Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1340

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
14-03-2019
Zaaknummer
AMS 18_1021
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wajong. Ontbreken arbeidsdeskundige onderbouwing over het al dan niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Beroep gegrond. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/1021

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser (hierna te noemen: [eiser] )

(gemachtigde: mr. A.A. Bouwman),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Schreuders).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder [eiser] niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015).

Bij besluit van 10 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018.

[eiser] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn broer, [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verweerder verzocht om een (nadere) motivering van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 16 oktober 2018 een nadere toelichting en een arbeidskundige rapportage overgelegd. Daarop heeft [eiser] op 23 november 2018 gereageerd.

De rechtbank heeft partijen daarna in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken of zij op een nadere zitting gehoord willen worden. Partijen hebben daarop niet gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op 1 februari 2019 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. [eiser] is geboren op [geboortedatum] en is op [datum] [leeftijd] jaar geworden. [eiser] heeft op 21 februari 2017 een Beoordeling arbeidsvermogen aangevraagd. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van [eiser] voor een Wajong-uitkering afgewezen. Verweerder heeft aan deze afwijzing een rapport van arts [naam] , getoetst en geaccordeerd door staf- en verzekeringsarts [naam] , van 20 juni 2017 ten grondslag gelegd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van [eiser] onder wijziging en aanvulling van de motivering ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam] van 10 januari 2018 ten grondslag gelegd. De afwijzing van de Wajong-uitkering blijft gehandhaafd, omdat er geen onderbouwing is om te stellen dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

3. [eiser] heeft in beroep – kort samengevat – aangevoerd dat zijn psychische klachten en psychiatrische problematiek wél duurzaam zijn. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat er mogelijkheden zijn tot arbeidsparticipatie. [eiser] heeft de rechtbank verzocht om een deskundige te benoemen.

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is een jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, wordt verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit), zoals dat luidt per 1 januari 2015, heeft een betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;
b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;
c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.
In het tweede lid van het artikel is bepaald dat een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid van een functie is en bestaat uit een of meerdere handelingen.

De criteria onder a. en b. worden beoordeeld door een arbeidsdeskundige en de criteria onder c. en d. door een verzekeringsarts.

Op grond van artikel 3, vierde lid, van het Schattingsbesluit stelt de verzekeringsarts bij een beoordeling van het duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben als bedoeld in de Wajong, vast of de gevolgen van ziekte of gebrek waardoor de betrokkene ongeschikt is tot werken, duurzaam zijn.

In de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit in verband met de Invoeringswet Participatiewet (Stb. 2014, nr. 359) heeft de wetgever toegelicht dat met deze wijziging van het Schattingsbesluit nadere invulling wordt gegeven aan de term mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Deze term staat gelijk aan het begrip arbeidsvermogen. Het begrip arbeidsvermogen is een zeer breed begrip en kan op verschillende manieren tot uiting komen. Mensen met arbeidsvermogen kunnen werken, al dan niet met ondersteuning en al dan niet onder het WML (wettelijk minimumloon). Het gaat bijvoorbeeld om mensen die alleen met een loonkostensubsidie of loondispensatie en een jobcoach kunnen werken. Het gaat om mensen die alleen in een beschutte omgeving kunnen werken. Het kan ook gaan om mensen die meer dan het WML kunnen verdienen maar alleen met een voorziening. Of het kan gaan om mensen die zonder meer het WML of meer kunnen verdienen. Met het bepalen van de voorwaarden voor het niet hebben van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, wordt tegelijkertijd de ondergrens van arbeidsvermogen bepaald. Als iemand aan de minimumvoorwaarden voldoet, is hij in staat te werken, eventueel met ondersteuning. Onder ondersteuning wordt begeleiding of een voorziening verstaan.

Verder blijkt uit de nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 dat het duurzaam niet hebben van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie betekent dat de mogelijkheden noch door medisch herstel noch door training (bijvoorbeeld scholing) kunnen verbeteren.

Voor het recht op uitkering op grond van de Wajong 2015 moet het Uwv dus beoordelen of de betrokkene aan (ten minste) een van de vier in het eerste lid van artikel 1a van het Schattingsbesluit genoemde voorwaarden voldoet. Is dat het geval dan moet het Uwv beoordelen of deze situatie duurzaam is als bedoeld in artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong 2015. Daarbij maakt het Uwv gebruik van de Sociaal Medische Beoordeling Arbeidsvermogen (SMBA) systematiek. Bij deze beoordeling staat de “International Classification of Functioning, Disability and Health” centraal. Voor het toepassen van de SMBA-systematiek heeft het Uwv het Compendium Participatiewet vastgesteld. De rechtbank acht de SMBA-systematiek als ondersteunend systeem bij de beoordeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie aanvaardbaar.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank stelt voorop dat [eiser] , onder verwijzing naar de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal van 22 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3557) heeft aangevoerd dat de bestuursrechter ruimer dient te toetsen aan rechtsbeginselen of richtlijnen, met als resultaat een ruimhartigere toetsing.

