Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1488

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
13/684065-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mishandelingen ex-partner en vernielingen. Vrijspraak belaging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684065-18

Datum uitspraak: 4 maart 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari 2019.

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en beraad in raadkamer op 19 februari 2019 de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 22 februari 2019 onder voorwaarden geschorst.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J. Ang, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van de 26 juli 2017 tot en met 2 februari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [persoon 1] , door voornoemde [persoon 1] in voornoemde periode (via verschillende telefoonnummers)

- grote hoeveelheden (beledigende en/of bedreigende) SMS-jes en/of (whats-app) berichten te sturen, onder meer inhoudende

* "Ga zo door je gaat zien waar je gaat eindigen neem een voorbeeld van die wijf die in Amstelveen het loodje heb gelegd" en/of

* "Iedereen waarvan jij denkt dat ie wat voor je kan betekenen veeg ik" en/of

* "Stinkhoer dat je bent" en/of

* "Kankerzoon je vader" en/of

* "Je hele kankerfamilie neuk ik" en/of

* "Als ik jou zie in de stad of waar da ook ram ik al je tanden uit je smoel" en/of

* "Ik breek je" en/of

* "Jij komt nergens meer je bent uitgespeeld" en/of

* "Ik maak jullie allemaal kapot kaaskoppen" en/of

- meermalen (per dag) te bellen en/of

- voornoemde [persoon 1] (meermalen) thuis/voor/bij haar woning en/of (elders in de stad) in/bij openbare gelegenheden en/of op straat op te wachten en/of op te zoeken,

met het oogmerk voornoemde [persoon 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 26 juli 2017 tot en met 2 februari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 1] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door voornoemde [persoon 1] (mondeling en/of via/per SMS en/of (Whats app) dreigend de woorden toe te voegen:

- "Jij bent van mij. Jij gaat mee naar huis" en/of

- "Ga zo door je gaat zien waar je gaat eindigen neem een voorbeeld van die wijf die in Amstelveen het loodje heb gelegd" en/of

- "Als ik jou zie in de stad of waar dan ook ram ik al je tanden uit je smoel",

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 23 april 2017 tot en met 2 februari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk

- huisraad en/of de inboedel en/of

- een of meer ruit(en)/ra(a)m(en) van een woning (gelegen aan [adres 1] ) (betreft gevoegde zaak 13-706342-17) en/of

- een of meer telefoon(s),

in elk geval (telkens) een of meer goed(eren), die/dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [persoon 1] , heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van de maand februari 2017 tot en met 2 februari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 1] , (telkens) heeft mishandeld door

- voornoemde [persoon 1] eenmaal of meermalen (met kracht) te slaan en/of te stompen en/of te duwen en/of

- (met kracht) tegen haar benen te schoppen en/of te trappen en/of

- (met kracht) een sleutelbos, althans een hard voorwerp, tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, van voornoemde [persoon 1] te gooien en/of te smijten;

5. (voorheen parketnummer 13-706703-16)

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 16 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend [persoon 2] (met kracht) eenmaal of meermalen op/tegen zijn (achter)hoofd en/of in/op zijn gezicht/gelaat heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [persoon 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

6. (voorheen parketnummer 13/684138-18)

hij op of omstreeks 26 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon en/of een (personen)auto (gekentekend [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [persoon 1] en/of [naam bedrijf] , toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

7. (voorheen parketnummer 13/684138-18)

hij op of omstreeks 26 maart 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 1] heeft mishandeld door (met kracht)

- aan de haren van voornoemde [persoon 1] te trekken en/of te rukken en/of

- door voornoemde [persoon 1] aan haar haren vast te pakken en/of vast te houden en/of

- door voornoemde [persoon 1] éénmaal of meermalen in/tegen haar gezicht te slaan en/of te duwen;

8. (voorheen parketnummer 13/684022-19)

hij op of omstreeks 24 januari 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een elektronische enkelband (bij verdachte aangesloten in het kader van elektronisch toezicht), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen, Dienst Vervoer en Ondersteuning, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid dagvaarding.

