Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1479

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
13/997062-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

gewoontewitwassen, taakstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997062-16

Datum uitspraak: 9 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 december 2018 en 9 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Plooij, en van wat de gemachtigde raadsvrouw mr. L.M.E. Kleczweski naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

De verdenking komt er kort gezegd op neer dat verdachte in de periode van 28 november 2014 tot en met 31 mei 2016 zich samen met haar medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen van geld en goederen.

De tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3 Geldigheid van de dagvaarding

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig is, voor zover deze betrekking heeft op het tweede gedachtestreepje (een geldbedrag van € 13.580,-), het achtste gedachtestreepje (één of meer geldbedragen van in totaal € 7.500,-) en het negende gedachtestreepje (één of meer geldbedragen van in totaal € 7.327,-). Volgens de raadsvrouw houdt de tenlastelegging op deze punten een onvoldoende duidelijke omschrijving in van wat verdachte wordt verweten. De geldbedragen zijn onvoldoende feitelijk omschreven en de bestedingen die verdachte met deze geldbedragen zou hebben gedaan zijn onvoldoende gespecificeerd.

3.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer. In het tweede, achtste en negende gedachtestreepje worden concrete geldbedragen genoemd waarbij is aangegeven waar de bedragen betrekking op hebben. Het is daarmee voor verdachte voldoende duidelijk waartegen zij zich moet verdedigen. De dagvaarding is geldig.

4. Waardering van het bewijs 1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring van gewoontewitwassen in vereniging gevorderd, met uitzondering van de geldbedragen van € 1.000,- voor merkkleding (zevende gedachtestreepje) en € 7.500,- voor uitgaan (achtste gedachtestreepje).

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. De verklaring die verdachte heeft gegeven om het gat tussen haar inkomsten en uitgaven te verklaren is niet onaannemelijk. Zij heeft lange tijd een relatie gehad met een profvoetballer, [naam 1] (hierna: [naam 1] ) waarvan zij geld en cadeaus kreeg. Er kan niet worden gezegd dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen en de goederen van enig misdrijf afkomstig waren of dat verdachte dit redelijkerwijs moest vermoeden.

Ten aanzien van de verschillende posten heeft de raadsvrouw de volgende opmerkingen gemaakt. Verdachte kan niet in verband worden gebracht met de Rolex die is aangetroffen. De Chanel-tas heeft zij mogelijk cadeau gehad van medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: [naam medeverdachte] ). Zij heeft de tas wel voorhanden gehad, maar er is geen rechtstreeks verband met de aankoop daarvan. Ten aanzien van de schoenen onder het vijfde gedachtestreepje is uit de tapgesprekken niet gebleken dat de schoenen waar zij over spreken de inbeslaggenomen schoenen zijn. Van de telefoons is onduidelijk gebleven wanneer ze zijn gekocht en wie dat heeft gedaan. Ten aanzien van de geldbedragen die zouden zijn besteed aan merkkleding, uitgaan en levensonderhoud blijkt onvoldoende informatie uit het dossier.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt voor een aantal bedragen en goederen tot een veroordeling voor witwassen. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.

Juridisch kader witwassen geld/goederen uit onbekend misdrijf

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van 18 december 2018, ECLI:NL:HR: 2018:2352) volgt dat als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf het geld of de goederen waar de witwasverdenking op zien afkomstig zijn, witwassen bewezen kan worden als het, op grond van de feiten en omstandigheden, niet anders kan dan dat het geld of de goederen van misdrijf afkomstig zijn.

Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld en de goederen. Zo’n verklaring moet concreet zijn, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de uit de verklaringen van de verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit dit onderzoek zal voor een bewezenverklaring moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is.

Vermoeden van witwassen

In 2014 had verdachte een totaal netto inkomen van € 8.755,-. In 2015 bedroeg dit inkomen
€ 5.203,-.2 Volgens haar eigen verklaring betaalde zij alles voor zichzelf en [naam medeverdachte] in de tijd dat zij een relatie hadden omdat hij geen inkomsten had.3 Zij moesten dus samen van haar inkomsten leven. Daar staat tegenover dat er in de tenlastegelegde periode aanzienlijke geldbedragen op haar rekening zijn gestort. Bovendien hebben zij grote geldbedragen uitgegeven en zijn er waardevolle goederen aangetroffen. Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, rechtvaardigen zonder meer het vermoeden van een criminele herkomst van geldbedragen en goederen die verdachte voorhanden had. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst hiervan. Verdachte heeft over een aantal posten verklaard.

De rechtbank zal hierna de posten op de dagvaarding afzonderlijk bespreken.

- Rolex horloge (ter waarde van ongeveer € 5.909,09, serienummer H18X6551)

Dit horloge is in de woning aan de Zocherstraat in Rotterdam aangetroffen, waar [naam medeverdachte] verbleef. In een ander onderzoek, 26Arseen, is bij een doorzoeking van de woning van [naam 2] , een vriendin van verdachte en [naam medeverdachte] , het garantiecertificaat van deze Rolex gevonden. Daarop staat als koper: “dhr. [naam medeverdachte] ”. Ook is bij [naam 2] het aankoopbewijs van dit horloge gevonden, waaruit blijkt dat het op 28 november 2014 bij Schaap en Citroen is gekocht voor € 5.909,09.

