Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1505

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
08-03-2019
Zaaknummer
13/650592-18 + 99/000439-36 (V.I.) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak geweldsaspect, diefstal portemonnee wel bewezen. Gedeeltelijke herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/650592-18 + 99/000439-36 (V.I.) (Promis)

Datum uitspraak: 5 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam huis van bewaring] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
19 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Kurniawan-Ayre en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A. Boumanjal naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt kort gezegd beschuldigd van het plegen van de volgende feiten:

Feit 1:
diefstal van een portemonnee met inhoud met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd op 3 december 2018 in Amsterdam;

Feit 2:

primair: toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] door hem tegen het hoofd dan wel het lichaam te slaan, gepleegd op 3 december 2018 in Amsterdam;

subsidiair: poging tot toebrengen van voormeld zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] ;

meer subsidiair: eenvoudige mishandeling van [slachtoffer] met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de diefstal met geweld wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard op basis van de aangifte en het proces-verbaal van de camerabeelden. Direct nadat verdachte aangever bewusteloos heeft geslagen, doorzoekt hij diens kleding waarbij hij de portemonnee van aangever vindt en de plaats delict verlaat. Deze gedragingen in combinatie met het wegnemen van de portemonnee kunnen in onderlinge samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan dat het geweld ten dienste stond van de beroving van aangever.

De onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard op basis van de camerabeelden waarop is te zien dat verdachte vanuit het niets aangever slaat, waarna deze roerloos op de grond blijft liggen en de letselverklaring.

4.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte primair moet worden vrijgesproken van de diefstal met geweld nu hij nooit de intentie heeft gehad om aangever te beroven. Hij wilde enkel checken of zijn geld in de portemonnee van aangever zat. Dat verdachte de portemonnee in bezit heeft gehad zegt niets over het oogmerk. Subsidiair moet verdachte partieel worden vrijgesproken van het geweld, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte het oogmerk had om met behulp van het geweld de portemonnee van aangever weg te nemen.
De verdediging verwijst ten aanzien van het bewijs voor het onder 2 ten laste gelegde naar de daarvoor geldende jurisprudentie.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Oordeel over het onder 1 ten laste gelegde

Op 3 december 2018 heeft aangever verdachte als snorder vervoerd. Als verdachte later op diezelfde dag ontdekt dat hij geld kwijt is, neemt hij hierover contact op met aangever. Vervolgens heeft verdachte aangever opgezocht en hebben zij samen de auto van aangever doorzocht. Hierna heeft verdachte met één vuistslag aangever bewusteloos geslagen en zijn kleding doorzocht.

De rechtbank moet zich buigen over de vraag of dit geweld ten dienste stond van het wegnemen van de portemonnee met inhoud. In meer juridische bewoordingen: had verdachte het oogmerk om zich met behulp van dat geweld goederen dan wel geld van aangever toe te eigenen. Verdachte zal dit als specifiek doel gehad moeten hebben om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit te kunnen komen.

Naast enkele beschrijvingen van camerabeelden bestaat het dossier voornamelijk uit verklaringen.

Verdachte heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris en op zitting erkend dat er geweld heeft plaatsgevonden, maar ontkent dat hij daarmee de intentie had om aangever te beroven; het was volgens verdachte een reactie op het spugen van aangever. Verdachte was ervan overtuigd dat hij zijn geld in de auto van aangever was verloren, waardoor het geld zich nog in de auto moest bevinden of in het bezit van aangever zijn. Nadat verdachte tevergeefs de auto had doorzocht en naar zijn zeggen de aangever hem bespuugde, is hij boos geworden en heeft hij aangever een vuistslag gegeven waardoor deze bewusteloos op de grond viel. Vervolgens heeft verdachte de kleding van aangever doorzocht om te kijken of hij zijn geld bij zich droeg. Verdachte heeft de portemonnee van aangever gevonden en meegenomen