De raadsman heeft betoogd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, waar het betreft feit 4. Er is een breed geformuleerde tenlastelegging die ziet op diverse mishandelingen gepleegd binnen een zeer lange periode, met als pleegplaats slechts Amsterdam. Een deugdelijke omschrijving waaruit kan worden afgeleid op welke specifieke gebeurtenissen de tenlastelegging het oog heeft, ontbreekt. Een adequate verdediging en een goede beoordeling van dit feit zijn daarom niet mogelijk, zodat volgens de raadsman nietigverklaring van dit deel van de dagvaarding moet volgen.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging niet uitblinkt in helderheid en dat de omschrijving van de feiten summier is. Echter, in samenhang bezien met het dossier en de zich daarin bevindende aangiftes, wordt voldoende duidelijk op welke gebeurtenissen de in feit 4 genoemde mishandelingen het oog hebben. Ook ter terechtzitting is gebleken dat hieromtrent bij de verdediging en de rechtbank geen misvattingen bestaan. Voor verdachte is daarom voldoende duidelijk waartegen hij zich moet verdedigen. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding geldig is.

3.2.

Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van [persoon 1] door het verzenden van de in de tenlastelegging opgenomen bedreigende en beledigende berichten. De verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris waar hem berichten zijn voorgehouden, kan als een bekennende verklaring worden opgevat.

Ook de overige ten laste gelegde feiten kunnen bewezen worden verklaard.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde:

Verdachte moet van beide feiten worden vrijgesproken. Er kan niet worden vastgesteld dat de betreffende bedreigende en beledigende berichten aan [persoon 1] door hem zijn verzonden. Evenmin blijkt dat verdachte [persoon 1] vaak zou hebben opgezocht en dat het contact met haar steeds wederrechtelijk zou zijn geweest.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

- Verdachte heeft erkend dat hij 23 april 2017 vernielingen in de woning van [persoon 1] heeft aangericht.

- Verdachte heeft eveneens toegegeven dat hij op 8 mei 2017 een ruit van de woning van [persoon 1] heeft ingegooid.

- De verklaring van verdachte van 23 september 2017, dat hij telefoons heeft stukgegooid, ziet op een gebeurtenis die ruim voor de ten laste gelegde periode valt. Verdachte moet daarom ter zake van het vernielden van telefoons worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

Verdachte moet van alle drie de ten laste gelegde mishandelingen worden vrijgesproken.

- Voor de ten laste gelegde mishandeling na het bezoek aan restaurant [naam restaurant] is geen steunbewijs.

- Met betrekking tot het gebeuren bij café [naam café 1] heeft [persoon 1] verklaard dat de trap tegen haar been “niet echt pijn” deed, terwijl letsel bij haar niet is vastgesteld. Aldus kan niet van een mishandeling worden gesproken.

- Er is voorts geen steunbewijs dat verdachte [persoon 1] heeft mishandeld door het gooien van een sleutelbos tegen haar hoofd. Bovendien is onduidelijk wanneer en waar dit feit zich precies zou hebben voorgedaan.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

- Verdachte moet worden vrijgesproken, primair wegens gebrek aan bewijs, subsidiair omdat verdachte een beroep op noodweer toekomt.

In het geval de rechtbank daar anders over denkt, heeft de raadsman het voorwaardelijk verzoek gedaan om [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] als getuigen te horen.

Ten aanzien van het onder 6 en 7 tenlastegelegde:

- Verdachte heeft erkend dat hij de door [persoon 1] gehuurde auto heeft beschadigd.

- Er is geen steunbewijs voor de ten laste gelegde mishandeling van [persoon 1] . Uit de door [persoon 11] afgelegde getuigenverklaring blijkt dat zij niet heeft gezien dat verdachte [persoon 1] heeft mishandeld.

Ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde:

- In het dossier zit geen foto van de betreffende enkelband en de aangever heeft zelf kennelijk de enkelband niet onder ogen gehad. Een strafbare vernieling kan daarom niet worden vastgesteld.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Het verwijt dat verdachte [persoon 1] heeft belaagd en dat hij haar heeft bedreigd, is in overwegende mate gebaseerd op de in de tenlastelegging genoemde beledigende en bedreigende berichten die verdachte aan [persoon 1] zou hebben verzonden.

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij deze berichten heeft verzonden.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen op blz. 79 van het dossier zijn de betreffende berichten afkomstig van de telefoonnummers ***9442 en ***9794. Het betreft respectievelijk een prepaid telefoonnummer van Lyca en een telefoonnummer op naam van [persoon 8] . Dit laatste nummer bleek in gebruik te zijn van [persoon 9] . Hij kent [persoon 1] van het uitgaansleven. Hij leent zijn telefoon wel eens uit maar weet niet wie de berichten vanaf zijn telefoon heeft verzonden.

