Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1356

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
C/13/633984 / FA RK 17-5435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

1:160 BW en 284 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/633984 / FA RK 17-5435 (HH/RW)

Beschikking van 6 maart 2019

in de zaak van:

[verzoekende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. H. Vosmeijer te Amstelveen,

tegen

[verwerende partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. B.D. Roelink te Hoofddorp.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenbeschikking van deze rechtbank van 14 februari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van deze rechtbank van 25 juli 2018;

  • -

    een faxbericht van de man, ontvangen op 11 september 2018;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 13 september 2018;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 14 november 2018;

  • -

    een F9 formulier met bijlage van de man van 21 december 2018, ontvangen op 24 december 2018;

  • -

    een brief met bijlage van de vrouw van 11 januari 2019, ontvangen op 14 januari 2019.

1.2.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar de eerder gegeven beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2018.

3 De verdere beoordeling

3.1.

In voornoemde beschikking van 14 februari 2018 is de man toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de vrouw samenwoont met [naam 1] als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en heeft de rechtbank iedere verdere beslissing aangehouden.

3.2.

De man heeft vier getuigen doen horen, te weten:

- [naam 2] , hierna te noemen [naam 2] ;

- [naam 3] , hierna te noemen [naam 3] ;

- [verwerende partij] , hierna te noemen de vrouw;

- [naam 1] , hierna te noemen [naam 1] .

3.3.

[naam 2] en [naam 3] zijn bij getuigenverhoor van 13 september 2018 gehoord. Zij hebben zich tijdens het getuigenverhoor beroepen op hun verschoningsrecht ex artikel 165 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv.). De vrouw en [naam 1] zijn bij getuigenverhoor van 14 november 2018 door de rechtbank gehoord. De rechtbank heeft van beide getuigenverhoren een proces-verbaal opgemaakt. De man heeft na het getuigenverhoor van 14 november 2018 meegedeeld geen verdere getuigen op te willen roepen. De vrouw heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.

3.4.

De man heeft zich bij akte van uitlating na enquête van 21 december 2018 op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 284 lid 3 Rv. het verschoningsrecht niet toekomt aan [naam 2] en [naam 3] in de onderhavige kwestie en verzocht om hem alsnog tot dat bewijs toe te laten voor zover dat nodig mocht zijn in het kader van de bewijsopdracht. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de enquête aan beide zijden reeds gesloten is en dat het verzoek van de man om hem alsnog toe te laten tot het door hem bedoelde bewijs, niet kan worden gehonoreerd. De advocaat van de man had reeds ter zitting van 13 september 2018 een beroep op voornoemd artikel kunnen doen en de rechtbank om een beslissing ten aanzien van het familiale verschoningsrecht van [naam 2] en [naam 3] moeten verzoeken. Dit verzoek had de man ook nog ter zitting van 14 november 2018 kunnen doen, voordat de enquête gesloten werd. Een verzoek na sluiting van de enquête is echter tardief. De rechtbank zal dit verzoek van de man daarom afwijzen.

3.5.

Ter beantwoording van de vraag of de man geslaagd is in zijn bewijs van de stelling dat de vrouw met [naam 1] samenwoont in de zin van artikel 1:160 BW, overweegt de rechtbank als volgt.

3.6.

Op grond van de getuigenverklaringen van de vrouw en [naam 1] van 14 november 2018 acht de rechtbank aannemelijk dat zij, anders dan zij zelf stellen, een affectieve relatie hebben. Echter, het hebben van een affectieve relatie maakt nog niet dat er sprake is van samenleven in de zin van artikel 1:160 BW. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleven als ware gehuwd dient ook te worden vastgesteld dat de vrouw en [naam 1] met elkaar samenwonen, een gemeenschappelijke huishouding en elkaar wederzijds verzorgen.

3.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is uit de verklaringen van de vrouw en [naam 1] niet komen vast te staan dat partijen samenwonen. [naam 1] staat niet ingeschreven op het adres van de vrouw maar op dat van zijn zuster, waar hij een aantal nachten per week verblijft en waar hij zijn spullen heeft staan. Weliswaar is [naam 1] gemiddeld een aantal dagen per week bij de vrouw, overnacht hij af en toe bij de vrouw en heeft hij enkele kledingstukken en een tandenborstel in het huis van de vrouw liggen, maar op grond van de verklaringen van zowel de vrouw als [naam 1] acht de rechtbank het aannemelijk dat [naam 1] bij de vrouw verblijft als gast. Dat hij over een sleutel van het huis van de vrouw beschikt maakt dat niet anders. Uit de verklaringen blijkt ook dat zij vakanties meestal niet samen doorbrengen en geen weekendjes samen weggaan. Voorts is niet komen vast te staan dat [naam 1] en de vrouw een financiële gemeenschappelijke huishouding zouden voeren. Daarvan kan namelijk slechts sprake zijn indien de samenwonenden in feite elk hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Niet is gebleken dat de vrouw en [naam 1] een gezamenlijke bankrekening hebben of dat [naam 1] meebetaalt aan de vaste lasten van de woning of aan boodschappen van de vrouw. Dat de vrouw af en toe kookt en incidenteel wel eens wast voor [naam 1] en dat [naam 1] af en toe een klusje voor de vrouw doet, zonder dat hier vergoedingen tegenover staan, is naar het oordeel onvoldoende om vast te stellen dat er sprake is van wederzijdse verzorging. Dat [naam 1] wel eens klust bij de kinderen van partijen maakt dat niet anders, nu de kinderen meerderjarig zijn en in hun eigen onderhoud voorzien. 3.8. De man is er dan ook niet in geslaagd om te bewijzen dat de vrouw en [naam 1] met elkaar samenwonen, een gemeenschappelijke huishouding voeren en als samenlevenden elkaar wederzijds verzorgen. De rechtbank zal derhalve ook dit verzoek van de man afwijzen.

3.9.

De rechtbank ziet aanleiding, gelet op de aard van het geschil, de proceskosten in de procedure te compenseren en zal het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank:

- wijst de verzoeken van de man af;

- bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. R. Wiersma, griffier, op 6 maart 20191

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.