Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1369

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2019
Datum publicatie
05-11-2019
Zaaknummer
13/751033-17
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering, detentieomstandigheden Roemenië

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751033-17

RK nummer: 17/613

Datum uitspraak: 8 februari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 januari 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 maart 2016 door the President of the High Court Maramures (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1] en verblijvend op het adres [adres 2],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 maart 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.J. Polman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Op 6 april 2017 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gewezen en het onderzoek heropend, geschorst en de beslissing op het verzoek om overlevering uitgesteld.

Tevens heeft de rechtbank in die tussenuitspraak vastgesteld dat er op korte termijn nieuwe, aanvullende, informatie voorhanden zal zijn waarover de rechtbank op 6 april 2017 nog niet de beschikking had. Om de partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten over deze nieuwe informatie is het onderzoek op de zitting 13 april 2017 – in gewijzigde samenstelling van de rechtbank – voortgezet. Aanwezig waren de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel, de opgeëiste persoon – bijgestaan door een tolk in de Roemeense taal – en de raadsman.

Op 26 april 2017 heeft de rechtbank in een tussenuitspraak het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, alsmede de beslissing tot uitstel over de tenuitvoerlegging van het EAB gehandhaafd om de Roemeense justitiële autoriteiten in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen, nu de redelijke termijn nog niet is overschreden.

De behandeling van de vordering is, met toestemming van partijen, hervat op de openbare zitting van 8 februari 2019 in de stand waarin het onderzoek op 26 april 2017 was geschorst. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.J. Polman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Tussenuitspraken van 6 april 2017 en 26 april 2017

De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraken van 6 april 2017 en 26 april 2017 (vindplaatsen: ECLI:NL:RBAMS:2017:3477 en ECLI:NL:RBAMS:2017:3028) waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld, alsmede over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW heeft geoordeeld. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4. Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: detentieomstandigheden Roemenië

In de eerdergenoemde tussenuitspraken van 6 april 2017 en 26 april 2017 heeft de rechtbank geoordeeld dat met betrekking tot de mogelijke detentie van de opgeëiste persoon in Roemenië het ernstige vermoeden van een schending van artikel 4 Handvest niet is weerlegd, zodat voor de opgeëiste persoon bij overlevering nog steeds een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling bestaat.

De rechtbank heeft op 6 april 2017 de beslissing over de overlevering uitgesteld. Inmiddels zijn bijna twee jaren verstreken en is meermaals – tevergeefs – door het Internationaal Rechtshulpcentrum om een individuele garantie verzocht, welke garantie - naar blijkt uit mededelingen van de Roemeense justitiële autoriteiten in andere overleveringszaken – mogelijk kon worden verstrekt. Bovendien is er geen concrete aanleiding om te veronderstellen dat een dergelijke garantie in deze zaak alsnog (spoedig) zal worden verstrekt.

De officier van justitie heeft meegedeeld dat in december 2018 nog contact met de Roemeense autoriteiten heeft plaatsgevonden en dat niet is gebleken van relevante ontwikkelingen.

Onder verwijzing naar het uitgangspunt dienaangaande van de rechtbank, zoals uiteengezet in haar uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414) onder 5.3.3 en 5.4.3, is de rechtbank van oordeel dat dit betekent dat de redelijke termijn in het onderhavige geval is overschreden en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

5 Beslissing

VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E.G. Fels en I.V. Ottens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 8 februari 2019.

De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.