Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1517

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
13/684419-18 (A) + 13/167125-18 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veel vrijspraken van bedrijfsinbraken, geen betrouwbare herkenningen. Schakelbewijs vindt geen toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684419-18 (A) + 13/167125-18 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 24 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 januari 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Hara en van wat door de raadsman van verdachte mr. R.B.M. Poppelaars naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt verdacht van vier inbraken bij bedrijfspanden en vijf pogingen daartoe, gepleegd in 2017 en 2018

Aan verdachte is – kort gezegd – in zaak A ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. diefstal met braak bij een kapperszaak te Amsterdam op 8 oktober 2018, waarbij een kassalade met daarin een bedrag van € 125, - en diverse kapperspullen zijn weggenomen;

2. diefstal met braak bij voetbalvereniging [naam vereniging] te Amsterdam op 10 juli 2018, waarbij een kassalade is wegegenomen.

Aan verdachte is – kort gezegd – in zaak B ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. poging tot diefstal met braak bij lunchroom [naam lunchraam] op 5 oktober 2017 te Diemen;

2. diefstal met braak bij restaurant [naam restaurant] op 20 oktober 2017 te Diemen, waarbij een kassa met een bedrag van 202,60 euro is weggenomen;

3. poging tot diefstal met braak bij restaurant [naam restaurant 2] op 21 oktober 2017 te Amsterdam;

4. diefstal met braak bij voetbalvereniging [naam vereniging] op 10 juli 2017 te Amsterdam, waarbij twee kassalade’s met inhoud van in totaal € 490,- is weggenomen;

5. poging tot diefstal met braak bij restaurant [naam restaurant 3] op 8 oktober 2017 te Amsterdam;

6. poging tot diefstal met braak bij restaurant [naam restuarant 4] op 20 oktober 2017 te Amsterdam;

7. poging tot diefstal met braak bij [naam restaurant 5] op 8 oktober 2017 te Amsterdam.

Bij feit 1 tot en met 7 in zaak B is ten laste gelegd, dat het feit is gepleegd, terwijl er nog geen vijf jaren waren verlopen sinds een eerdere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide van de in zaak A ten laste gelegde feiten.

Voor de onder 1 ten laste gelegde diefstal van een kassalade en kapperspullen baseert de officier van justitie zich voor een bewezenverklaring op de aangifte, de aanhouding van verdachte waarbij hij in bezit was van het gestolene en de bekennende verklaring van verdachte in het verhoor bij de politie.

Voor de onder 2 ten laste gelegde diefstal van een kassalade bij voetbalvereniging [naam vereniging] , baseert de officier van justitie zich voor een bewezenverklaring op de volgende stukken. De aangifte, de herkenning van verdachte door verbalisant [verfbalisant 1] en het NFI-rapport waaruit blijkt dat het celmateriaal op de schroevendraaier die op het plaats delict is gevonden matcht met het DNA-profiel van verdachte.

De officier van justitie heeft tevens gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle in zaak B ten laste gelegde feiten.

Voor de onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde feiten baseert de officier van justitie zich voor een bewezenverklaring op onder meer de verschillende aangiftes. Daarnaast is verdachte op basis van de camerabeelden in al deze feiten herkend door verbalisant [verfbalisant 1] . In feit 2 is er ook nog een herkenning door verbalisant [verbalisiant 2] en in feit 5 is verdachte door meerdere verbalisanten herkend.

Op grond van de camerabeelden beschikbaar in feit 1, 6 en 7 heeft er geen herkenning van verdachte plaatsgevonden. Wel is steeds een vergelijkbaar signalement van de dader op de camerabeelden zichtbaar, te weten: de baardgroei, rugtas, damesfiets en schoenen van het merk Asics. Dit signalement correspondeert met verdachte. Daarbij is ook de gebruikte modus operandi vergelijkbaar, namelijk: het gebruik van een schroevendraaier, een breekijzer en het intrappen van de deur. Op grond van de overeenkomsten tussen alle zeven feiten, terwijl verdachte bij vier van deze feiten is herkend, acht de officier van justitie ook de feiten 1, 6 en 7 bewezen. Zij wijst er ter nadere onderbouwing van haar standpunt op dat op de camerabeelden van feit 6 en 7 te zien is dat de dader een petje draagt. In feit 3, waar verdachte wel door verbalisant [verfbalisant 1] is herkend, droeg verdachte een soortgelijke pet.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt voorop dat in het merendeel van de aan verdachte ten laste gelegde feiten de herkenningen de voornaamste bewijsmiddelen vormen. Daarbij is onder meer van belang dat de beelden voldoende duidelijk moeten zijn om een herkenning op te baseren, hoe goed de herkenner de herkende kent en het aantal herkenningen dat door verschillende, onafhankelijke verbalisanten is gedaan.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de in zaak A onder 1 ten laste gelegde inbraak bij de kapsalon gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat verdachte dit feit heeft bekend.

