Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1378

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
13/751292-16
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overlevering; EAB Roemenië; Ovj NO vanwege verstrijken redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751292-16

RK nummer: 16/2754

Datum uitspraak: 22 februari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 april 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 maart 2014 door the Oneşti Court of Law (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1991,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 juni 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De rechtbank heeft op 16 juni 2016 het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de beantwoording van de door het parket gestelde vragen af te wachten en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na te vragen welk veroordelend vonnis ten grondslag aan het EAB ligt en om de uitvaardigende justitiële autoriteit (uitsluitend) ten aanzien van dat veroordelende vonnis onderdeel d) te doen invullen.

Het onderzoek ter zitting is op 8 februari 2019 hervat. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is niet verschenen, maar zijn gemachtigd raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, heeft namens hem het woord gevoerd.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een criminal sentence no. 72 dated 27.01.2014 of Oneşti Court of Law, final and enforceable by lack of appeal on 12.02.2014.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Genoegzaamheid

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak constateert de rechtbank dat in onderdeel e) van het EAB geen pleegplaats is vermeld. In Form A wordt Roemenië als pleegplaats genoemd. In samenhang gelezen met de pleegdatum, pleegtijd en de naam van het slachtoffer is de rechtbank van oordeel dat wat de opgeëiste persoon wordt verweten voldoende specifiek is omschreven. De feitsomschrijving is daarom, naar het oordeel van de rechtbank, genoegzaam.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW

In onderdeel d) van het EAB staat vermeld:

Indicate if the person appeared in person at the trial resulting in the decision:

(…)

2. [X] no, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision

3. if you have ticked the box under point 2, please confirm the existence of one of the following:

(…)

3.4 [

X] the person was not personally served with this decision without delay after the surrender, and

- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed, and

- the person will be informed of the time frame within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be ... days.

4. 1f you have ticked the box under points 3.1b, 3.2 or 3.3 above, please provide information about how the relevant condition has been met:

During his criminal prosecution he was present and he was defended by a public defender, and subsequently by a chosen legal counselor. He did not appear in the trial court, he was not present when the criminal sentence no. 88/26.02.2013 was delivered but he was represented by a chosen legal counselor, who filed an appeal, being given a mandate by the defendant on this purpose. He was represented by a public defender in the supervision trial court. He was not present when the criminal sentence no. 72/27.01.2014 was delivered, sentence which ordained the revocation of the supervised suspension of penalty service, the order being displayed at his domicile. He did not file any appeal.

Uit onderdeel e) blijkt dat de opgeëiste persoon op 26 februari 2013 in eerste aanleg tot een voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld door the Oneşti Court of Law (criminal sentence no. 88/26.02.2013) en dat deze beslissing onherroepelijk is geworden door de beslissing van the Bacău Court of Appeal van 12 september 2013.

Uit de aanvullende informatie van de Roemeense justitiële autoriteiten van 29 november 2016 blijkt dat onderdeel d) van het EAB verkeerd is ingevuld ten aanzien van de beslissing met criminal sentence no. 72/27.01.2014. Voorts is vermeld dat de opgeëiste persoon in de procedure die geleid heeft tot de beslissing met criminal sentence no. 88/26.02.2013 door een gemachtigd raadsman is vertegenwoordigd, die namens hem het woord heeft gevoerd.

De rechtbank constateert dat gelet op de bovengenoemde informatie dat de beslissing met criminal sentence no. 72/27.01.2014 de herroeping is geweest van de voorwaardelijke straf die is opgelegd bij de beslissing met criminal sentence no. 88/26.02.2013. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) heeft bepaald dat beslissingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet onder de reikwijdte van artikel 6 lid 1 EVRM en dus niet onder de reikwijdte van art. 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ vallen, voor zover de herroepingsbeslissing noch de aard noch de maat van de aanvankelijk uitgesproken straf wijzigt. (Hof van Justitie 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic)). In deze zaak is niet gebleken dat de herroepingsbeslissing de aard of de maat van de aanvankelijk uitgesproken straf heeft gewijzigd.

De rechtbank stelt daarom vast dat ten aanzien van artikel 12 OLW moet worden gekeken naar de beslissing met criminal sentence no. 88/26.02.2013. Uit met name de aanvullende informatie van 29 november 2016 volgt dat de opgeëiste persoon op de zitting die tot de beslissing heeft geleid is vertegenwoordigd door een hem gekozen raadsman. Gelet hierop is voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW en is deze weigeringsgrond dus niet van toepassing.

5 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6. Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: detentieomstandigheden Roemenië

Ingevolge de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaronder EHRM 24 april 2017, 61467/12, 39516/13, 48231/13 en 68191/13 (Rezmuveş e.a./Roemenië), heeft de rechtbank in eerdere zaken geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Het bij arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 april 2016 in de zaken Aranyosi en Căldăraru (ECLI:EU:2016:198) gegeven beslismodel houdt in dat de rechtbank in dat geval vaststelt of de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling. Indien dit het geval is, moet de overlevering gedurende een redelijke termijn worden uitgesteld in afwachting van door de uitvaardigende autoriteit te verstrekken aanvullende gegevens op grond waarvan het bestaan van een eerdergenoemd reële gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. Voorts kan de rechtbank, indien deze gegevens niet binnen een redelijke termijn worden verkregen, de overleveringsprocedure beëindigen.

Met het oog op de beoordeling of voor de opgeëiste persoon in geval van overlevering een dergelijk gevaar bestaat, heeft het Openbaar Ministerie op 3 juni 2016 navraag gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit naar de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting in Roemenië zal worden gedetineerd.

De rechtbank heeft op 16 juni 2016 het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst. Inmiddels is ruim tweeëneenhalf jaar verstreken en is meermaals – tevergeefs – door het Internationaal Rechtshulpcentrum om een individuele garantie verzocht, welke garantie - naar blijkt uit mededelingen van de Roemeense justitiële autoriteiten in andere overleveringszaken – mogelijk kon worden verstrekt. Bovendien is er geen concrete aanleiding om te veronderstellen dat een dergelijke garantie in deze zaak alsnog (spoedig) zal worden verstrekt.

De officier van justitie heeft meegedeeld dat in december 2018 nog contact met de Roemeense autoriteiten heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken van relevante ontwikkelingen.

Onder verwijzing naar het uitgangspunt dienaangaande van de rechtbank, zoals uiteengezet in haar uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414) onder 5.3.3 en 5.4.3, is de rechtbank van oordeel dat dit betekent dat de redelijke termijn in het onderhavige geval is overschreden en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

7 Beslissing

VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E.G. Fels en I.V. Ottens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 februari 2019.

De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.