging productie (15) van de man,

  • -

    de antwoordakte, tevens akte overlegging producties (3 tot en met 7) van de vrouw,

  • -

    de akte uitlating producties van de man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 6 mei 2006 in gemeenschap van goederen gehuwd in [plaats] . De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse en Egyptische nationaliteit. Gedurende het huwelijk zijn twee (op dit moment nog minderjarige) kinderen geboren, te weten [naam dochter] (hierna ook wel de dochter genoemd) en [de zoon] .

2.2.

Op 1 maart 2013 heeft de vrouw een verzoek tot scheiding van tafel en bed ingediend bij deze rechtbank. Bij beschikking van 1 mei 2013 heeft de rechtbank de scheiding van tafel en bed uitgesproken.

2.3.

Bij beschikking van 6 augustus 2014 heeft deze rechtbank de ontbinding van het huwelijk van partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 30 september 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

De man heeft gedurende het huwelijk een opleiding tot piloot gevolgd en heeft voor de kosten hiervan een kredietovereenkomst met ABN AMRO gesloten. Hij is sinds maart 2013 in dienst als piloot bij Turkish Airlines en woont in Turkije.

2.5.

Partijen hebben een procedure over de door de man te betalen kinder- en partneralimentatie, het gezag over en de omgang met de kinderen gevoerd. Bij beschikking van 21 augustus 2018 heeft deze rechtbank de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil gesteld en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op een bedrag van € 306 per kind per maand bepaald. Bij de bepaling van de kinderalimentatie heeft de rechtbank rekening gehouden met de door de man te betalen maandelijkse aflossing van € 1.176 op de door hem bij ABN AMRO en DUO opgebouwde studieschuld voor zijn vliegeniersopleiding.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, samengevat:

I. de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap per 1 maart 2013 vast stelt en de verdeling daarvan als volgt vast stelt:

  1. de roerende zaken worden toegedeeld aan de partij die de roerende zaak in bezit heeft, met uitzondering van de aktetas en papieren, de getuigschriften en vliegcertificaten/de (piloten)diploma’s van de man die de vrouw in haar bezit of onder haar controle heeft,

  2. verklaart voor recht dat de schuld als omschreven in de dagvaarding tot de ontbonden gemeenschap behoort en in totaal € 142.184,29 bedraagt,

  3. de schuld van € 142.184,29 aan de man wordt toegedeeld onder bepaling dat de vrouw aan de man ter verrekening (de rechtbank begrijpt: vergoeding) een bedrag van in totaal € 71.092,12 zal voldoen.

II. de vrouw veroordeelt tot betaling van € 71.092,12 aan de man, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2013, een en ander met verrekening van het aandeel van de man in de schulden van de vrouw per peildatum bij DUO en de Belastingdienst te verminderen met € 2.500,

III. voor recht verklaart dat het door partijen opgebouwde pensioen conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding – naar de rechtbank begrijpt – dient te worden verevend;

IV. de vrouw veroordeelt tot afgifte aan de man van de aktetas en/met zijn papieren waaronder begrepen, getuigschriften, (vlieg)certificaten/de (piloten)diploma’s van de man, en tot opgave van de namen van de pensioenverzekeraars waarbij zij pensioen heeft opgebouwd gedurende het huwelijk, een en ander binnen zeven dagen na betekening van het vonnis op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag,

V. de vrouw veroordeelt tot afgifte van de afschriften van de bankrekeningen op haar naam respectievelijk van de dochter en de zoon of een derde waarop de tot gemeenschap behorende gelden zijn gestort, en de bankafschriften over de periode van november 2013 (de rechtbank begrijpt: november 2012) tot en met 1 maart 2013,

VI. voor recht verklaart dat de vrouw haar aandeel in het bedrag van € 30.000, althans het bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van de door de vrouw overgelegde bankafschriften, is verschuldigd aan de man,

VII. de vrouw veroordeelt tot betaling van een € 30.000, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 maart 2013,

VIII. de vrouw veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de man, althans afwijzing van de vordering, met veroordeling van de man in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht

4.1.

Op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. Deze rechtbank is gelet op artikel 99, eerste lid, Rv ook relatief bevoegd om kennis te nemen van de vordering van de man.

4.2.