Ten aanzien van de in zaak A onder 2 ten laste gelegde inbraak bij voetbalvereniging [naam vereniging] heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De foto’s zijn van zeer slechte kwaliteit. De kwaliteit van de camerabeelden is zodanig dat aan de hand daarvan geen betrouwbare herkenning kan plaatsvinden. Het NFI-rapport waaruit blijkt dat een hoofdprofiel van verdachte is aangetroffen op de schroevendraaier is volgens de raadsman niet voldoende voor een bewezenverklaring, omdat de schroevendraaier een verplaatsbaar object betreft.

De raadsman heeft zich tevens in zaak B ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde inbraak bij [naam restaurant] op het standpunt gesteld dat de kwaliteit van de beelden onvoldoende is om een betrouwbare herkenning op te baseren. Ten aanzien van de in zaak B onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten; poging tot inbraak bij [naam restaurant 2] en de inbraak bij voetbalvereniging [naam vereniging] zijn de beelden wel scherp. De dader is echter niet helder op de beelden te zien, waardoor er geen betrouwbare herkenning kan plaatsvinden. Voor al deze feiten geldt tevens dat het signalement van de dader en de modus operandi onvoldoende specifiek zijn om een vergelijking te trekken met andere feiten. De raadsman bepleit daarom ten aanzien van de in de zaak B onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten vrijspraak.

Ten aanzien van de in zaak B onder 5 ten laste gelegde poging tot braak bij restaurant [naam restaurant 3] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft tevens vrijspraak bepleit voort de in zaak B onder 1, 6 en 7 ten laste gelegde feiten; de pogingen tot inbraak bij lunchroom [naam lunchraam] ; restaurant [naam restuarant 4] en [naam restaurant 5] . De beelden zijn in al deze feiten zo onduidelijk dat er door de politie niemand is herkend. De beschrijving van de dief is niet kenmerkend en er is sprake van een vrij algemene modus operandi bij bedrijfsinbraken. Nu er geen patroon van specifieke elementen is te zien kan er geen schakelbewijs worden toegepast.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

Betrouwbaarheid herkenningen

De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan. Dit geldt temeer als deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn waaruit de betrokkenheid van een verdachte kan worden afgeleid.

Voor een beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenningen aan de hand van camerabeelden is onder meer van belang in hoeverre op deze afbeeldingen voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Een mogelijke gezichtsherkenning heeft daarbij de hoogste diagnostische waarde. Eerst dient te worden onderzocht wat de kwaliteit van de afbeeldingen of bewegende beelden is en de mate waarin persoonskenmerken zichtbaar zijn. Voorts is van belang hoe goed de verbalisant de herkende kent. Daarbij geldt dat de visuele kennis waardevoller is als deze is ontstaan uit ontmoetingen in levenden lijve dan wanneer deze van een foto of andere beelden afkomstig is. Daarbij is ook de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Bovendien is het aantal onafhankelijke herkenningen door verbalisanten van belang. Tot slot kan worden gekeken naar feiten en omstandigheden die een herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar maken

In zaak B zijn de bewegende camerabeelden niet meer beschikbaar. De rechtbank heeft zodoende ter terechtzitting geen kennis kunnen nemen van de bewegende beelden en daarom niet kunnen toetsen of de beelden van voldoende kwaliteit zijn om daar een betrouwbare herkenning op te kunnen baseren. Op basis van de stills in het dossier kan de rechtbank de betrouwbaarheid van de herkenning van verdachte dan ook niet toetsen aan de eigen waarneming. Daarbij komt dat verdachte niet ter terechtzitting is verschenen.

Schakelbewijs

De officier van justitie heeft in haar requisitoir enkele feiten bewezen geacht op grond van het toepassen van schakelbewijs. Van schakelbewijs is sprake indien het bewijs van een feit mede steunt op specifieke en kenmerkende gelijkenissen van dat feit met een ander, soortgelijk strafbaar feit, waarvan is bewezen dat dat door de verdachte is begaan. De rechtbank stelt voorop dat schakelbewijs kan worden toegepast indien de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt met het reeds bewezen verklaarde feit.

