Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1520

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
13/741124-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

Veroordeling straatroof, medeplegen, maar vrijspraak geweldscomponent. Voorts oordeel over betrouwbaarheid herkenningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/741124-18 (Promis)

Datum uitspraak: 5 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. K. van der Willigen.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – primair ten laste gelegd dat hij zich op 15 mei 2018 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan (medeplegen van) diefstal met geweld van een tas. Subsidiair is alleen (medeplegen van) diefstal ten laste gelegd en/of mishandeling.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft vrijspraak verzocht voor de primair aan verdachte ten laste gelegde diefstal gevolgd van geweld, omdat het geweld is gepleegd door de medeverdachte en dit niet aan verdachte kan worden toegerekend. Zij heeft wel gerekwireerd tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde diefstal. Zij hecht daarbij waarde aan de aangifte, de camerabeelden en de herkenning van verdachte door twee onafhankelijke verbalisanten.

3.2

Oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Op 15 mei 2018 deed [slachtoffer] aangifte van een eerder op die dag gepleegde tasjesroof. Hij verklaarde dat hij met zijn vrouw [vrouw slachtoffer] op een terras zat aan de Singel te Amsterdam, toen er opeens een man op hem afkwam die zijn tas pakte. Deze man rende in de richting van een andere man die op een fiets zat en kennelijk de fiets van de dader vasthield. [slachtoffer] is daarop opgestaan en achter de man aangegaan. De man die zijn tas had afgenomen, draaide zich om en gaf een harde klap tegen de zijkant van het hoofd van [slachtoffer] .

Verbalisant [verbalisant 1] heeft de door een bewoner aan de Singel, [naam 1] , beschikbaar gestelde camerabeelden bekeken. Hierop is te zien dat twee mannen, (hierna NN1 en NN2) over de Singel fietsen, omdraaien en weer terugfietsen. Ongeveer 3.5 minuut later komt NN2 weer in beeld gefietst. Hij heeft de fiets waar NN1 eerder op reed met zijn linkerhand vast. NN1 loopt over het voetpad. Beiden dragen nu een capuchon. NN1 versnelt zijn pas en duikt als het ware naar beneden waarbij hij zijn linkerarm uitstrekt, waarop het lijkt alsof hij met versnelde pas wat van een lager gelegen vlak wil pakken.

Dezelfde verbalisant heeft ook door de officier van justitie gevorderde camerabeelden van café Dante van 15 mei 2018 bekeken. Hierop is om 10:56:47 te zien dat NN1 met een fiets aan zijn hand over straat rent. NN2 bevindt zich tussen NN1 en de geparkeerde auto’s. Aangever [slachtoffer] komt aangesneld richting de verdachten en strekt zijn armen uit richting NN1. NN1 laat zijn fiets vallen en stapt met een ferme pas richting [slachtoffer] . Hierbij beweegt hij zijn rechterarm richting het hoofd van [slachtoffer] , direct gevolgd door een zwaai met zijn linkerarm. Hierbij is goed zichtbaar dat NN1 een zwarte tas vast heeft in zijn linkerhand.

Betrouwbaarheid herkenningen

Op grond van de camerabeelden heeft verbalisant [verbalisant 2] een proces-verbaal van herkenning opgemaakt. Hij verklaart de bewegende beelden van een straatroof te hebben bekeken die heeft plaatsgevonden op 15 mei 2018 op de Singel te Amsterdam. Hierbij verklaart hij de persoon afgebeeld in een zwarte broek met een witte streep te herkennen als verdachte. De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal waarin de camerabeelden door [verbalisant 1] worden omschreven, deze persoon is aangeduid als NN2. Verder verklaart [verbalisant 2] verdachte te herkennen aan zijn postuur en gezicht. [verbalisant 2] verklaart daarnaast jaren werkzaam te zijn in het gebied waar verdachte woonachtig is en hem veelvuldig te zijn tegengekomen tijdens zijn dagelijkse werkzaamheden. Hij verklaart ook de mededader te herkennen, waarvan hem ambtshalve bekend is dat beiden met elkaar omgaan. Daarbij verklaart [verbalisant 2] dat hij verdachte de dag na de straatroof is tegengekomen. Verdachte droeg toen identieke kleding als NN2 op de camerabeelden.