De rechtbank overweegt dat de lezing van verdachte dat hij boos werd, daarom aangever heeft geslagen en hem vervolgens heeft gefouilleerd met als doel het vinden van zijn (rol) geld, niet onaannemelijk is en wordt ondersteund door het dossier. Zo heeft aangever bevestigd dat verdachte in de veronderstelling was dat hij geld in de auto van aangever was kwijtgeraakt en dat zij samen de auto hebben doorzocht. Daarnaast blijkt uit de camerabeelden dat verdachte na fouillering van aangever de portemonnee van aangever meeneemt en na enige tijd achterlaat op een prullenbak.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de lezing van verdachte niet kan worden uitgesloten. Het kan zo zijn dat verdachte uit boosheid heeft geslagen en vervolgens van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om aangever te fouilleren en zijn portemonnee mee te nemen. Omdat er ruimte bestaat voor twijfel over de intentie van verdachte bij het gebruik van het geweld en of het geweld gericht was op het beroven van aangever, dient verdachte het voordeel van deze twijfel te krijgen. Het geweldsaspect kan daarom niet worden bewezen en verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Op basis van de camerabeelden is wel vast komen te staan dat verdachte enige tijd in het bezit is geweest van de portemonnee van aangever. Daarom acht de rechtbank de diefstal van de portemonnee met inhoud wel bewezen.

Anders dan de raadsman is de rechtbank niet van oordeel dat daarmee de grondslag van de tenlastelegging is verlaten.

4.3.2.

Oordeel over het onder 2 ten laste gelegde

Verdachte heeft bekend dat hij aangever heeft geslagen. Beoordeeld dient te worden of verdachte aangever zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel (subsidiair) heeft gepoogd hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (meer subsidiair) hem heeft mishandeld.

Ter beoordeling van het primaire verwijt stelt de rechtbank dat uit de letselverklaring van het Amsterdam UMC blijkt dat aangever een onderkaakfractuur, een tand met botdefect en letsel aan zijn oor heeft opgelopen. Het dossier bevat geen nadere informatie over het herstel van het letsel, over eventuele beperkingen die aangever tot op heden van het letsel ondervindt of over de noodzaak tot nadere medische ingrepen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesproken worden van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal om die reden van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Voor een bewezenverklaring van het subsidiaire verwijt, poging tot zware mishandeling, is vereist dat verdachte bij de mishandeling van aangever het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier blijkt dat verdachte uit het niets en met gebalde vuist aangever tegen het hoofd heeft geslagen. Hoewel dit slechts één klap was, is aangever desondanks bewusteloos geraakt. Hieruit blijkt dat verdachte aangever onverhoeds met kracht tegen het hoofd heeft geslagen. Het hoofd moet worden aangemerkt als een kwetsbare plek van het lichaam; hierin bevinden zich de hersenen terwijl voorts letsel aan het aangezicht als snel als zeer ontsierend zal worden ervaren. Door de onverhoedse uithaal heeft het slachtoffer zich hiertegen niet kunnen beschermen en is de vuistslag dan ook vol aangekomen.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet omdat verdachte met zijn handelwijze de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dat betekent dat de onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

op 3 december 2018 te Amsterdam, een portemonnee met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

op 3 december 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] eenmaal tegen het hoofd heeft geslagen.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en onder 2 subsidiair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 11 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd in het advies van 23 januari 2019. Deze bijzondere voorwaarden houden in een meldplicht, ambulante behandeling bij de Waag of soortgelijke zorgverlener en het meewerken aan de gedragsinterventie ‘Werken aan werk’ of soortgelijke interventie gericht op het vinden van een dagbesteding.