De rechtbank overweegt dat het aan de bestuursrechter is om de vraag te beantwoorden of verweerder in de zaak van [eiser] voldoende invulling heeft gegeven aan artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of het resultaat de toetsing aan de artikelen 3:46 en 7:12 van de Awb kan doorstaan. Het gaat daarbij steeds om een volle toetsing van de besluitvorming. Nog daargelaten dat de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal een advies betreft, ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval anders te toetsen.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat aan het bestreden besluit – tot aan de nadere motivering ná de zitting – geen arbeidskundige onderbouwing over het al dan niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen ten grondslag ligt. Dit had gelet op bovenstaand kader wel gemoeten.

6. Dit betekent dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Met het oog op finale geschillenbeslechting zal de rechtbank hierna onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank moet daarvoor beoordelen of verweerder terecht heeft geoordeeld dat er bij [eiser] geen sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. De rechtbank zal achtereenvolgens ingaan op de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

Medische grondslag

8. In de primaire fase heeft arts [naam] het dossier bestudeerd en [eiser] gezien op het spreekuur van 15 maart 2017 en psychisch onderzoek verricht. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in het rapport van 20 juni 2017. De conclusie van arts [naam] is dat op basis van de huidige informatie bij [eiser] geen of onvoldoende objectiveerbare beperkingen zijn vast te stellen op het achttiende jaar. Verweerder heeft daarom bij het primaire besluit de aanvraag van [eiser] afgewezen.

9. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam] onderzoek verricht. Het dossier is bestudeerd en ongedateerde informatie van de psychiater, ingebracht tijdens de bezwaarprocedure, is meegenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 10 januari 2018 een rapport uitgebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft schizofrenie gediagnosticeerd, maar overweegt dat schizofrenie niet onverenigbaar is met het kunnen uitvoeren van een taak of het hebben of ontwikkelen van arbeidsvermogen. Grofweg kan gezegd worden, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat van patiënten met schizofrenie 15% een klinisch herstel doormaakt, 35% een recidiverend beloop heeft met geringe beperkingen, 35% een recidiverend beloop heeft met ernstige beperkingen en 15% chronisch psychotisch blijft. Concluderend overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen medische onderbouwing is op grond waarvan aannemelijk zou kunnen zijn dat bij [eiser] reeds thans in de beginfase na een eerste psychotische episode met een goede reactie op medicatie, nu al te stellen is dat [eiser] tot de groep met de ernstigste beperkingen zou behoren. De psychiater geeft dit niet aan in zijn informatie, maar bovendien stelt de psychiater dat de behandeling mede als doel heeft het beeld te verbeteren en te komen tot rehabilitatie, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

10. De rechtbank is van oordeel dat aan het bestreden besluit, gelet op de verrichtte onderzoeksactiviteiten, een zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag ligt. Met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 januari 2018 heeft verweerder overtuigend uiteengezet dat op het moment van de beoordeling geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen aan te nemen. Uit de medische informatie van de psychiater bij het AMC blijkt immers dat de verwachting is dat het medische beeld van [eiser] kan verbeteren. In de brief van psychiater [naam] staat: “Wij hebben patiënt een klinische opname aangeboden om te inventariseren wat de behandel- en begeleidingsmogelijkheden zijn, helaas hebben patiënt en zijn familie daar na een dag klinische opname vanaf gezien. Wij verwachten mits intensief begeleidt dat het beeld nog wel iets kan verbeteren, maar kunnen geen uitspraken doen over het beroepsmatig functioneren” Afdoende is onderbouwd dat in de situatie van [eiser] sprake is van behandelmogelijkheden met een reële verwachting dat zijn situatie zou kunnen verbeteren. Daarmee is sprake van een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij [eiser] aan de orde zijn. [eiser] heeft in beroep geen medische informatie overgelegd om twijfel te zaaien aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Dit betekent ook dat de rechtbank geen aanleiding ziet om een deskundige in te schakelen. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.

11. De broer van [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat [eiser] momenteel wordt begeleid door de huisarts, dat de gebruikte medicatie helpt tegen psychoses en wanen en dat [eiser] en zijn familie (momenteel) op zoek zijn naar een behandeling die beter aansluit op de behoeften van [eiser] . De behandeling bij het AMC was te intensief voor [eiser] , aldus zijn broer.

