Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1481

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
13/674186-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

knippen hennepplanten, 9a

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/674186-17

Datum uitspraak: 8 februari 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] ,

[woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.E.A. Duyvendak, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht.

De zaak tegen verdachte is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (13/674187-17), [medeverdachte 2] (13/674189-17) en [medeverdachte 3] (13/674190-17).

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort samengevat – van beschuldigd dat hij op 11 oktober 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, 353 hennepplanten heeft geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, in elk geval aanwezig heeft gehad. Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij medeplichtig is geweest aan het bovenstaande door henneptoppen te knippen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen. Verdachte is medeplichtig geweest aan de hennepplantage door henneptoppen te knippen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, omdat vaste rechtspraak is dat knippers van henneptoppen niet als medeplegers van het telen maar als medeplichtigen dienen te worden beschouwd. Ook van het subsidiair tenlastegelegde dient verdachte te worden vrijgesproken, omdat hij nog niet was begonnen met het knippen en daarom geen substantiële bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van een misdrijf.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Feiten en omstandigheden

Op 11 oktober 2016 kregen verbalisanten de melding te gaan naar [adres 2] te Amsterdam waar een inbraak zou zijn. Ter plaatse zagen zij dat de deur dicht was en dat het rolluik voor de deur was vernield. De verbalisanten hebben de ruit van de voordeur ingetikt en zijn binnengetreden. Zij roken direct de geur van hennep. De deur naar de woonkamer was gebarricadeerd door middel van een kast. De agenten hoorden mannen roepen dat zij de politie hadden gebeld omdat zij werden overvallen. De kast werd verwijderd. In de woonkamer lagen vier mannen op de grond, namelijk verdachte, [persoon 1] en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Deze vier mannen zijn aangehouden. In dezelfde ruimte lagen een groot mes en afgeknipte henneptoppen. Op de eerste verdieping van de woning is een hennepkwekerij aangetroffen, die bestond uit 353 hennepplanten.

3.3.2

Het primair tenlastegelegde

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van de hennepplanten. Hij zal daarvan worden vrijgesproken.

3.3.3

Het subsidiair tenlastegelegde

Om tot een bewezenverklaring te komen van medeplichtigheid is vereist dat niet alleen bewezen wordt dat de opzet van verdachte gericht was op het bevorderen dan wel vergemakkelijken van dat misdrijf, maar ook dat zijn opzet – al dat niet in voorwaardelijke vorm – gericht was op het door een derde gepleegde misdrijf, in deze zaak de hennepteelt. Dit wordt ook wel ‘dubbel opzet’ genoemd.

Verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Op de zitting van 25 januari 2019 heeft hij voor het eerst verklaard dat hij met anderen in de woning was om henneptoppen te knippen, maar dat zij nog niet met het knippen waren begonnen. Deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. De verbalisanten hebben in de woning afgeknipte henneptoppen aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij in de woning hennepplanten aan het knippen waren en dat zij daar geld voor zouden krijgen. [persoon 1] heeft gezegd dat hij een beetje heeft geknipt, niet lang. Op basis van de waarnemingen van de verbalisanten en de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] en [persoon 1] concludeert de rechtbank dat verdachte zich samen met anderen in de woning bezig hield met het knippen van henneptoppen. Verdachte heeft hiermee zowel opzet gehad op het behulpzaam zijn, als op de hennepteelt zelf. Verdachte is dus medeplichtig geweest aan de teelt van 353 hennepplanten. Het subsidiair tenlastegelegde kan daarmee worden bewezen.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

een onbekend gebleven persoon of meer onbekend gebleven personen die in de periode van 1 mei 2016 tot en met 11 oktober 2016 te Amsterdam, opzettelijk heeft/hebben geteeld en aanwezig gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van 353 hennepplanten, op 11 oktober 2016 te Amsterdam opzettelijk behulpzaam is geweest tot het plegen van dat misdrijf, door het knippen van toppen van eerdergenoemde hennepplanten.

4 Het bewijs

De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

5 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6 Geen straf of maatregel

6.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem subsidiair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt heeft hij zich op het standpunt gesteld dat verdachte schuldig moet worden verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het knippen van hennepplanten. Hoewel verdachte een geringe rol had in de aangetroffen hennepkwekerij heeft hij hiermee een bijdrage geleverd aan de illegale handel in en verspreiding van softdrugs.

De personen die in de woning aanwezig waren om de hennep te knippen, hebben zelf de politie gebeld omdat zij dachten dat zij werden overvallen door gewapende mannen. De hennep is vervolgens door de politie in beslag genomen.

Op de terechtzitting van 25 januari 2019 heeft de rechtbank melding gemaakt van een vonnis van 31 januari 2018 inzake [persoon 2] (ECLI:NL:RBAMS:2018:462). Uit dit vonnis is gebleken wat de gevolgen van het knippen van de henneptoppen voor verdachte en de medeverdachten zijn geweest. Zij zijn door [persoon 2] verantwoordelijk gehouden voor het verlies van de hennep. Zo is onder meer de moeder van verdachte door deze [persoon 2] afgeperst en is de broer van verdachte mishandeld. De rechtbank houdt daar in strafmatigende zin rekening mee. De rechtbank houdt ook in strafmatigende zin rekening met de tijd die is verstreken sinds verdachte in verband met deze strafzaak op 11 oktober 2016 werd aangehouden en met de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte is bovendien niet eerder veroordeeld voor een overtreding van de Opiumwet. Gelet op deze omstandigheden en de relatief geringe rol van verdachte in het geheel, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte geen straf of maatregel moet worden opgelegd. De rechtbank is daarbij gebonden aan wettelijke voorwaarden. Artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht stelt toepassing van het rechterlijk pardon afhankelijk van drie alternatief geformuleerde voorwaarden, te weten de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan dan wel die zich nadien hebben voorgedaan. Gezien de hiervoor geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd en dat hij daarvoor strafbaar is. Zo zal de rechtbank, toepassing gevend aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de verdachte geen straf of maatregel opleggen.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.M. Wieland, voorzitter,

mrs. J.M. Jongkind en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 februari 2019.

[…]

[…]