8.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een portemonnee en poging tot zware mishandeling. Hiermee heeft verdachte een onaanvaardbare inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke en fysieke integriteit van het slachtoffer en geen respect getoond voor andermans eigendom. De feiten vonden bovendien op de openbare weg plaats, hetgeen onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving tot gevolg heeft. Vooral het feit dat verdachte het slachtoffer met één klap tegen het hoofd bewusteloos heeft geslagen, rekent de rechtbank hem aan.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in ogenschouw genomen waarin het oriëntatiepunt voor poging tot zware mishandeling een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden bedraagt. Vervolgens heeft de rechtbank bekeken of er in deze zaak feiten en omstandigheden zijn die oplegging van een lichtere of juist zwaardere straf dan wel een maatregel rechtvaardigen.

Geen bijzondere voorwaarden
De officier van justitie heeft een deels voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd, met oplegging van de volgende bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 23 januari 2019: een meldplicht, ambulante behandeling en het meewerken aan de gedragsinterventie ‘Werken aan werk’ of soortgelijke interventie gericht op het vinden van een dagbesteding.

Uit het reeds aangehaalde reclasseringsrapport die van verdachte is opgemaakt blijkt dat er vermoedens zijn van problematiek op het gebied van impulsbeheersing dan wel agressieregulatie. Ondanks dat op basis van de geadviseerde bijzondere voorwaarden aan de problematiek van verdachte gewerkt zou kunnen worden, is de rechtbank van oordeel dat die bijzondere voorwaarden op dit moment van weinig toegevoegde waarde zijn.

De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte met ingang van 29 juni 2018 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd van 618 dagen niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast zijn aan verdachte de volgende bijzondere voorwaarden opgelegd: een contactverbod, locatieverbod, locatiegebod, meldplicht, ambulante behandelverplichting, het verlenen van medewerking aan de gedragsinterventie ‘werken aan werk’, zich inspannen voor het realiseren van een woonruimte en structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding, een open, gemotiveerde en meewerkende houding te tonen met betrekking tot het toezicht en de behandeling en het geven van openheid van zaken over zijn financiële situatie. Verdachte wordt dus al behandeld en krijgt de hulp en begeleiding die nodig wordt geacht. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij het in het kader van de begeleiding en behandeling van cruciaal belang vindt dat er zo spoedig mogelijk een diagnostiek van verdachte wordt opgemaakt. Uit deze diagnostiek kan (nader) blijken wat de specifieke problematiek is van verdachte en welke (ambulante) behandeling geïndiceerd is.

De rechtbank is alles overziend van oordeel dat behandeling en begeleiding van verdachte in het kader van de reeds lopende voorwaardelijke invrijheidsstelling kan en dient te worden voortgezet en dat oplegging van bijzondere voorwaarden op dit moment in het kader van de onderhavige strafzaak niet aan de orde is.

Gevangenisstraf

Oplegging van een gevangenisstraf is passend en geboden.

De rechtbank heeft kennis genomen van het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 januari 2019. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor veelal gewelds- en vermogensdelicten. In het bijzonder is in 2017 aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren opgelegd wegens een gewelddadige woningoverval met diefstal van een auto. De rechtbank stelt vast dat verdachte hulp nodig heeft bij het aanpakken van de problematiek die ten grondslag ligt aan het plegen van geweldsdelicten. De rechtbank stelt eveneens vast dat aan verdachte meerdere kansen zijn geboden om aan zijn problematiek te werken, waaronder de PIJ-maatregel, maar dat verdachte deze kansen niet in voldoende mate heeft benut. Dat verdachte weer, en nog geen half jaar nadat hij voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, opnieuw een gewelds- en vermogensdelict heeft gepleegd, is zeer zorgwekkend.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat zij in tegenstelling tot de officier van justitie het onder 1 ten laste gelegde geweldscomponent niet bewezen acht.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden een passende straf is.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 95,-- aan materiële schadevergoeding en een bedrag van € 2.000,-- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien ten gevolge van het strafbare feit de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is aangetast.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende onderbouwd is en dat deze geheel toewijsbaar is, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel inclusief wettelijke rente.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering kan worden toegewezen voor zover het de ziekenhuiskosten betreft. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft de verdediging verzocht aansluiting te zoeken bij soortgelijke zaken en de vordering te matigen tot een bedrag van € 500,--.