Beide telefoonnummers kunnen niet aan verdachte worden gelinkt. Ook uit de inhoud van de berichten kan niet zonder meer worden afgeleid dat deze berichten van verdachte afkomstig moeten zijn. Hierbij komt dat uit de verklaring van [persoon 1] bij de rechter-commissaris blijkt dat zij in de periode dat zij problemen had met verdachte ook nare berichten ontving van een andere ex-vriend.

In het verhoor bij de rechter-commissaris ten tijde van de vordering inbewaringstelling op 7 februari 2018, zijn verdachte door de rechter-commissaris “enkele berichten” voorgehouden. Verdachte heeft in reactie daarop verklaard dat deze berichten niet goed zijn te praten en veelal in de nacht of ’s morgens vroeg zijn verstuurd. Drank en emoties zouden daarbij een rol hebben gespeeld. Uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris is echter niet op te maken welke berichten aan verdachte zijn voorgehouden. Hoewel voor de hand ligt dat dit de berichten zijn die op de tenlastelegging en de vordering inbewaringstelling staan vermeld, ontbreekt daaromtrent zekerheid. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank dan ook van oordeel dat het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris niet als bewijs kan worden gebruikt dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen berichten heeft verstuurd.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de in de tenlastelegging genoemde berichten aan [persoon 1] heeft verzonden. Zij acht evenmin bewezen dat verdachte [persoon 1] stelselmatig via de telefoon heeft lastiggevallen of dat hij haar stelselmatig thuis of in het uitgaansleven heeft opgewacht of opgezocht. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder 1 en 2 tenlastegelegde vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

- De rechtbank acht op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting bewezen dat verdachte op 23 april 2017 huisraad en inboedel in de woning van [persoon 1] heeft vernield en beschadigd.

- De rechtbank acht op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie bewezen dat verdachte op 8 mei 2017 een ruit van de woning van [persoon 1] heeft vernield.

- De rechtbank acht op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte bij de politie bewezen dat verdachte begin juli 2017 in de woning van een vriendin van aangeefster in [adres 2] telefoons van [persoon 1] heeft vernield.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de context van het verhoor van verdachte op 23 september 2017 blijkt dat verdachte met zijn verklaring dat hij telefoons heeft stukgegooid, het oog had op het gebeuren begin juli 2017 in [adres 2] , na het bezoek aan restaurant [naam restaurant] .

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

- Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde mishandeling van [persoon 1] , thuis bij een vriendin van [persoon 1] in [adres 2] , na het bezoek aan restaurant [naam restaurant] . De verklaring van [persoon 1] vindt geen steun in andere bewijsmiddelen.

- De rechtbank acht op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte ter terechtzitting bewezen dat verdachte op 23 september 2017 te Amsterdam bij café [naam café 1] op het Leidseplein te Amsterdam [persoon 1] heeft mishandeld door haar tegen haar dijbeen te schoppen. Verdachte heeft erkend dat hij [persoon 1] een “veeg” heeft gegeven en dat hij haar daarbij heeft geraakt. Aangeefster heeft verklaard: “Het deed niet echt pijn maar het was mensonterend”. De rechtbank begrijpt deze opmerking aldus dat de fysieke gevolgen van de trap beperkt waren maar dat zij zich vooral vernederd voelde. Uit deze opmerking kan niet worden opgemaakt dat zij in het geheel geen pijn heeft gevoeld. Anders dan de raadsman acht de rechtbank daarom bewezen dat gesproken kan worden van een mishandeling van [persoon 1] met (enige) pijn als gevolg.

- De rechtbank acht op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte bij de politie bewezen dat verdachte in februari 2017 [persoon 1] heeft mishandeld door met kracht een sleutelbos tegen haar hoofd te gooien. Verdachte heeft erkend dat hij een sleutelbos naar [persoon 1] heeft gegooid, maar stelt dat hij niet de bedoelding heeft gehad om haar pijn te doen of te verwonden. Door het met kracht gooien van een sleutelbos naar het hoofd van [persoon 1] heeft verdachte echter willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij daardoor pijn of letsel zou ondervinden. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de mishandeling van [persoon 1] .

