Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1317

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
13/175397-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring belediging, mishandeling en belaging. Vrijspraak bedreigingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/175397-17

Datum uitspraak: 27 februari 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 november 2018 en 13 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Vermeulen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging op de zitting van 13 februari 2019 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. belediging van [persoon 1] in de periode van 1 december 2016 tot en met 28 februari 2017 in Amsterdam.

2. bedreiging van [persoon 1] in de periode van 8 februari 2017 tot en met 12 februari 2017 in Amsterdam.

3. bedreiging van [persoon 2] op 3 april 2017 in Amsterdam.

4. mishandeling van [persoon 1] op 31 mei 2017 in Woudenberg.

5. vernieling van een zonnebril van [persoon 1] op 31 mei 2017 in Woudenberg.

6. stalking van [persoon 1] in de periode van 1 november 2016 tot en met 23 maart 2017 in Amsterdam.

7. mishandeling van [persoon 1] op 23 maart 2017 in Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van alle ten laste gelegde feiten.

3.1

Vrijspraak van het onder 2 en 3 ten laste gelegde

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij/zij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte en zijn ex-partner [persoon 1] zijn verwikkeld in een langdurig conflict na het beëindigen van hun relatie. [persoon 2] , de moeder van [persoon 1] , is door haar zoon ook betrokken bij het conflict. Uit het dossier komt het beeld naar voren van een heftige vechtscheiding waarbij door beide partijen over en weer kwetsende uitlatingen zijn gedaan.

Anders dan door de officier van justitie naar voren gebracht kunnen de door verdachte gepleegde mishandelingen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bedreiging niet in aanmerking worden genomen omdat deze later zijn gepleegd dan de vermeende bedreigingen.

Hoewel de bewoordingen van de ten laste gelegde uitlatingen op zichzelf geschikt zijn om een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van [persoon 1] dan wel [persoon 2] te kunnen opleveren, is de rechtbank van oordeel, dat die uitlatingen, gelet op de gegeven omstandigheden, bezien in de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, niet van dien aard zijn dat bij [persoon 1] dan wel [persoon 2] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook daadwerkelijk zou worden gepleegd.

Het bovenstaande leidt ertoe dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet is bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

3.2

Vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde

De rechtbank acht met de raadsman niet bewezen hetgeen onder 5 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Op basis van het dossier is immers niet vast komen te staan dat de zonnebril daadwerkelijk is vernield, beschadigd, onbruikbaar of weg gemaakt.

3.3

Verweer ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit. De raadsman heeft aangevoerd dat de uitingen ‘viespeuk’ en ‘bastaard’ niet zijn te kwalificeren als een strafrechtelijke belediging. De uiting ‘vieze hoer’ past binnen de onderlinge verhouding die op dat moment bestond tussen aangever en verdachte. Als de uiting in dat geheel wordt geplaatst kan het feit niet bewezen worden.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Een uitlating die in iemands tegenwoordigheid wordt aangedaan, moet als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer of goede naam.

Verdachte heeft de woorden geuit in het langdurige conflict waarin hij is verwikkeld met aangever na het beëindigen van hun relatie. Verdachte heeft verklaard dat hij dit deed uit woede en frustratie.

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte gebruikte woorden in het algemeen hedendaags taalgebruik als scheldwoorden worden ervaren en, ook in de context van het conflict van partijen, onmiskenbaar ertoe strekten de eer en goede naam van aangever aan te tasten. De rechtbank acht daarmee het onder 1 ten laste gelegde bewezen.