De gehanteerde modus operandi dient telkens dezelfde specifieke kenmerken te vertonen.

Vrijspraken in zaak B

Feit 1: poging tot inbraak bij lunchroom [naam lunchraam]

Op grond van de camerabeelden heeft de politie geen verdachte kunnen herkennen. De rechtbank stelt evenals de politie vast dat op de stills in het dossier een manspersoon, met baardgroei, een rugtas en een damesfiets te zien is. De rechtbank oordeelt dat dit signalement onvoldoende onderscheidend is om aan de hand daarvan een specifiek persoon te kunnen identificeren. De modus operandi die aan de hand van de camerabeelden wordt beschreven betreft het trappen tegen de deur en gooien van een parasolvoet tegen het glas van de lunchroom. Dit is een vrij algemene modus operandi bij inbraken en kan aldus niet worden gebruikt voor de toepassing van schakelbewijs. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 2: inbraak bij [naam restaurant]

De rechtbank oordeelt dat de stills van de camerabeelden te onduidelijk zijn om daar een betrouwbare herkenning op te kunnen baseren en zal de herkenningen van de verbalisanten daarom niet gebruiken voor het bewijs. Ten aanzien van de herkenning door verbalisant [verbalisiant 2] merkt de rechtbank ten overvloede nog op dat niet blijkt dat deze verbalisant de verdachte ooit in levende lijve heeft gezien. De in het proces-verbaal van bevindingen omschreven gebruikte modus operandi betreft het wrikken tussen de deur met een breekijzer en een schroevendraaier, het stoten van een voorwerp tegen de deur en het trappen tegen de deur. Deze modus operandi is onvoldoende specifiek om de toepassing van schakelbewijs te rechtvaardigen. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 3: poging tot inbraak bij [naam restaurant 2]

De rechtbank oordeelt op basis van de stills in het dossier dat de kwaliteit van de camerabeelden voldoende is om daar een betrouwbare herkenning op te kunnen baseren. De dader van deze poging inbraak is echter, onder meer door het dragen van een pet, niet goed op de beelden zichtbaar, waardoor er geen onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Gezichtsherkenning is dan ook niet mogelijk. De rechtbank acht de kleding en postuur niet voldoende voor een betrouwbare herkenning. In het proces-verbaal van bevindingen is beschreven dat de dader met een koevoet heeft geprobeerd de deur te forceren. Toen dat niet slaagde, heeft hij de deur ingetrapt. Dit is een veelvoorkomende modus operandi bij inbraken. Schakelbewijs zal daarom geen toepassing kunnen vinden. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 4: inbraak bij voetbalvereniging [naam vereniging]

De rechtbank oordeelt aan de hand van de stills in het dossier dat de kwaliteit van de camerabeelden voldoende is om daar een betrouwbare herkenning op te kunnen baseren. De dader van deze inbraak is echter, door het dragen van een capuchon en een sjaal over het gezicht, niet herkenbaar in beeld. Verbalisant [verfbalisant 1] baseert zijn herkenning onder meer op de houding, postuur, kleding en het loopje van verdachte. De rechtbank oordeelt dat houding, postuur en kleding niet voldoende onderscheidende persoonskenmerken zijn waarop in dit geval een herkenning met voldoende zekerheid kan worden gebaseerd. Verbalisant [verfbalisant 1] heeft niet nader gemotiveerd wat er herkenbaar is aan ‘het loopje’. Tevens kan de rechtbank de bewegende beelden niet bekijken en was verdachte niet ter terechtzitting aanwezig, waardoor ‘het loopje’ niet kan worden getoetst aan de eigen waarneming. Tot slot bevat de door de dief gebruikte modus operandi, het forceren van de deur met een schroevendraaier, onvoldoende specifieke elementen om schakelbewijs te kunnen toepassen. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 6: poging tot diefstal bij [naam restuarant 4]

De rechtbank oordeelt dat de stills van de camerabeelden van onvoldoende kwaliteit zijn om daar een betrouwbare herkenning op te kunnen baseren. In het proces-verbaal van bevindingen is omschreven dat de dief de deur probeert te forceren met een breekijzer en met zijn lichaam tegen de deur beukt. Het zichtbare signalement op deze camerabeelden en deze modus operandi zijn niet voldoende onderscheidend om schakelbewijs te kunnen toepassen. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 7: poging tot inbraak bij [naam restaurant 5]