Verbalisant [verbalisant 3] heeft eveneens een proces-verbaal van herkenning opgemaakt. Hij verklaart een afbeelding te hebben gezien van personen die een tasjesroof hebben gepleegd. Ook hij verklaart de persoon met de zwarte joggingsbroek voorzien van een witte streep (NN2) te herkennen als verdachte. Verdachte herkent hij aan zijn lichaamsbouw, lengte en zijn gezicht. Verder verklaart [verbalisant 3] al geruime tijd werkzaam te zijn in het wijkteam waar verdachte woonachtig is en hem daarom tijdens zijn dagelijkse werkzaamheden veelvuldig te zijn tegengekomen. Verder verklaart [verbalisant 3] ook medeverdachte te kennen, die zou woonachtig zijn in hetzelfde gebied.

De rechtbank oordeelt op grond van de stills en de bewegende beelden in het dossier dat de camerabeelden van dusdanige kwaliteit zijn dat daarop onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Op grond van deze camerabeelden zou een betrouwbare herkenning tot stand kunnen komen. Door twee onafhankelijke verbalisanten heeft er op basis van deze beelden een herkenning plaatsgevonden. Hierbij is van belang dat verbalisant [verbalisant 2] de bewegende beelden heeft bekeken, en dat beide verbalisanten verdachte kennen en hem meermalen in levende lijven hebben gezien. De rechtbank hecht waarde aan het feit dat beide verbalisanten ook de medeverdachte herkennen en daarbij opmerken dat zij weten dat zij met elkaar omgaan. Tot slot is van belang dat verbalisant [verbalisant 2] verdachte de dag na de tasjesroof in dezelfde kleding heeft gezien. Alles samen maakt dat de rechtbank geen reden ziet om te twijfelen aan de juistheid van de herkenningen van de verbalisanten.

Medeplegen van diefstal van een tas

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard als is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Daarvan is volgens de rechtbank sprake. Verdachten hebben een voorverkenning uitgevoerd door samen twee keer langs het terras te fietsen waar aangever en zijn vrouw zaten. Ongeveer 3,5 minuut later keren zij samen terug en dragen nu beiden een capuchon, die zij eerder nog niet droegen. Vervolgens wacht verdachte iets verderop met de twee fietsen terwijl medeverdachte de tas wegneemt. Daarmee maakt hij mogelijk dat beiden na het wegnemen van de tas door de medeverdachte snel kunnen vluchten.

De rechtbank oordeelt dat uit het voorgaande blijkt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van diefstal van een tas bewezen.

Vrijspraak geweldscomponent

Nadat de medeverdachte de tas heeft weggenomen komt aangever achter hem aan. Beide verdachten staan dan bij de fietsen. Op de camerabeelden van café Dante is te zien dat medeverdachte aangever een klap tegen het hoofd geeft. De vraag die voorligt is of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de geweldshandeling gepleegd door de medeverdachte. Uit het dossier blijkt niet dat de geweldpleging voorzienbaar was of deel uitmaakte van een vooropgezet plan. Daarbij is vooral van belang dat uit het dossier blijkt de tas vlak voordat deze werd weggenomen naast aangever op de grond stond, zodat wordt aangenomen dat het de bedoeling was om de tas weg te grissen en snel weg te komen. De rechtbank oordeelt dat nergens uit blijkt dat verdachte het opzet had op de daarna gepleegde geweldshandeling, die is verricht nadat aangever achter de medeverdachte aan kwam. De door medeverdachte uitgedeelde klap wordt daarom niet aan verdachte toegerekend.