12. De rechtbank overweegt dat het in beginsel aan [eiser] (en zijn familie) is om zich te laten behandelen op een manier die voor hem het beste lijkt te zijn. Verweerder heeft met het oordeel van de psychiater van het AMC over de mogelijke behandeling echter concrete informatie verschaft waaruit blijkt dat er een situatie is waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich nog kunnen ontwikkelen, oftewel dat geen sprake is van duurzaamheid.

13. Ter zitting heeft [eiser] nog aangevoerd dat de rapportage van 20 juni 2017 niet is opgemaakt door een verzekeringsarts en dat de vermelding dat het Sociaal Medisch Oordeel getoetst en akkoord is bevonden door de staf-verzekeringsarts onvoldoende duidelijk maakt waaruit die toetsing heeft bestaan.

De rechtbank is van oordeel dat, wat hier ook van zij, dit niet kan afdoen aan het bestreden besluit, nu in bezwaar een volledige (medische) heroverweging heeft plaatsgevonden en de medische situatie van [eiser] door een verzekeringsarts bezwaar en beroep is beoordeeld. Voor zover al sprake zou zijn van een gebrek in de primaire fase, is dit gebrek hersteld in de bezwaarfase.

Arbeidskundige grondslag

(niet) over basale werknemersvaardigheden beschikken

14. Volgens het Compendium Participatiewet zijn basale werknemersvaardigheden vaardigheden waar iemand altijd over moet beschikken om als werknemer in een arbeidsorganisatie te kunnen functioneren. Het gaat om vaardigheden die een arbeidsorganisatie van de werknemer eist, los van het type arbeid en los van het type organisatie. Het betreft instructies van de werkgever begrijpen, instructies onthouden en instructies uitvoeren alsmede afspraken met de werkgever nakomen.

15. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt naar voren dat hij – in overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep – van mening is dat [eiser] de beschikking heeft gehad over basale werknemersvaardigheden en daarover in de toekomst weer kan beschikken. Daartoe overweegt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat [eiser] niet alleen een VMBO T diploma heeft behaald, maar ook een MBO opleiding niveau 4 heeft gevolgd. Ook slaagde [eiser] er in om toegelaten te worden tot het HBO. Verder blijkt uit Suwinet-gegevens dat [eiser] in 2008 meer dan 52 loondagen heeft gehad en dat hij in de periode 2013-2014 kortdurend voor verschillende uitzendbureaus heeft gewerkt.

De rechtbank is van oordeel dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep daaruit getrokken conclusie – dat [eiser] in staat is geweest zaken te begrijpen, te onthouden en uit te voeren en daarom de beschikking heeft gehad over basale werknemersvaardigheden – op voldoende feitelijke grondslag berust en daarmee voldoende gemotiveerd is.

(G)een taak in een arbeidsorganisatie kunnen verrichten

16. Om arbeidsvermogen te kunnen vaststellen moet iemand een taak kunnen uitvoeren in een arbeidsorganisatie en om te kunnen onderbouwen dat iemand aan dit criterium voldoet moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. De arbeidsdeskundige moet aantonen dat iemand een taak kan uitvoeren en ten tweede moet hij aantonen dat de klant die taak binnen de context van een arbeidsorganisatie kan verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] de taken ‘invoeren van gegevens’ (1601) en ‘plaatsen van onderdelen op printplaat’ (1701) kan uitvoeren. Het betreffen overzichtelijke taken, taken eenvoudig van aard en nauwelijks psychisch belastend. Er hoeft niet intensief te worden samengewerkt, er is geen sprake van klachtencontact en er worden geen eisen gesteld aan het realiseren van een hoog handelingstempo. Indien nodig kan er begeleiding worden ingezet om betrokkene te ondersteunen bij zijn werkzaamheden, aldus de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

17. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, in samenspraak met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, voldoende heeft gemotiveerd dat [eiser] deze taken in de toekomst zou kunnen verrichten, ook wanneer slechts sprake zou zijn van gedeeltelijk herstel van [eiser] aandoening.

18. De grond van [eiser] dat onvoldoende concreet is onderbouwd dat zijn belastbaarheid in arbeidsparticipatie kan toenemen en dat hij in de toekomst weer een enkelvoudige taak in een arbeidsorganisatie zou kunnen uitvoeren, kan daarom niet slagen. Zowel de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben voldoende gemotiveerd waarom van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen geen sprake is. De verder niet onderbouwde stelling van [eiser] is onvoldoende om daar afbreuk aan te doen.

Conclusies

19. Het voorgaande betekent dat het de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven. [eiser] moet in staat worden geacht arbeidsvermogen te ontwikkelen (met andere woorden: zijn huidige situatie is niet duurzaam). [eiser] heeft daarom geen recht op een Wajong-uitkering.

20. Omdat het beroep gegrond is, is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.280,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van repliek, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan [eiser] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 1.280,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Reichert, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Trommel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.