3.4

Verweer ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit. Aangever en de getuige zijn partij in het geschil. Er zijn geen objectieve getuigen. Daarnaast zijn er verschillen tussen wat aangever en de getuige op zitting hebben verklaard. De getuige heeft verklaard dat aangever een stomp in het gezicht kreeg, terwijl aangever zelf daar niet over heeft verklaard. Verdachte ontkent de mishandeling te hebben gepleegd. Nu de verklaringen te wankel zijn dient verdachte te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat het feit gelet op de verklaringen van aangever [persoon 1] en getuige tevens aangever [persoon 3] bewezen kan worden. Dat aangevers niet precies overeenkomstig hebben verklaard is geen reden om de verklaringen in twijfel te trekken. Aangever en getuige hebben ter terechtzitting, meer dan 1,5 jaar later, over het vastpakken van de arm en het duwen van de portier tegen de benen van [persoon 1] consistent en gedetailleerd en in lijn met hun eerdere verklaring verklaard.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het eerste gedachtestreepje te weten ‘slaan in het gezicht’ niet bewezen kan worden omdat aangever op de terechtzitting expliciet heeft verklaard niet te zijn geslagen. Verdachte zal van dit onderdeel worden vrijgesproken.

3.5

Verweer ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit. Er is over en weer contact geweest tussen verdachte en aangever. Ook al kunnen individuele berichten beledigend zijn, er moet gekeken worden naar het geheel. Er is geen sprake van stalking. De raadsman heeft verwezen naar de uitspraak ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9376.

De rechtbank acht het feit bewezen. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij veelvuldig per e-mail en telefoon contact heeft gezocht met aangever, terwijl kenbaar voor hem was dat aangever geen contact met verdachte wilde. Verdachte heeft verklaard dat hij handelde uit woede en onmacht.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer sprake is geweest.

Hierbij verwijst de rechtbank naar de inhoud van de in het dossier opgenomen e-mailberichten en het proces-verbaal van bevindingen telefoongegevens. Hieruit komt naar voren dat verdachte op intensieve wijze heeft geprobeerd met aangever in contact te komen terwijl aangever aan verdachte te kennen heeft gegeven van zijn toenadering niet gediend te zijn. De berichten die verdachte stuurde waren dwingend en beledigend van aard.

Dat aangever in dezelfde periode ook zakelijk contact zocht met verdachte doet niet af aan het voorgaande.

De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.

3.6

Verweer ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde

De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit. Hij heeft aangevoerd dat er geen objectief bewijs is. Daarnaast is er verschil tussen wat aangever en de getuige hebben verklaard. De getuige heeft uitdrukkelijk verklaard dat er binnen geen geweld is gepleegd. Omdat de verklaringen op punten niet overeenstemmen en verdachte ontkent de mishandeling te hebben gepleegd dient hij te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat het feit gelet op de verklaring van aangever en van getuige [persoon 4] bewezen kan worden. Aangever en de getuige hebben consistent en gedetailleerd verklaard over de tenlastegelegde mishandeling. Er is geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuige.

3.7

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 december 2016 tot en met 28 februari 2017 in Nederland, telkens opzettelijk beledigend (zijn ex-partner) [persoon 1] , bij geschrift en afbeelding en door een toegezonden en aangeboden geschrift en afbeelding, meerdere malen, per computer, berichten heeft gestuurd naar het emailadres van die [persoon 1] , met de teksten: viespeuk, vieze hoer, bastaard;

4.

op 31 mei 2017 te Woudenberg [persoon 1] opzettelijk heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het met kracht

- meermalen vastpakken van de arm van [persoon 1] en

- duwen van een portier van een auto tegen de benen van [persoon 1] , waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

6.

in de periode van 1 november 2016 tot en met 23 maart 2017 (op een of meer tijdstippen) te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, te weten [persoon 1] , met het oogmerk die [persoon 1] te dwingen iets te dulden en immers heeft verdachte toen en daar (telkens) opzettelijk

- veelvuldig email berichten verstuurd naar het email adres van voornoemde [persoon 1] en

- veelvuldig gebeld naar het telefoonnummer van voornoemde [persoon 1] ;

7.

op 23 maart 2017 te Amsterdam [persoon 1] opzettelijk heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het met kracht vastpakken van de schouder van [persoon 1] en met kracht trekken aan de mitella van [persoon 1] ten gevolge waarvan [persoon 1] op een trap is gevallen, waardoor [persoon 1] pijn heeft ondervonden.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand.