De rechtbank oordeelt dat de camerabeelden van onvoldoende kwaliteit zijn om te kunnen leiden tot de herkenning van een persoon. In het proces-verbaal van bevindingen is geschreven dat de dader getracht heeft het raam te forceren met een koevoet en tegen het raam heeft geschopt. Deze modus operandi is onvoldoende specifiek om schakelbewijs te kunnen toepassen. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Oordeel in zaak A

Feit 1: inbraak bij kapperszaak

De rechtbank acht op grond van de aangifte, het aantreffen bij verdachte van de gestolen kassalade en kappersspullen en de bekennende verklaring van verdachte de onder 1 ten laste gelegde inbraak bewezen. De raadsman heeft ten aanzien van dit feit geen verweer gevoerd. De rechtbank verwijst daarom voor dit feit naar de bewijsmiddelen.

Feit 2: inbraak bij voetbalvereniging [naam vereniging]

Verbalisant [verbalisant 3] heeft in het proces-verbaal herkenning contra verdachte niet verklaard welke camerabeelden door hem of haar zijn bekeken. Ook zijn de stills van de bekeken camerabeelden niet als bijlage bij het proces-verbaal van herkenning gevoegd. Zodoende kan de rechtbank niet toetsen of de herkenning van [verbalisant 3] gebaseerd is op beelden betreffende het onderhavige feit en of op grond van de gebruikte stills een betrouwbare herkenning mogelijk is. Dit proces-verbaal kan daarom niet voor het bewijs worden gebezigd.

Verbalisant [verfbalisant 1] heeft tevens een proces-verbaal van herkenning contra verdachte opgemaakt. [verfbalisant 1] verklaart de stills van de camerabeelden van [naam vereniging] te hebben bekeken en de stills van de camerabeelden die hij heeft bekeken zijn met datumvermelding achter het proces-verbaal gevoegd. Er bestaat zodoende geen onduidelijkheid dat hij de stills van het onderhavige feit heeft bekeken. De kwaliteit van de stills van de camerabeelden is voldoende om duidelijke, specifieke persoonskenmerken te kunnen onderscheiden. Tevens is het gezicht van verdachte zichtbaar. [verfbalisant 1] heeft verklaard verdachte te hebben herkend aan zijn gezicht. [verfbalisant 1] heeft verdachte in het verleden meerdere malen in levende lijve gezien, waaronder vrij recent. De rechtbank acht op grond van het voorgaande de herkenning door verbalisant [verfbalisant 1] betrouwbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aanwezig die deze herkenning mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar maken.

Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden worden beschreven blijkt dat de dader met een voorwerp wringt tussen de deur. Op het plaats delict is een schroevendraaier aangetroffen. Deze is door een verbalisant veiliggesteld en bemonsterd. Uit het NFI-rapport blijkt dat uit één van deze bemonsteringen een DNA-hoofdprofiel is afgeleid dat matcht met het DNA-profiel van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard. Ondanks dat de schroevendraaier een verplaatsbaar object betreft en niet blijkt op welk moment het DNA van verdachte op de schroevendraaier is terechtgekomen, acht de rechtbank het resultaat van dit DNA-onderzoek in samenhang met de aangifte, de camerabeelden en de betrouwbare herkenning voldoende voor een bewezenverklaring. De rechtbank acht de onder 2 ten laste gelegde inbraak bewezen.

Oordeel in zaak B

Feit 5: poging tot inbraak bij [naam restaurant 3]