Nu partijen na 1 september 1992 zijn gehuwd, moet het toepasselijk recht in deze zaak worden bepaald op grond van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978 (hierna: het Haags Huwelijksvermogensverdrag). Gesteld noch gebleken is dat partijen voorafgaand aan de huwelijkssluiting, dan wel tijdens het huwelijk, een rechtskeuze hebben gemaakt. Volgens het bepaalde in artikel 4 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag is op het huwelijksvermogensregime van partijen Nederlands recht van toepassing, omdat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting de Nederlandse nationaliteit hadden. Partijen zijn hiervan gelet op hun stellingen overigens ook zelf uitgegaan.

Overeenstemming verdeling?

4.3.

De man vordert verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op grond van artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het meest verstrekkende verweer van de vrouw is dat er al een verdeling heeft plaatsgevonden. Volgens de vrouw zijn partijen overeengekomen dat de man zijn studieschuld aan ABN AMRO en DUO zou dragen, de vrouw haar studieschuld en de schuld aan de Belastingdienst zou dragen en dat partijen geen aanspraak zouden maken op eventueel opgebouwd pensioen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst zij naar brieven van 6 en 25 februari 2013 en naar een brief van 18 november 2013 die de voormalige advocaat van de vrouw aan de man heeft verzonden.

4.4.

Voor de beoordeling van de vraag of de huwelijksgemeenschap reeds is verdeeld moet worden beoordeeld of partijen overeenstemming over de verdeling hebben bereikt zoals bedoeld in artikel 3:182 BW. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de enkele omstandigheid dat partijen met wederzijdse toestemming de tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen hebben verdeeld, nog niet zonder meer impliceert dat partijen het over de financiële consequenties van de verdeling (het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling) eens zijn geworden. Dit is wel noodzakelijk om in onderling overleg de verdeling tot stand te brengen. In het geval partijen aanvankelijk met wederzijdse instemming de goederen hebben verdeeld en protest in verband met de financiële consequenties daarvan uitblijft, kan het zijn dat partijen onder omstandigheden op de voet van artikel 3:35 BW over en weer erop mogen vertrouwen dat de wederpartij ook rechtens met de verdeling instemt (zie Hoge Raad 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279).

4.5.

Daargelaten dat de man gemotiveerd heeft betwist dat de brieven hem hebben bereikt, valt uit de inhoud van deze brieven die hoofdzakelijk het echtscheidingsverzoek, de omgang met de kinderen en alimentatie betreffen, zonder deugdelijke toelichting die ontbreekt, niet af te leiden dat partijen overeenstemming hadden over de financiële consequenties die de verdeling van de goederen voor ieder van partijen heeft (waaronder het ontstaan van vorderingen uit over- en onderbedeling), terwijl dit voor het aannemen van een verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW wel noodzakelijk is. Ook heeft de vrouw geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat zij op grond van een verklaring of gedraging van de man erop mocht vertrouwen dat de man met enige verdeling heeft ingestemd. Bij gebreke van andere feiten en omstandigheden die het standpunt van de vrouw ondersteunen, is dus niet aannemelijk geworden dat van een verdeling in de zin van artikel 3:182 BW sprake is.

Omvang huwelijksgoederengemeenschap

4.6.

Op grond van artikel 1:99, eerste lid, aanhef en onder c BW is de huwelijksgemeenschap tussen partijen ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot scheiding van tafel, zijnde 1 maart 2013. De rechtbank zal voor het bepalen van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap deze datum als peildatum hanteren. Partijen zijn het erover eens dat de huwelijksgemeenschap op 1 maart 2013 de volgende bestanddelen omvat:

  • -

    diverse roerende zaken;

  • -

    overlijdensrisicoverzekering bij ABN AMRO met polisnummer [polisnummer] ;

  • -

    een Rabo DirectRekening met nummer [rekeningnr. Rabo] op naam van de vrouw, saldo op 1 maart 2013 € 1.421,56;

  • -

    een ABN AMRO privérekening met nummer [rekeningnr. ABN/Amro] , op naam van de man, saldo op of omstreeks 1 maart 2013 € 1.015,13 debet;

  • -

    een YapiKredi rekening met nummer [rekeningnr.YapiKredi 1] , op naam van de man, saldo op 1 maart 2013 TL 354,26;

  • -

    een YapiKredi rekening met nummer [rekeningnr. YapiKredi 2] , op naam van de man, saldo op 1 maart 2013 TL 0.