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de context waarin de feiten zijn gebeurd en het tijdsverloop. De raadsman heeft verzocht te volstaan met een volledig voorwaardelijke taakstraf.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte en aangever waren gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden verwikkeld in een zogenaamde vechtscheiding. Verdachte heeft gedurende langere tijd aangever op hinderlijke wijze lastig gevallen, naar eigen zeggen uit woede en frustratie. Verdachte is met zijn handelen te ver gegaan. De gedragingen van verdachte hebben grote impact gehad op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-partner door hem vele (beledigende) berichten te sturen en hem te bellen. Daarnaast heeft verdachte aangever twee maal mishandeld. Hiermee heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn ex-partner. De gevolgen die het handelen van verdachte voor zijn ex-partner hebben blijken uit zijn slachtofferverklaring.

De rechtbank ziet de gepleegde feiten in de context van (het einde van) een turbulente relatie waarin beide partijen een rol speelden die niet altijd even mooi was. De rechtbank realiseert zich dat het strafproces voor beide partijen op zichzelf een straf is geweest.

De rechtbank heeft acht geslagen op het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat de rechtbank minder feiten bewezen acht en de hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf van 100 uur passend en geboden is.

Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 33,57 aan materiële schadevergoeding en € 300,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte ten aanzien van feit 3 is vrijgesproken.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 266, 285b, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 4, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Eenvoudige belediging,

Ten aanzien van feit 4 en 7:

Mishandeling, meermalen gepleegd,

Ten aanzien van feit 6:

Belaging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. G.P.C. Janssen en L. Voetelink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2019.

Bijlage

Tenlastelegging [verdachte]

Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat

1.

hij in op of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 28 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk beledigend (zijn ex-partner) [persoon 1] , bij geschrift en/of afbeelding en/of door een toegezonden en/of aangeboden geschrift en/of afbeelding, een of meerdere malen, per computer, een of meer berichten heeft gestuurd naar het emailadres van die [persoon 1] , met de tekst(en): viespeuk, vieze hoer, bastaard, althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2017 tot en met 12 februari 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (zijn ex-partner) [persoon 1] (middels voicemail) (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [persoon 1] dreigend de woorden toe te voegen "je gaat zo dood. Ik maak je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 3 april 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (telefonisch) via de voicemail van [persoon 1] gezegd; "Die mailtjes van jouw moeder word ik niet blij van, die hoer moet gewoon dood.. echt dood moet ze", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 31 mei 2017 te Woudenberg, in elk geval in Nederland, [persoon 1] opzettelijk heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het (met kracht)

- eenmaal of meermalen slaan en/of stompen in/tegen het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [persoon 1] en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen vastpakken en/of vasthouden van de arm, in elk geval van het lichaam van voornoemde [persoon 1] en/of (vervolgens)

- dichtslaan en/of duwen van een portier van een auto tegen de be(e)n(en) van voornoemde [persoon 1] , waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op of omstreeks 31 mei 2017 te Woudenberg, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een zonnebril, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [persoon 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 23 maart 2017 (op een of meer tijdstippen) te Amsterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, te weten [persoon 1] , met het oogmerk die [persoon 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte toen en daar

(telkens) opzettelijk

- ( veelvuldig) email berichten verstuurd naar het email adres van voornoemde [persoon 1] en/of

- ( veelvuldig) gebeld naar het telefoonnummer van voornoemde [persoon 1] ;

7.

hij op of omstreeks 23 maart 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 1] opzettelijk heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het (met kracht)

- vastpakken van de schouder, in elk geval van het lichaam van voornoemde [persoon 1] en/of (met kracht) vastpakken van en/of rukken en/of trekken aan de mitella en aan de rechter arm van voornoemde [persoon 1] en/of (vervolgens)

- duwen tegen het lichaam van voornoemde [persoon 1] , (ten gevolge waarvan voornoemde [persoon 1] op de grond en/of op een trap is gevallen), waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.