De rechtbank oordeelt op basis van de stills in het dossier dat de camerabeelden van voldoende kwaliteit zijn, en dat daarop duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken van de dader zichtbaar zijn. Zelfs een gezichtsherkenning is mogelijk. Verbalisant [verfbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal duidelijk beschreven welke beelden hij heeft bekeken. Hij herkent verdachte op deze beelden. Verbalisant [verfbalisant 1] kon deze herkenning doen, omdat hij verdachte eens heeft aangehouden. De rechtbank is van oordeel dat deze herkenning betrouwbaar is en kan worden gebezigd voor het bewijs. Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] hebben tevens, afzonderlijk van elkaar, een proces-verbaal herkenning opgemaakt. Uit hun processen-verbaal blijkt niet welke beelden zij hebben bekeken, maar de datum van de betreffende beelden is leesbaar op de bijgevoegde stills. Dit betreffen duidelijk de stills van het onderhavige feit. Verbalisant Van Soelen spreekt van een gezichtsherkenning en vermeldt dat hij verdachte herkent, omdat hij verdachte eerder dat jaar heeft aangehouden voor een andere inbraak. Ook verbalisant [verbalisant 6] baseert zijn herkenning op gezichtskenmerken en vermeldt dat hij verdachte ambtshalve kent. De rechtbank acht zodoende ook deze herkenningen betrouwbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aanwezig die deze herkenningen mogelijk zouden kunnen falsificeren of onbetrouwbaar maken. Op grond van de aangifte en de onafhankelijk herkenningen door deze drie verbalisanten, acht de rechtbank de onder 5 ten laste gelegde poging tot inbraak bewezen. De rechtbank gebruikt de overige herkenningen waarop de officier van justitie zich baseert voor dit feit niet voor het bewijs, omdat in die gevallen niet voldoende duidelijk is welke beelden zijn bekeken door de betreffende verbalisanten.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A

1.

op 8 oktober 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een (bedrijfs)pand (perceel [adres 1] ) een kassalade (met daarin een bedrag van circa 125 euro) en sieraden en diverse kappersspullen, toebehorende aan [naam 1] , en aan een ander, dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot voornoemd (bedrijfs)pand heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

2.

op 10 juli 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een (bedrijfs)pand (perceel [adres 2] ) een kassalade, toebehorende aan voetbalvereniging [naam vereniging] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot voornoemd (bedrijfs)pand heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

Zaak B

5

Op 8 oktober 2017 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een restaurant genaamd [naam restaurant 3] weg te nemen goederen van zijn gading en geld, toebehorende aan [naam restaurant 3] en/of [naam 3] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, naar dat restaurant is gegaan en een schroevendraaier, tussen het kozijn en het raam van een deur van dat restaurant heeft geplaatst met die schroevendraaier heeft gewrikt en tegen dat raam heeft geduwd en zich de toegang tot dat restaurant heeft verschaft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren waren verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf welke in kracht van gewijsde was gegaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.

Standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren zonder aftrek van voorarrest. De officier van justitie wil daarmee de maatschappij beschermen en de recidive terugbrengen.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering tot oplegging van de ISD-maatregel af te wijzen, dan wel deze maatregel voorwaardelijk op te leggen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de ISD-maatregel pas aan de orde is indien andere hulpverleningstrajecten niet hebben kunnen voorkomen dat verdachte diverse nieuwe feiten pleegt. Er is geen recent reclasseringstoezicht geweest. Daarbij zijn eerder opgestelde rapporten uitgegaan van een verdachte die zijn problematiek niet erkent. Nu is het geval dat verdachte wel zijn verslavingsproblematiek erkent en daar hulp voor wil.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander uit het dossier en bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft ingebroken bij een kapsalon en bij voetbalvereniging [naam vereniging] . Bij beide feiten heeft verdachte de toegangsdeur geforceerd en de kassalade met daarin een geldbedrag meegenomen. Verdachte heeft ook bij restaurant [naam restaurant 3] de toegang geforceerd en is daar naar binnen gegaan, kennelijk om te stelen. Daar is het echter bij een poging gebleven, omdat de kassalade op dat moment leeg was. De verdachte heeft met deze inbraken enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin zonder belang te hechten aan de overlast en materiële schade die dit voor de gedupeerde bedrijven heeft opgeleverd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa van 19 december 2018, opgemaakt door R.A.W. Kaatman. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in: verdachte is een recidivist die lijdt aan ernstige verslavingsproblematiek. Eerdere interventies met reclasseringstoezicht hebben niet geleid tot het terugdringen van recidive. Verdachte is zorgmijdend en heeft zich herhaaldelijk onttrokken aan de aan hem opgelegde voorwaarden. De reclassering ziet zodoende geen andere mogelijkheden om het gedrag te veranderen dan een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 10 januari 2019 voornoemde reclasseringswerker Kaatman, als deskundige gehoord. Hij verklaarde – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende: het lijkt alsof verdachte nu wel gemotiveerd is om zijn verslavingsproblematiek aan te pakken. Er bestaat bij de reclassering ook het vermoeden, dat hij slechts sociaal wenselijke antwoorden geeft. Verdachte lijkt zijn handelen en de consequenties daarvan niet goed te kunnen overzien. Hij staat snel afwijzend tegenover behandeling en is verbaal agressief tegen behandelaars en begeleiders. In de afgelopen jaren zijn diverse vormen van interventie en toezicht gestart, maar op de lange termijn hebben deze niet bijgedragen aan het terugdringen van recidive. De grootste kans op gedragsverandering is volgens de reclassering via de ISD-maatregel. Daarbij zou in de extramurale fase huisvesting voor verdachte kunnen worden gezocht.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 9 januari 2019 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 8 oktober 2017, de pleegdatum van het meest recente feit, meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het uittreksel justitiële documentatie van 11 december 2018 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank ziet geen reden om deze maatregel niet op te leggen. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn verslavingsproblematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8 Benadeelde partij