4.7.

Partijen twisten of een belastingschuld die de vrouw heeft afgelost, de studieschuld van de man, een credit cardschuld van de man, de studieschuld van de vrouw en het saldo van een spaarrekening op naam van de dochter tot de gemeenschap behoort.

Belastingschuld

4.8.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw een belastingschuld van € 6.476 heeft afgelost, waarvan de Belastingdienst een gedeelte van € 2.500 heeft kwijtgescholden vanwege haar financiële situatie. De man heeft aangevoerd dat deze belastingschuld aan haar is verknocht en voor zover dat niet het geval is, de waarde van de vordering met een bedrag van € 2.500 dient te worden verminderd nu dit bedrag is kwijtgescholden.

4.9.

De hoofdregel van artikel 1:94 BW is dat alle schulden van ieder der echtgenoten tot de gemeenschap behoren, tenzij sprake is van een van de uitzonderingen die in dit artikel worden genoemd. Nu de man niet gemotiveerd heeft onderbouwd waarom de belastingschuld als verknocht aan de vrouw kan worden gekwalificeerd, terwijl naar vaste rechtspraak alleen in uitzonderlijke gevallen op grond van bijzondere verknochtheid kan worden afgeweken van de hoofdregel, is de rechtbank van oordeel dat de belastingschuld die per saldo € 3.976 bedroeg een gemeenschapsschuld betreft.

Studieschuld van de man betreffende zijn vliegeniersopleiding

4.10.

Volgens de man behoort zijn studieschuld betreffende zijn vliegeniersopleiding van in totaal € 142.184,29 tot de huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft dat betwist. Zij heeft echter geen – uitzonderlijke – feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding vormen om af te wijken van de hiervoor genoemde hoofdregel dat alle schulden van ieder der echtgenoten tot de gemeenschap behoren. Bovendien heeft de advocaat van de vrouw op de comparitie verklaard dat deze schuld tot de huwelijksgemeenschap behoort. Dit heeft tot gevolg dat moet worden geoordeeld dat de volgende leningen die de man ter bekostiging van zijn vliegeniersopleiding heeft gesloten gemeenschapsschulden zijn:

  • -

    de leningen bij ABN AMRO uit hoofde van de kredietovereenkomst van 26 juli 2010 met nummers [rekeningnr.1] , [rekeningnr.2] en [rekeningnr.3] ;

  • -

    de lening bij Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).

ICS Credit Card en ICS Gold Card op naam van de man

4.11.

De rechtbank stelt vast dat de ICS AA Credit Card (Mastercard) eindigend op [eindnr.1] en ICS AA Gold Card (Mastercard) eindigend op [eindnr.2] op naam van de man geen betrekking hebben op de vliegeniersopleiding van de man zoals de vrouw verondersteld. De vrouw heeft deze stelling ook niet gemotiveerd. Bij deze stand van zaken moeten deze schulden ook als gemeenschapsschulden worden beschouwd.

Studieschuld van de vrouw

4.12.

De vrouw heeft onder verwijzing naar een afschrift van haar schuldhistorie bij DUO gesteld dat haar studieschuld op de peildatum € 1.245 bedraagt en in de verdeling moet worden betrokken. De man heeft aangevoerd dat haar studieschuld niet in de gemeenschap valt. Hij heeft echter geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan afgeweken dient te worden van de hiervoor onder 4.9 genoemde hoofdregel. De studieschuld van de vrouw zal daarom als een gemeenschapsschuld worden beschouwd.

Spaarrekening bij Rabobank met nummer [rekeningnr. spaarrekening] op naam van
[naam dochter]

4.13.