De rechtbank stelt vast dat verdachte aan de benadeelde partij door feit 1 rechtstreeks materiële schade heeft toegebracht. De rechtbank oordeelt dat deze voldoende onderbouwd is en wijst de vordering toe tot een bedrag van € 95,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2018.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 1.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 december 2018. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 95,-- bestaande uit materiële schadevergoeding en € 1.000,-- bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 3 december 2018.

10 Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland van 7 juli 2014, onder parketnummer 96/066783-14, bij onherroepelijk geworden vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland van 4 februari 2015, onder parketnummer 96/253489-14 en bij onherroepelijk geworden arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 9 augustus 2017, onder parketnummer 21/007330-15, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.

Verdachte is bij besluit van 22 juni 2018 op grond van artikel 15, tweede lid, Sr voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt (artikel 15a lid 1 onder a Sr).

Bij de stukken bevindt zich de op 24 december 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaken met parketnummers 96/066783-14, 96/253489-14 en 21/007330-15, met v.i.-zaaknummer 99/000439-36.

De vordering van de officier van justitie, zoals ter terechtzitting toegelicht, strekt tot het gedeeltelijk herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling van 365 dagen.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te wijzen aangezien verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden.

De verdediging heeft verzocht de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af te wijzen en de voorwaarden te wijzingen in die zin dat verdachte wordt verplicht om medewerking te verlenen aan het opstellen van diagnostiek en zijn voorwaardelijke vrijheid niet langer in Amsterdam maar in Zeeland kan doorbrengen.

Zoals naar voren is gekomen in dit vonnis, is gebleken dat verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde strafbare feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De rechtbank is van oordeel dat de gepleegde feiten in combinatie met de omstandigheden waaronder die zijn begaan, in beginsel voldoende grond opleveren om de gehele voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. Anderzijds zal de rechtbank ook rekening houden met de persoon van verdachte. Indien verdachte zijn resterende vrijheidsstraf moet uitzitten, zal hij uiteindelijk zonder enige vorm van hulp of behandeling op straat komen te staan. Uit hetgeen hiervoor onder 8.3 is overwogen volgt dat dit zeer onwenselijk is.

De rechtbank is zich ervan bewust dat verdachte al lange tijd met een bepaalde problematiek kampt – die mogelijk ook heeft geleid tot het plegen van de bewezenverklaarde feiten - en dat het aanpakken van deze problematiek naar verwachting geruime tijd in beslag zal nemen. De rechtbank vindt het van groot belang voor verdachte en de maatschappij, dat verdachte gedurende langere tijd de begeleiding en behandeling krijgt die hij nodig heeft.

De rechtbank zal de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling daarom gedeeltelijk toewijzen, te weten voor de duur van 270 dagen. De rechtbank acht het wenselijk dat tijdens de duur van de herroeping de reclassering, indien mogelijk, de gelegenheid aangrijpt om van verdachte een diagnostiek op te (laten) stellen. Op basis hiervan zal het meest passende behandelplan kunnen worden opgesteld en kan vervolgens samen met verdachte een begin worden gemaakt met de verdere behandeling en begeleiding. Het is aan verdachte om te laten zien dat hij bereid is de benodigde inspanning te leveren en deze (laatste) kans met beide handen aan te grijpen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

Diefstal;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [slachtoffer] , wonende op het adres [adres 1] , toe tot een bedrag van € 1.095,-- (éénduizend en vijfennegentig euro), bestaande uit
€ 95,-- (vijfennegentig) aan materiële schadevergoeding en € 1.000,-- (éénduizend) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2018 tot aan de voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.095,-- (éénduizend en vijfennegentig euro) te betalen, aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2018 tot aan de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 20 (twintig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst gedeeltelijk toe de vordering strekkende tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 270 (tweehonderd zeventig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. M.M.L.A.T. Doll en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2019.