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 bewezene

De benadeelde partij, [naam 1] , vordert € 925,03 (inclusief btw) aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie is van mening dat deze vordering voldoende is onderbouwd en heeft de rechtbank verzocht de vordering toe te wijzen. De raadsman heeft verzocht de tondeuse niet te vergoeden, nu er op de foto geen schade aan de tondeuse te zien is. Voor het overige deel van de vordering heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De post tondeuse is door de raadsman betwist. De benadeelde partij heeft ter terechtzitting verklaard dat de schade inderdaad niet van de buitenzijde waarneembaar is. De batterij is echter heel snel leeg en kon niet worden vervangen. Dit komt doordat de tondeuse is gevallen nadat deze is gestolen. Dat is de reden dat er een nieuwe tondeuse is besteld. De rechtbank acht aannemelijk dat aan de kappersspullen schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 757,92 (exclusief btw) toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde BTW komt niet voor vergoeding in aanmerking nu benadeelde, als ondernemer de betaalde omzetbelasting kan terugvorderen bij de belastingdienst. De vordering van de benadeelde partij wordt voor dit gedeelte afgewezen.

In het belang van [naam 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van het in zaak B onder 5 bewezene

De benadeelde partij, [naam restaurant 3] , vordert € 3.979,14 (inclusief btw) aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft verzocht de kostenposten die met stukken zijn onderbouwd toe te wijzen. Dit betreft het vervangen van het ruit, schade aan de deur/pui en schade aan de kassa’s van een betaalbedrag van € 3.410,44. De raadsman heeft verzocht de kostenposten schoonmaak en personeelsuren af te wijzen, omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank acht het aannemelijk dat het restaurant behoorlijk moest worden schoongemaakt na de inbraak. De schoonmaakkosten acht de rechtbank dan ook voor toewijzing vatbaar. De personeelskosten zijn onvoldoende onderbouwd en de benadeelde partij zal om die reden in die post niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 3.329,93 (exclusief btw) toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde BTW komt niet voor vergoeding in aanmerking nu benadeelde, als ondernemer de betaalde omzetbelasting kan terugvorderen bij de belastingdienst. De vordering van de benadeelde partij wordt voor dit gedeelte afgewezen.

In het belang van [naam restaurant 3] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 43a, 45, 57, 38m en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het in zaak B onder 1 tot en met 4 en het onder 6 en 7 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

In zaak A onder 1 bewezene

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking;

In zaak A onder 2 bewezene

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

In zaak B onder 5 bewezene

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een hem wegens diefstal opgelegde gevangenisstraf heeft ondergaan.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van [naam 1] , toe tot een bedrag van € 757,92 (zegge: zevenhonderdzevenenvijftig euro en tweeënnegentig eurocent), bestaande uit materiële schade. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] , voornoemd. Te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 oktober 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Wijst de vordering af voorzover het de BTW betreft. Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Schadevergoedingsmaatregel:

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van

[naam 1] een bedrag van € 757,92 (zegge: zevenhonderdzevenenvijftig euro en tweeënnegentig eurocent), bestaande uit materiële schade. Het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van [naam restaurant 3] , toe tot een bedrag van € 3.329,93 (zegge: drieduizend driehonderdnegenentwintig euro en drieënnegentig eurocent), bestaande uit materiële schade. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam restaurant 3] , voornoemd. Te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 oktober 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening. Wijst de vordering af voorzover het de BTW betreft. Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Schadevergoedingsmaatregel:

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam restaurant 3] een bedrag van € 3.329,93 (zegge: drieduizend driehonderdnegenentwintig euro en drieënnegentig eurocent), bestaande uit materiële schade. Het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 43 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en A.A. Spoel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2019.