Volgens de man beschikte de vrouw op de peildatum via een spaarrekening op naam van de dochter over een vermogen van circa € 30.000 dat in de verdeling moet worden betrokken. De man heeft gesteld dat de vrouw over een eigen spaarrekening beschikte en dat zij in september of oktober 2012 het saldo van deze spaarrekening heeft overgeboekt naar de spaarrekening van de dochter om het saldo buiten de verdeling te houden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij een e-mail van 30 januari 2013 van de vrouw aan haar toenmalige advocaat overgelegd waarin zij vraagt hoe zij ervoor kan zorgen dat haar spaargeld niet verdeeld wordt en of zij daarvoor het geld op een nieuwe rekening moet storten. Ook heeft hij erop gewezen dat uit de door de vrouw overgelegde afschriften van haar Rabo DirectRekening volgt dat zij in 2013 herhaaldelijk overboekingen van de spaarrekening van de dochter naar haar Rabo Directrekening heeft gedaan tot een totaalbedrag van € 15.600. Volgens de man heeft hij de vrouw meermalen verzocht opgave te doen van het saldo van haar spaarrekening en de spaarrekening op naam van de dochter op 1 september 2012 en op 1 mei 2013 door de betreffende bankafschriften te verstrekken, maar heeft zij dat steeds geweigerd. Daarom vordert hij afgifte van de bankafschriften zoals hiervoor onder 3.1 onder V omschreven.

4.14.

De vrouw heeft zich – onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 juli 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:3053) – op het standpunt gesteld dat het saldo van de spaarrekening van de dochter niet in de gemeenschap valt, omdat de dochter de rechthebbende is. Voor zover het saldo al tot de gemeenschap zou behoren, dan is dat volgens de vrouw een schuld van partijen aan de dochter. De vrouw zal deze schuld voor haar rekening nemen, zodat de man hiervoor niet draagplichtig is, aldus de vrouw. Zij heeft betwist dat zij opzettelijk gelden aan de gemeenschap heeft onttrokken en heeft de bankafschriften van haar Rabo DirectRekening over februari tot en met december 2013 en bankafschriften van haar ING Betaalrekening met nummer [rekeningnr. betaalrekening] over juli tot en met december 2013 overgelegd. Daarnaast heeft zij betwist dat zij de
e-mail van 30 januari 2013 aan haar toenmalige advocaat zou hebben verzonden.

4.15.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw op de comparitie heeft verklaard dat zij de spaarrekening van de dochter in 2009 heeft geopend en dat zij deze rekening feitelijk als haar eigen spaarrekening heeft gebruikt. Ook uit de door haar overgelegde afschriften van haar Rabo DirectRekening blijkt dat zij – zoals de man terecht heeft gesteld – herhaaldelijk gelden van deze spaarrekening heeft bijgeschreven op haar eigen rekening. Bij deze stand van zaken heeft de vrouw haar stelling dat de spaarrekening enkel voor de dochter is bestemd onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. Het arrest van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch waar zij in dit verband naar heeft verwezen, kan haar daarom niet baten. Het voorgaande brengt met zich dat het saldo op de spaarrekening van de dochter in de huwelijksgemeenschap valt en dus moet worden verdeeld. Gelet hierop en nu de vrouw tot dusver enkel een afschrift van een overboeking op de spaarrekening van de dochter op 26 november 2012 heeft verstrekt, zal de rechtbank de vordering van de man zoals omschreven onder 3.1. onder V toewijzen, in die zin dat de vrouw op grond van artikel 22 Rv wordt opgedragen om de bankafschriften van de spaarrekening ten name van [naam dochter] over de periode van 1 november 2012 tot en met 1 maart 2013 (de peildatum) bij akte in het geding te brengen. De zaak zal daarvoor naar de rol van 20 maart 2019 worden verwezen, waarna de man in de gelegenheid zal worden gesteld bij antwoordakte te reageren.

4.16.

De beoordeling van de vorderingen van de man die – naar de rechtbank begrijpt – zijn gestoeld op artikel 3:194, tweede lid BW (zie hiervoor onder 3.1. onder VI en VII omschreven) zal in afwachting van de hiervoor genoemde aktes worden aangehouden.

Peildatum van de waarde van de huwelijksgoederengemeenschap

4.17.

Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de (feitelijke) verdeling, omdat niet is gebleken dat partijen een andere datum zijn overeengekomen. De waardepeildatum van schulden en vorderingen (waaronder de saldi op bankrekeningen) is, in afwijking van de hiervoor genoemde hoofdregel, de datum van ontbinding van de gemeenschap, zijnde 1 maart 2013. Dit uitgangspunt betekent dat inkomsten, aflossingen en stortingen gedaan vóór deze datum worden geacht te zijn ontvangen ten bate van de gemeenschap of te zijn gedaan ten laste van de gemeenschap.

Roerende zaken

4.18.

