Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1338

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
C/13/660029 / KG RK 19-15
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2019:1339
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

Kort gezegd is niet duidelijk op welke wijze een verzoek ex artikel 1062 Rv (een verzoek om een arbitraal vonnis ten uitvoer te mogen leggen) moet worden beoordeeld als het én om een arbitraal verstekvonnis gaat én gedaagde een consument is.

In de beschikking van 25 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter uiteengezet, alvorens te beslissen op het verzoek, dat het nodig is om hierover vragen te stellen aan de Hoge Raad.

Op de voet van artikel 392 Rv zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten. Dat heeft geleid tot de beschikking van 27 februari 2019 waarin de eerder geformuleerde vragen, die ongewijzigd zijn gebleven, aan de Hoge Raad worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/253
RBP 2019/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

Beschikking van 27 februari 2019

zaaknummer / rekestnummer: C/13/660029 / KG RK 19-15 MW/CB

in de zaak van

de stichting

STICHTING INTERMARIS,
gevestigd te Hoorn,

verzoekster,

gemachtigde M.G. Lasonder, gerechtsdeurwaarder te Hoorn,

tegen

[gerekwestreerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gerekwestreerde,

niet verschenen.

1 Het verloop van de procedure

Bij tussenbeschikking van 25 januari 2019 heeft de voorzieningenrechter prejudiciële vragen aan de Hoge Raad geformuleerd. Op de voet van artikel 392 Rv zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019.

Namens verzoekster is gerechtsdeurwaarder Lasonder verschenen. Ook is [naam 1] , verbonden aan de Stichting Arbitrage Rechtspraak Nederland, verschenen. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2 De beoordeling

2.1. Gerekwestreerde is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.2.

Zowel verzoekster als de Stichting hebben ingestemd met het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en hebben geen bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de geformuleerde vragen.

De Stichting heeft twee aanvullende vragen voorgesteld:

- de ‘opt out’ is alleen van toepassing indien verweerder een consument is en de bevoegdheid van het scheidsgerecht is geregeld in algemene voorwaarden. Wij gaan ervan uit dat de ‘opt out’ dus niet van toepassing is bij een compromis en niet bij een aanvullende overeenkomst (bv arbitragebeding als onderdeel van een betalingsregeling). Klopt dat?

- we hebben vernomen dat een ander scheidsgerecht (E-court) bij de rechtbank Overijssel de executieverloven vraagt en daarvoor geen kosten boven de arbitragevergoeding in rekening brengt, omdat er één exequatur wordt gevraagd voor grote hoeveelheden arbitrale vonnissen (één eiser, meerdere verweerders). Is dit toegestaan?

2.3.

Hoewel de Stichting geen partij is in deze procedure wordt hierna beoordeeld of deze vragen (ambtshalve) aan de Hoge Raad moeten worden voorgelegd. De eerste vraag betreft de status van het arbitrale beding. In dit geval is aannemelijk geacht dat het arbitrale beding in een tussen partijen toepasselijke algemene voorwaarde staat (zie de beschikking van 25 januari 2019 onder 3.5). Dat is een oordeel waarover de voorzieningenrechter geen twijfels heeft die maken dat aan de Hoge Raad vragen moeten worden gesteld. Daarom wordt de eerste vraag gepasseerd.

De tweede vraag wordt zo begrepen dat daarin de vraag wordt voorgelegd of het is toegestaan om tenuitvoerlegging te vragen van een arbitraal vonnis waarin meerdere incassozaken betreffende (kleine) geldvorderingen zijn gevoegd. Deze vraag houdt in feite de vraag in of aannemelijk is dat een dergelijk arbitraal vonnis in strijd is met de goede procesorde. Deze vraag houdt geen verband met het vonnis waarvan verzoekster tenuitvoerlegging vraagt, maar in het algemeen is het voor de rechtspraktijk van belang om te weten of dat het geval is. Mogelijk ziet de Hoge Raad (of zijn parket) ook hier aanleiding zich hierover uit te laten (vergelijk de beschikking van 25 januari 2019 onder 3.9).

2.4.

Alleen de in de beschikking van 25 januari 2019 geformuleerde vragen zullen dan ook aan de Hoge Raad worden voorgelegd. Voor de toelichting hierop wordt verwezen naar die beschikking. Als bijlagen zullen worden meegezonden:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen;

  • -

    het exploot van 22 mei 2018 met de bijbehorende brief;

  • -

    de tussenbeschikking van 25 januari 2019;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 13 februari 2019;

  • -

    een memo met bijlagen van de Stichting Arbitrage Rechtspraak Nederland.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- stelt de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen:

1. Is het voor toewijzing van het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, dat bij verstek is gewezen tegen een consument, nodig dat in het arbitrale vonnis is opgenomen, dan wel op verzoek van de voorzieningenrechter door degene die verzoekt om verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis wordt aannemelijk gemaakt:

a. dat aan gedaagde een termijn van tenminste een maand is gegund om voor beslissing van de zaak door de overheidsrechter te kiezen. Indien het vonnis of de toelichting deze vermelding bevat, is dat dan (in beginsel, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn die nopen tot nader onderzoek) afdoende?

b. dat, en zo ja in hoeverre, gedaagde is geïnformeerd over de relevante verschillen tussen de hem aangeboden vorm van arbitrage en de anders openstaande weg naar de overheidsrechter?

c. dat de arbiter bij de beoordeling van de vorderingen de Richtlijn ambtshalve heeft toegepast?

2. Indien in een arbitraal vonnis buitengerechtelijke kosten zijn toegewezen tegen een natuurlijke persoon maar niet blijkt dat de arbiter heeft onderzocht of de veertien dagen brief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW is verstuurd, is het vonnis dan in strijd met de openbare orde of kan de voorzieningenrechter pas tot dit oordeel komen nadat aan de verzoeker over de veertien dagen brief een toelichting is gevraagd?

- draagt de griffier op het procesdossier aan de Hoge Raad te doen toekomen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door C.J.J. Buys, griffier, en in het openbaar uitgesproken op
27 februari 2019.