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

- De rechtbank acht op grond van de aangifte, de bevindingen van verbalisanten en de verklaring van de getuige [persoon 4] bewezen dat verdachte op 16 oktober 2016 buiten voor café [naam café 2] op het Rembrandtplein een vuistslag in het gezicht van [persoon 2] heeft gegeven.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte ook binnen in café [naam café 2] [persoon 2] heeft geslagen. Uit het dossier komt naar voren dat zich aldaar eerder een conflict heeft voorgedaan waar ook verdachte bij aanwezig is geweest. Op basis van de diverse verklaringen komt echter geen eenduidig beeld naar voren van wat zich daar precies heeft afgespeeld.

De rechtbank volgt de verdediging niet in de stelling dat verdachte [persoon 2] uit noodweer in het gezicht heeft geslagen.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting wisselende en enigszins warrige verklaringen afgelegd over wat zich precies buiten op straat heeft afgespeeld.

Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij binnen in café [naam café 2] een woordenwisseling met [persoon 2] had gehad. Buiten kwamen [persoon 2] en de andere personen van het groepje waar hij deel van uitmaakte, op verdachte aflopen. Verdachte heeft [persoon 2] toen een duw tegen zijn borst gegeven om hem op afstand te houden. Vervolgens werd hij geslagen door iemand met een tas en heeft verdachte teruggeslagen.

Onduidelijk blijft echter waartegen verdachte zich in eerste instantie dacht te moeten verdedigen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij in een situatie van wederrechtelijke aanranding verkeerde. Uit de bewijsmiddelen volgt het tegendeel. Verdachte is door portiers van café [naam café 2] het café uitgezet. Vervolgens hield hij zich hinderlijk op bij de ingang van het café en werd hij enkele malen tevergeefs door de beveiliging weggestuurd. Vervolgens is hij door de politie gesommeerd om te vertrekken. Verdachte heeft daar aanvankelijk gevolg aan gegeven maar is na korte tijd weer teruggekomen, waarna buiten op het Rembrandtplein het incident met [persoon 2] plaatsvond. Uit deze bevindingen kan worden opgemaakt dat verdachte kennelijk in een geagiteerde stemming was door het gebeuren daarvoor in het café en dat hij zelf de confrontatie heeft opgezocht.

De rechtbank verwerpt aldus het noodweerverweer. Zij is van oordeel dat verdachte [persoon 2] wederrechtelijk in het gezicht heeft geslagen, zodat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een mishandeling.

De rechtbank wijst het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van de getuigen [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] af. De rechtbank acht het verzoek onvoldoende onderbouwd en ziet geen noodzaak om deze getuigen te horen. Bij deze beslissing heeft de rechtbank tevens de stand van het onderzoek meegewogen en het belang om de strafzaak binnen een redelijke termijn af te doen.

Ten aanzien van het onder 6 en 7 tenlastegelegde:

- De rechtbank acht op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat verdachte op 26 maart 2018 op straat voor de woning van [persoon 10] de door [persoon 1] gehuurde auto van [naam bedrijf] heeft bekrast en dat hij de banden van die auto heeft lek geprikt. Op grond van de aangifte en de telefonische verklaring van de getuige [persoon 11] acht de rechtbank eveneens bewezen dat verdachte even daarvoor in de woning van [persoon 10] de telefoon van [persoon 1] heeft vernield.

- In deze woning van [persoon 10] heeft verdachte een conflict gehad met [persoon 1] , waarbij verdachte met kracht aan de haren van [persoon 1] heeft getrokken. De aangifte van [persoon 1] wordt op dit punt ondersteund door datgene wat verbalisanten getuige [persoon 11] hebben horen zeggen tegen [persoon 1] . De overige ten laste gelegde geweldshandelingen van verdachte tegen [persoon 1] , vinden naast de aangifte geen steun in andere bewijsmiddelen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde:

- De rechtbank acht op grond van de aangifte en de verklaring van verdachte bewezen dat verdachte op 24 januari 2019 het bandje van zijn enkelband heeft losgetrokken. Daarmee heeft hij deze enkelband beschadigd en onbruikbaar gemaakt.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

in de periode van 23 april 2017 tot en met 2 februari 2018 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk

- huisraad en inboedel en

- een ruit van een woning gelegen aan [adres 1] en

- telefoons,

toebehorende aan [persoon 1] , heeft vernield en/of beschadigd;

ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

in de periode van de maand februari 2017 tot en met 2 februari 2018 te Amsterdam, in elke geval in Nederland, [persoon 1] , heeft mishandeld door

- tegen haar benen te schoppen en

- met kracht een sleutelbos tegen het hoofd van voornoemde [persoon 1] te gooien;

ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

op 16 oktober 2016 te Amsterdam, opzettelijk mishandelend [persoon 2] met kracht eenmaal tegen zijn hoofd heeft gestompt, waardoor voornoemde [persoon 2] pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde:

op 26 maart 2018 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon en een personenauto (gekentekend [kenteken] ), toebehorende aan [persoon 1] of [naam bedrijf] , heeft beschadigd;

ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde:

op 26 maart 2018 te Amsterdam, [persoon 1] heeft mishandeld door met kracht aan de haren van voornoemde [persoon 1] te trekken;

ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde:

op 24 januari 2019 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een elektronische enkelband (bij verdachte aangesloten in het kader van elektronisch toezicht), toebehorende aan Ministerie van Justitie en Veiligheid, Dienst Justitiële Inrichtingen, Dienst Vervoer en Ondersteuning, heeft beschadigd en onbruikbaar gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het reclasseringsrapport van 7 februari 2019. Daarbij heeft zij gevorderd dat de te stellen voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.2.

Standpunt de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een onvoorwaardelijk strafdeel gelijk aan het voorarrest wordt opgelegd en een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarbij heeft de raadsman verzocht om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden ex artikel 14e, eerste lid, Sr, dadelijk uitvoerbaar zijn.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier mishandelingen en vijf vernielingen. Drie van deze mishandelingen en vier van deze vernielingen waren gericht tegen een ex-vriendin. Hij heeft haar tegen haar benen geschopt, heeft met kracht een sleutelbos tegen haar hoofd gegooid en hij heeft haar hardhandig aan haar haren getrokken. Tijdens haar afwezigheid heeft hij de inboedel van haar huis kort en klein geslagen. Ook heeft hij een door haar gehuurde auto bekrast en heeft hij de banden lek geprikt. Toen zij op vakantie in het buitenland was heeft hij een ruit van haar woning ingegooid.

Daarnaast heeft hij een man waarmee hij in een café een conflict had, in het gezicht gestompt. Ten slotte heeft hij het politiebureau zijn enkelband die hij droeg in het kader van zijn schorsing van de voorlopige hechtenis losgetrokken.

Door zijn agressieve gedrag heeft verdachte pijn, angst en/of schade bij de slachtoffers veroorzaakt. Zijn ex-vriendin ondervindt veel stress en angst van de mishandelingen en vernielingen en de steeds terugkerende confrontaties.

Uit een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. [geboortedag 2] 2019 blijkt dat verdachte binnen de ten laste gelegde periode voor strafbare feiten, te weten rijden onder invloed en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, is veroordeeld. Opvallend is dat voor 2016 een lange periode ligt waarin verdachte niet met justitie in aanraking is geweest.

Uit de door de klinisch psycholoog mw. M.G.H. van Willigenburg over verdachte opgemaakte psychologische rapportage van 17 mei 2018 komt naar voren dat verdachte, op zowel maatschappelijk, verslavings- als psychisch gebied, de laatste jaren in toenemende mate in de problemen is gekomen. De hoeveelheid alcohol die hij gebruikte had hij de laatste jaren minder goed in de hand. Enkele jaren geleden kreeg hij last van paniekaanvallen, waarvoor hij psychologische hulp zocht bij Punt P. Daar werd een paniekstoornis met agorafobie vastgesteld. Nadien is hij verslaafd geraakt aan oxazepam.

Ondanks zijn normale intelligentie, lijkt zijn sociaal-maatschappelijke ontwikkeling vanaf de volwassenheid gestagneerd te zijn. Hij heeft geen werk, geen eigen huis, geen duidelijke dagbesteding, geen relatie, hij leeft van een uitkering en is nog zeer verbonden met zijn gezin van herkomst.

Er kan gesproken worden van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een stoornis in het alcoholgebruik en een stoornis in het gebruik van oxazepam. Daarnaast is er vermoedelijk sprake van een latent aanwezige paniekstoornis.

Onder invloed van alcoholgebruik was de impulscontrole verminderd en trad agressief gedrag makkelijker op. De psycholoog acht het waarschijnlijk dat de verslaving aan alcohol en oxazepam, en de aanwezigheid van paniekaanvallen, samenhangen met de onderliggende vermijdende karaktertrekken, de neiging zich afhankelijk op te stellen in relaties, de beperkt aanwezige zelfreflectieve vaardigheden en de agressie geremdheid. Aangenomen wordt dat als gevolg van dit samenspel betrokkene in lichte mate beperkt is geweest in het overwegen van gedragsalternatieven en controle over zijn handelingen ten tijde van de tenlastegelegde feiten. De psycholoog adviseert om verdachte het tenlastegelegde, met gebruik van de driepuntsschaal, in verminderde mate toe te rekenen.