Verdachte heeft verklaard dat zij het horloge in november 2014 heeft gekocht met geld dat zij had gekregen van haar toenmalige vriend [naam 1] . Deze verklaring is niet volstrekt onaannemelijk. Het Openbaar Ministerie heeft naar deze verklaring nader onderzoek gedaan door [naam 1] hierover te horen. [naam 1] heeft verklaard dat hij verdachte geen geld heeft gegeven voor de aankoop van een Rolex horloge, maar dat het mogelijk is dat zij geld heeft overgehouden van het geld dat hij iedere maand naar haar bankrekening overmaakte. Het Openbaar Ministerie heeft geen nader onderzoek gedaan naar de bankafschriften van de rekening waarover [naam 1] spreekt. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat de Rolex een legale herkomst heeft. Verdachte zal daarom van het eerste gedachtestreepje worden vrijgesproken.

- Een geldbedrag van € 13.580,-, zijnde constante bankstortingen

Van 1 oktober 2015 tot en met 31 maart 2016 is in totaal een bedrag van € 13.580,- op de privérekening van verdachte gestort.4 Verdachte heeft hierover geen verklaring afgelegd. Vaststaat dat verdachte dit geldbedrag voorhanden heeft gehad. Omdat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld, is de rechtbank van oordeel dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

- Vliegtickets Amsterdam – Ghana

Verdachte heeft bij Cheaptickets.nl twee tickets geboekt en betaald voor een totaalbedrag van € 1.369,88.5 Dit geldbedrag heeft zij daarmee voorhanden gehad en gebruikt. Omdat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van dit geldbedrag, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat dit onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Van de overige geldbedragen ten behoeve van de aanschaf van vliegtickets kan niet worden vastgesteld dat verdachte ze voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt. Zij zal daarvan worden vrijgesproken.

- Tas merk Chanel

Verdachte heeft op 16 oktober 2015 een foto op Facebook geplaatst waarop een Chanel-tas te zien is. Hierbij stond de tekst: “Super verast door mijn liefde Love you [initialen] ” Omdat dit de initialen van [naam medeverdachte] stelt de rechtbank vast dat [naam medeverdachte] deze tas aan verdachte heeft gegeven.6 Vastgesteld kan worden dat verdachte de Chanel-tas voorhanden heeft gehad. Zij heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor de herkomst van deze tas en daarom kan het niet anders zijn dan dat deze tas onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig is.

- Schoenen merk Chanel en schoenen merk Louboutin

Bij verdachte zijn Chanel-schoenen in beslag genomen. Zij heeft verklaard dat zij deze schoenen van een vriendin, [naam 3] (hierna: [naam 3] ), heeft gekregen. [naam 3] heeft dit bevestigd. Volgens de officier van justitie is deze verklaring onaannemelijk. De officier heeft verwezen naar een tapgesprek tussen verdachte en een onbekend gebleven vrouw, waarin verdachte spreekt over “witwasgympen” en “het omruilen van Chanel-schoenen”. De rechtbank is het niet met de officier van justitie eens. De mogelijkheid dat verdachte de Chanel-schoenen van [naam 3] heeft gekregen is door het tapgesprek niet uitgesloten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel. De rechtbank vindt op basis van het tapgesprek van
5 mei 2016 wel bewezen dat verdachte de Louboutin-gympen voorhanden heeft gehad. Verdachte zegt in het tapgesprek dat ze de schoenen van ‘ [naam medeverdachte] ’ terug moest brengen naar ‘lubertain’ voor duizend euro.7

- Telefoons (Apple iPhone 6S)

Verdachte had bij haar aanhouding een telefoon bij zich ter waarde van ongeveer € 859,-.8,9 Zij heeft geen verklaring gegeven waar en hoe zij deze telefoon heeft verkregen. Er is dan ook geen andere conclusie mogelijk dan dat de telefoon middellijk of onmiddellijk van misdrijf afkomstig is. Dat verdachte ook de telefoon van [naam medeverdachte] voorhanden heeft gehad kan niet worden bewezen. Zij zal daarvan worden vrijgesproken.

- Geldbedragen van in totaal € 1.000,- (besteed aan merkkleding)

In de woning waar verdachte verbleef werden een bruine muts (merk Dsquared) en een zwarte blouse (merk Balenciaga) aangetroffen. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat verdachte ze heeft witgewassen. Zij zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

- Geldbedragen van in totaal € 7.500,- (besteed aan uitgaan en/of restaurant-/cafébezoek)

De rechtbank zal verdachte ook van dit onderdeel vrijspreken, omdat uit het dossier niet blijkt wie welke bedragen heeft uitgegeven.