De man heeft gevorderd dat de roerende zaken, met uitzondering van de door hem genoemde goederen (zie hiervoor onder 3.1., I onder 1), worden toegedeeld aan de partij die het goed in bezit heeft. Nu de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank dienovereenkomstig bepalen.

4.19.

De man heeft gesteld dat de vrouw zijn aktetas met documenten (waaronder getuigschriften, (vlieg)certificaten/(piloten)diploma’s) in haar bezit heeft, of bij een ander bewaart. De vrouw heeft op de comparitie verklaard dat zij de aktetas met getuigschriften niet heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij dat niet met voldoende stelligheid verklaard. Daarom zal de vrouw, voor zover zij de aktetas en/met de door de man genoemde documenten in haar bezit heeft dan wel bij een ander bewaart, worden veroordeeld tot afgifte daarvan. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan een dwangsom te verbinden zoals door de man is gevorderd, nu niet is komen vast te staan dat zij de aktetas met documenten ook daadwerkelijk in haar bezit heeft of bij een ander bewaart.

Overlijdensrisicoverzekering met polisnummer [polisnummer]

4.20.

De man heeft gevorderd dat deze verzekering aan hem wordt toegedeeld zonder verrekening, omdat deze geen waarde vertegenwoordigt. De rechtbank zal dienovereenkomstig bepalen, onder de verplichting dat, voor zover er vermogen is opgebouwd met deze verzekering, de man de helft van de waarde daarvan zal vergoeden aan de vrouw waarbij bij de waardebepaling rekening moet worden gehouden met eventueel toekomstig verschuldigde belasting over dat vermogen.

Schuld Belastingdienst

4.21.

De rechtbank zal overeenkomstig hetgeen hiervoor onder 4.8 is overwogen bepalen dat de man de helft van deze gemeenschapsschuld, een bedrag van € 1.988 aan de vrouw moet vergoeden.

Schuld vliegeniersopleiding

4.22.

De man vordert dat deze schuld aan hem zal worden toegedeeld onder de bepaling dat de vrouw de helft van de schuld aan de man zal voldoen. De vrouw heeft daartegen aangevoerd dat de kosten voor een opleiding tot piloot onevenredig hoog zijn, met als achtergrond dat het salaris dat vervolgens bij completering van de opleiding kan worden verdiend de aflossing van deze boven proportionele schuld mogelijk maakt. Dankzij deze opleiding heeft de man een baan als piloot met het daaraan verbonden salaris gekregen. De vrouw die, overeenkomstig de kennelijke keuze van partijen, gedurende het huwelijk de zorg voor de huishouding en de twee uit het huwelijk geboren kinderen heeft gehad en niet heeft gewerkt, heeft nauwelijks verdiencapaciteit en ontvangt met ingang van juni 2012 tot op heden een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA). Daarom dient naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de resterende studieschuld voor de vliegeniersopleiding van de man door hem zelf te worden gedragen, aldus steeds de vrouw. De vrouw verwijst in dit kader naar de beschikking van de rechtbank Haarlem van 4 november 2003 (ECLI:NL:RBHAA:2003:AN9630).

4.23.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval afgeweken moet worden van het uitgangspunt dat de schulden bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden redengevend. Het gaat om een zeer hoge studieschuld voor de vliegeniersopleiding van de man die is aangegaan met als doel de verdiencapaciteit van de man te vergroten en als achtergrond dat het salaris dat als piloot kan worden verdiend aflossing van de schuld mogelijk maakt. Het huwelijk heeft relatief kort geduurd. De man is na de beëindiging van het huwelijk als piloot bij Turkish Airlines in dienst getreden. Hierdoor heeft de vrouw gedurende het huwelijk niet geprofiteerd van de hoogte van het salaris dat de man thans als piloot verdient en kan zij geen aanspraak maken op het pensioen dat hij thans tijdens zijn dienstverband als piloot opbouwt. Ten slotte is de mogelijkheid voor de vrouw om inkomsten te genereren teneinde de helft van de schuld af te betalen zeer gering, omdat zij sinds juni 2012 een WIA-uitkering ontvangt, terwijl bij de vaststelling van de door de man te betalen kinderalimentatie rekening is gehouden met de hoogte van de maandelijkse aflossingen op zijn studieschuld. Als partijen getrouwd waren gebleven, dan zouden de aflossingen op de studieschuld gelet op de onderlinge inkomensverhouding grotendeels voor rekening van de man zijn gekomen. Als de vrouw de helft van de schuld aan de man zou moeten vergoeden, zou hij dus in een gunstigere positie komen te verkeren, dan als partijen getrouwd zouden zijn gebleven. Gelet op deze feiten en omstandigheden zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als de studieschuld van de man voor de helft zou moeten worden gedragen door de vrouw. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man zijn gehele studieschuld betreffende de vliegeniersopleiding voor zijn rekening neemt, zonder dat de vrouw verplicht is om de helft daarvan aan de man te vergoeden. Dit heeft tot gevolg dat de vordering van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van de helft van de schuld (€ 71.092,12) zal worden afgewezen.