In het Reclasseringsadvies van 7 februari 2019 van Reclassering Inforsa, is te lezen dat de reclassering het recidiverisico als hoog inschat, zolang de angstklachten en het overmatig alcoholgebruik van verdachte onvoldoende behandeld zijn. De reclassering adviseert als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, een verplicht reclasseringscontact, een behandelverplichting bij Inforsa, een verplichting om mee te werken bij het vinden en uitvoeren van een dagbesteding, een contactverbod met het slachtoffer [persoon 1] en een locatiegebod op zijn huisadres op vooraf vast te stellen tijdstippen. Deze laatste twee voorwaarden dienen ondersteund te worden door middel van elektronisch toezicht.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de psycholoog hem als het ware een spiegel heeft voorgehouden. Dit was confronterend voor hem, maar hij realiseert zich dat hij moet vermijden om steeds in dezelfde kuil te vallen. Hij is gemotiveerd om met zijn problemen aan de slag te gaan en zal zich aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, inclusief een behandeling bij Inforsa, houden.

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 22 februari 2019 geschorst onder de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Verdachte heeft in totaal 108 dagen in voorarrest doorgebracht. Gezien de bewezenverklaring vindt de rechtbank het niet nodig dat verdachte opnieuw vast komt te zitten. De onvoorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf is daarom gelijk aan het voorarrest. Daarnaast zal zij een voorwaardelijk strafdeel opleggen met daaraan gekoppeld de door de reclassering gekoppelde voorwaarden. Daarbij zal zij de duur van het elektronisch toezicht bepalen op drie maanden.

Omdat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, komt zij tot een lagere straf dan gevorderd.

Verdachte heeft zich onder andere schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander, te weten mishandeling.

De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander zal begaan. Verdachte heeft zich in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan vier mishandelingen, waarvan driemaal gericht tegen zijn ex-vriendin. Verdachte is afhankelijk van alcohol en oxazepam en er is sprake van een psychische problematiek op grond waarvan gevreesd moet worden dat verdachte opnieuw in de fout zal gaan als het reclasseringstoezicht en de behandeling bij Inforsa niet onmiddellijk kunnen worden ingezet.

Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Wijst af het voorwaardelijk gedane verzoek tot het horen van de getuigen

[persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] .

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3, 4, 5, 6, 7, en 8 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 4, 5 en 7 bewezenverklaarde:

mishandeling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

ten aanzien van het onder 8 bewezenverklaarde:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en onbruikbaar maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 168 (honderdachtenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 60 (zestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene en bijzondere voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden:

- Veroordeelde zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit.

- Veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.

- Veroordeelde zal medewerking verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Veroordeelde moet zich binnen vijf werkdagen na het vonnis melden bij Inforsa Reclassering, op het adres Vlaardingenlaan 5 te Amsterdam. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

- Veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen voor psychische- en alcoholproblematiek bij de Forensische Polikliniek van Inforsa of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

- De reclassering kan een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de behandelaars in overleg met de reclassering wenselijk achten.

- Veroordeelde werkt mee aan het vinden en uitvoeren van een dagbesteding.

- Veroordeelde wordt verboden contact te (laten) leggen met het slachtoffer [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 1985 te [geboorteplaats 2] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en mag zich niet bevinden in een straal van 1 kilometer rond de woning van het slachtoffer.

- Veroordeelde wordt geboden om zich op vooraf vastgestelde tijdstippen op zijn huisadres, [BRP-adres] , te bevinden. Daarbij heeft hij op doordeweekse dagen een aaneengesloten blok van tien uur ter invulling van zijn dag besteding. In de weekenden heeft hij maximaal acht uur per dag vrij te besteden. Wanneer veroordeelde op doordeweekse dagen geen dagbesteding heeft, krijgt hij twee uur vrij te besteden. De precieze uren worden vooraf vastgesteld in overleg met de reclassering. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal gedurende de eerste drie maanden worden ondersteund door middel van het elektronische controlemiddel GPS.

Geeft aan Inforsa Reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. C.C.M. Oude Hengel en R.A. Sipkens, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2019.