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat primair ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde in vereniging gepleegde diefstal bewezen. Verdachte zal van de cumulatief/alternatief ten laste mishandeling worden vrijgesproken.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 15 mei 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, toebehorende aan [slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij aansluiting heeft gezocht bij de richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor zakkenrollerij. Daarbij heeft zij aan haar eis ten grondslag gelegd dat het ging om kwetsbare slachtoffers, nu het ging om toeristen van gevorderde leeftijd.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft een straatroof gepleegd. Verdachte en medeverdachte hebben samen bewust kwetsbare slachtoffers uitgezocht. Het ging om een Amerikaans stel op leeftijd. In de weggenomen tas zaten onder meer hun paspoorten, medicatie en recepten voor medicatie. Dit moet een beangstigende situatie voor hen zijn geweest, te meer omdat zij zich als toerist in een voor hen onbekende stad bevonden, terwijl het cruise schip waarmee zij reisden diezelfde avond weer zou vertrekken. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van

7 november 2018, opgemaakt door M.A.R. Leistra. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: verdachte heeft een negatieve houding ten opzichte van begeleiding en behandeling en is niet verschenen op de gesprekken voor het opstellen van deze rapportage. Uit het dossier en eerdere rapporten blijkt dat verdachte problemen had op verschillende leefgebieden, waaronder dagbesteding en beïnvloeding vanuit een negatief sociaal netwerk. De reclassering rapporteert dat de oplegging van bijzondere voorwaarden, waaronder meldplicht, een cognitieve vaardigheidstraining, een ambulante behandeling en het verkrijgen van een dagbesteding wenselijk zou zijn. Omdat verdachte zich niet hield aan afspraken en tot dusver geen meewerkende houding heeft, acht de reclassering het noodzakelijk dat de motivatie van verdachte voor het plan van de reclassering op zitting wordt onderzocht. Mocht er geen sprake zijn van motivatie, dan adviseert de reclassering aan verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

Voorts heeft de rechtbank ter terechtzitting van 22 januari 2019 voornoemde reclasseringswerker Leistra, als deskundige gehoord. Zij verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende: de geadviseerde bijzondere voorwaarden met toezicht zijn geïndiceerd, maar die zijn naar verwachting voor de reclassering niet uitvoerbaar.

De rechtbank is van oordeel dat het niet opportuun is om aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdachte heeft zich in het kader van zijn schorsing en eerdere zaken niet aan afspraken en voorwaarden gehouden. Reclasseringstoezicht en taakstraffen zijn meerdere malen vroegtijdig afgebroken en negatief geretourneerd. Ook nu is verdachte niet ter terechtzitting aanwezig, waardoor zijn motivatie voor het voldoen aan bijzondere voorwaarden niet kan worden getoetst en afwezig lijkt. De rechtbank ziet daarin aanleiding om aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank hecht bij de strafoplegging belang aan de oriëntatiepunten zoals deze zijn vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. In deze oriëntatiepunten wordt voor het plegen van een tasjesroof met een enkele duw of ruk uitgegaan van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het Amsterdams oriëntatiepunt voor zakkenrollen, waarbij voor een voltooide zakkenrollerij bij een toerist wordt uitgegaan van een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Verdachte heeft een tas weggenomen, van kwetsbare slachtoffers, te weten een bejaard stel. Het geweld wordt verdachte niet aangerekend, maar de brutale diefstal wel en daarvoor acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden passend en geboden.

8 Benadeelde partij

De benadeelde partij, [slachtoffer] , vordert $ 90,- aan materiële schadevergoeding en $ 60,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De gevorderde materiele schadevergoeding is niet met stukken onderbouwd, maar nu er een tas van een toerist is weggenomen, acht de rechtbank het aannemelijk dat daarin goederen zoals een oplader en een powerbank zaten. Daarbij is op de foto bij de aangifte te zien dat [slachtoffer] een bebloed shirt heeft. De materiële schadevergoeding, ter hoogte van $ 90,- (€ 87,01), waar tegen geen verweer is gevoegd, zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2018.

De benadeelde partij zal in de immateriële schadevergoeding van $ 60,- niet ontvankelijk worden verklaard, nu de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Voor zover deze vordering al door of namens de medeverdachte is betaald, hoeft verdachte deze vordering niet te vergoeden.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair cumulatief/alternatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering wordt gebracht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer] , toe tot een bedrag van € 87,01

(zegge: zevenentachtig euro en één eurocent), bestaande uit materiële schade. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] , voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 mei 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Schadevergoedingsmaatregel:

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] een bedrag van € 87,01 (zegge: zevenentachtig euro en één eurocent), bestaande uit materiële schade. Het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Elte-Hamming, voorzitter,

mrs. L. Dolfing en Y. Moussaoui, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2019.