4.24.

Nu de rechtbank in het eindvonnis de vordering tot vergoeding van de helft van de studieschuld zal afwijzen, rijst de vraag of de man belang in de zin van artikel 3:303 BW heeft bij zijn gevorderde verklaring voor recht dat zijn studieschuld € 142.184,29 bedraagt en tot de gemeenschap behoort. De rechtbank zal partijen daarom in de gelegenheid stellen om zich hierover bij de hiervoor onder 4.15 genoemde aktes uit te laten.

Studieschuld vrouw

4.25.

Gelet op hetgeen hiervoor in 4.12 is overwogen, zal de rechtbank bepalen dat de man de helft van deze gemeenschapsschuld aan de vrouw moet vergoeden. In dit verband dient de vrouw de man te informeren over de hoogte van haar studieschuld op de peildatum 1 maart 2013, omdat de rechtbank op basis van het door de vrouw overgelegde afschrift van haar schuldhistorie bij DUO de hoogte van de schuld op de peildatum niet kan bepalen.

Schuld credit cards

4.26.

De rechtbank zal bepalen dat de man de schulden van de credit cards als eigen schuld voor zijn rekening neemt, onder de verplichting van de vrouw om de helft van deze schulden op peildatum 1 maart 2013 aan de man te vergoeden. In dit verband dient de man de vrouw te informeren over de hoogte van deze schulden op de peildatum, omdat de rechtbank op basis van de door de man overgelegde jaaroverzichten en aflossingsmutaties de hoogte van deze schulden niet kan bepalen.

Saldi bankrekeningen

4.27.

De rechtbank zal bepalen dat het saldo van de Rabo DirectRekening op naam van de vrouw aan de vrouw zal worden toebedeeld, onder de verplichting van de vrouw om de helft van het saldo aan de man te vergoeden. De saldi van de bankrekeningen op naam van de man zullen aan de man worden toebedeeld, onder de verplichting van de man om de helft van de saldi, voor zover het positief is, aan de vrouw te vergoeden. De vrouw is ten aanzien van het debetsaldo van de man voor de helft – een bedrag van € 507,56 – draagplichtig.

Pensioenverevening

4.28.

De rechtbank overweegt dat voor zover partijen na de huwelijkssluiting en voor de echtscheiding pensioenaanspraken hebben opgebouwd, de andere partij overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding recht heeft op pensioenverevening. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen de toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten, zal de rechtbank bepalen dat partijen conform het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding de pensioenaanspraken dienen te verevenen. De vordering van de man tot opgave van de namen van de pensioenverzekeraars waarbij de vrouw pensioen heeft opgebouwd gedurende het huwelijk op straffe van een dwangsom zal worden afgewezen nu de wijze van pensioenverevening uit de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding voortvloeit.

4.29.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. De voorgaande beslissingen met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap zullen worden opgenomen in het eindvonnis.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt de vrouw op om bij akte bankafschriften van de rekening bij Rabobank met nummer [rekeningnr. spaarrekening] op naam van [naam dochter] over de periode van 1 november 2012 tot en met 1 maart 2013 in het geding te brengen,

5.2.

verwijst de zaak met dat doel en het doel zoals hiervoor onder 4.24 omschreven naar de rol van 20 maart 2019 voor een akte aan de zijde van de vrouw, waarna de man in de gelegenheid zal worden gesteld op de rol van 3 april 2019 bij antwoordakte te reageren,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechter, bijgestaan door mr. H. Akbuz, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2019.1

1 type: HA coll: MCHB