- Geldbedragen van in totaal € 7.327,- (besteed aan levensonderhoud)

Verdachte heeft in de periode van oktober 2015 tot en met maart 2016 (6 maanden) een bedrag van in totaal € 7.327,- betaald via pinautomaten.10 Volgens verdachte heeft zij op deze manier haar boodschappen betaald.11 Deze uitgaven kunnen niet volledig, maar wel deels, worden verklaard uit de legale inkomsten van verdachte. Naar rato van haar inkomen over 2015 is naar schatting € 2.601,50 van dit bedrag verklaarbaar door de inkomsten die verdachte heeft gehad. (2015 = 12 maanden = € 5203,-. Daarvan de helft = 6 maanden = € 2.601,50). Voor het resterende bedrag van (€ 7.327 - € 2.601,50 =) € 4.725,50 vindt de rechtbank, bij gebrek aan een aannemelijke verklaring, dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat dit geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Verdachte heeft de hierboven bewezenverklaarde gedragingen gedurende een langere periode herhaald. Het op deze structurele wijze witwassen van geldbedragen levert naar het oordeel van de rechtbank gewoontewitwassen op.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in de periode van 28 november 2014 tot en met 31 mei 2016 in Nederland van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij op tijdstippen in voormelde periode voorwerpen, te weten:

  • -

    een geldbedrag van in totaal ongeveer 13.580 euro aan contante bankstortingen op een ING Bank rekening t.n.v. [verdachte] en

  • -

    een geldbedrag ten behoeve van de aanschaf van een vliegticket in november 2015 van Amsterdam naar Ghana ter waarde van in totaal 1.369,88 euro en

  • -

    een tas (merk Chanel) en

  • -

    een paar schoenen merk Louboutin (waarde ongeveer 1000 euro) en

  • -

    een mobiele telefoon (merk: Apple Iphone, type: 6S, ter waarde van ongeveer 859 euro) en

  • -

    geldbedragen van in totaal ongeveer 4725,50 euro besteed aan levensonderhoud,

verworven, voorhanden gehad en/of gebruikt, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, als tot een bewezenverklaring wordt gekomen, rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte zorg draagt voor een pasgeboren kind. De raadsvrouw heeft verzocht om de taakstraf te matigen en eventueel een deel voorwaardelijk op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich in een periode van anderhalf jaar schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Verdachte heeft ruim boven haar stand geleefd door geld met criminele herkomst uit te geven aan luxe goederen en levensonderhoud. In meerdere gevallen heeft zij geen verklaring willen geven voor de herkomst van de geldbedragen en de goederen. Bij de vaststelling van het benadelingsbedrag heeft de rechtbank rekening gehouden met mogelijke dubbelingen in witgewassen bedragen (bijvoorbeeld bankstortingen en betalingen).

De rechtbank heeft voor het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten die de rechtbanken hebben voor fraudedelicten. Hieruit volgt dat bij fraude met een benadelingsbedrag tussen € 10.000,- en € 70.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden of een taakstraf als uitgangspunt geldt. Omdat het benadelingsbedrag aan de onderkant van het oriëntatiepunt zit, verdachte een blanco strafblad heeft en de zorg draagt voor een pasgeboren kind, acht de rechtbank een taakstraf passend.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van verdachte meegenomen. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. In deze zaak is de redelijke termijn begonnen toen verdachte in verzekering is gesteld, 1 juni 2016. Tussen die datum en de datum van het vonnis – 9 januari 2019 – ligt een periode die de redelijke termijn met ruim zeven maanden overschrijdt. Dit tijdsverloop is niet aan verdachte te wijten en kan ook niet worden gerechtvaardigd door bijvoorbeeld de ingewikkeldheid van de zaak.

In beginsel vindt de rechtbank een taakstraf van 140 uur passend. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze straf met 20 uur verminderen.

Beslag

Onder verdachte zijn Chanel-schoenen in beslag genomen. Omdat de rechtbank het witwassen van de Chanel-schoenen niet bewezen acht, zullen de schoenen aan verdachte worden teruggegeven.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

gewoontewitwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 (honderdtwintig) uur, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uur per dag.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

- 1 paar Chanel-schoenen

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Huber, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en G.H. Marcus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 januari 2019.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens met nummer LERAB150166-41, p. 544-545.

3 Een proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte] met nummer LERAB15016-126, p. 455-458.

4 Een proces-verbaal van bevindingen storting contant geld met nummer LERAB15016-271, p. 371-374.

5 Een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens met nummer LERAB15016-131, p. 596-602.

6 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer LERAB15016-119, p. 764-785.

7 Tapgesprek tussen [verdachte] en NNvrouw d.d. 5 mei 2016, sessienummer 21253, p. 812-813.

8 Kennisgeving van inbeslagneming met nummer LERAB15016-225, p. 352.

9 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer LERAB15016-199, p. 362-363.

10 Een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens met nummer LERAB15016-193, p. 623-627.

11 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] nummer LERAB15016-323 p.739-747