Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1316

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
13/728068-15, 23/000589-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/728068-15, 23/000589-16

Datum uitspraak: 26 februari 2019

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummers 13/728068-15, 23/000589-16, tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1992,

verblijvend en ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [BRP-adres] (locatie [instelling] ).

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2019 en de daaraan voorafgaande schriftelijke rondes waarin respectievelijk een conclusie van antwoord, een conclusie van repliek en een conclusie van dupliek zijn genomen.

2 De vordering

De vordering van de officier van justitie van 2 februari 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van €20.849,00. De officier van justitie heeft dit bedrag naar aanleiding van de conclusiewisseling aangepast tot een bedrag van € 20.275,19.

3 Grondslag van de vordering

[veroordeelde] , hierna te noemen de veroordeelde, is bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 december 2017 onder meer terzake van de navolgende strafbare feiten veroordeeld.

Ten aanzien van zaak A onder 1:

mensenhandel,

Ten aanzien van zaak A onder 3:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel,

Ten aanzien van zaak A onder 4 primair:

zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel,

Ten aanzien van zaak A onder 5 en 6:

telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

Ten aanzien van zaak A onder 7:

verduistering.

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

De vordering berust op een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 17 april 2018 (hierna: het rapport). De raadsman mr. Polat heeft op 8 mei 2018 een conclusie van antwoord ingediend. De officier van justitie heeft op 6 juli 2018 een conclusie van repliek ingediend, waarop nog een aanvulling is verstrekt bij mail van 26 juli 2018, waarna de raadsvrouw mr. Schaddelee op 3 augustus 2018 haar conclusie van dupliek heeft ingediend.

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich ter terechtzitting op het standpunt dat veroordeelde door de mensenhandel van het slachtoffer [naam slachtoffer] in de periode van 29 juni 2013 tot 8 december 2014 een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van

€ 20.275,19, na aftrek van de kosten die in directe relatie staan tot het delict.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de volgende verweren gevoerd.

1. De in het rapport genoemde opbrengsten uit de werkzaamheden van het slachtoffer zijn gebaseerd op de periode van 29 juni 2013 tot 8 december 2014. Het slachtoffer heeft echter zelf verklaard dat de veroordeelde haar in maart 2014 voorstelde om in de prostitutie te gaan werken. Zij heeft verklaard dat zij in april 2014 heeft gewerkt in Alkmaar. Wellicht heeft het slachtoffer eerder in de prostitutie gewerkt, maar niet op initiatief van de veroordeelde. Dit betekent dat een deel van de inkomsten uit [naam sekshuis 1] en de inkomsten uit de Achterdam niet meegenomen dienen te worden in de berekening.

2. Het rapport gaat ten onrechte uit van een totaalbedrag van € 22.910,18 als inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden. Het rapport baseert dat bedrag op loonstroken, maar het slachtoffer heeft verklaard dat zij in totaal € 18.000,- heeft verdiend en dat de loonstrookjes niet kloppen. De conclusie in het rapport dat sprake is van een vergissing is nergens op gebaseerd. Het slachtoffer heeft specifiek gemotiveerd waar het verschil tussen het bedrag van € 18.000,- en de salarisstroken in zit.

3. In het rapport wordt wat betreft de Achterdam uitgegaan van € 200,- per dag. Uit salarisstroken van andere clubs blijkt dat de dagen waarop het slachtoffer € 200,- of meer heeft verdiend bijna niet voorkomen. Daarom dient uit te worden gegaan van een gemiddelde van € 62,- per dag. Dit bedrag is gebaseerd op een gemiddelde van salarisstroken van de clubs waar zij gewerkt heeft.

4. Het is onmogelijk dat de studiefinanciering die op de rekening van het slachtoffer werd gestort is opgenomen en aan de veroordeelde is afgestaan omdat de moeder van het slachtoffer controle had over haar bankpas. Indien de rechtbank de studiefinanciering wel mee neemt in de berekening, dienen de opnamen in mindering te worden gebracht op de werkzaamheden. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij het geld van de studiefinanciering aan de veroordeelde heeft opgegeven als inkomsten uit prostitutie maar op die momenten niet daadwerkelijk heeft gewerkt. Die bedragen kunnen dus niet als inkomsten uit werkzaamheden worden gezien.

5. Het bedrag van € 1.300,- dat het slachtoffer zou hebben gestolen van haar moeder dient te worden geschrapt uit de vordering omdat er geen ander bewijsmiddel is dan de verklaring van het slachtoffer.

6. Uit de verklaringen van het slachtoffer blijkt dat zij 3 a 4 gram cocaïne per dag gebruikte. Dit komt neer op een bedrag van € 6.000,- per maand, danwel € 84.000 over een pleegperiode van 14 maanden (oktober 2013 t/m december 2014). Op basis van haar eigen verklaring kan worden aangenomen dat zij het verdiende geld in ieder geval deels zelf heeft besteed. Nu het slachtoffer van haar opbrengsten een aanzienlijk deel aan cocaïne voor haarzelf heeft besteed, heeft dat niet tot enig voordeel voor de veroordeelde geleid.

4.3

Oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bespreking van de verweren

Ten aanzien van 1.

De rechtbank verwerpt het verweer. Het gerechtshof heeft ten aanzien van de startdatum uitdrukkelijk overwogen dat het slachtoffer niet later dan begin oktober 2013 als prostituee is gaan werken. De relatie tussen het slachtoffer en de veroordeelde is begonnen op 29 juni 2013. Volgens het hof is het gaan verrichten van prostitutiewerkzaamheden door het slachtoffer onlosmakelijk verbonden geweest met de dwang die door de veroordeelde binnen de relatie werd uitgeoefend. De rechtbank neemt tegen deze achtergrond alle opbrengsten uit het sekswerk of inkomsten die zijn opgegeven alsof deze met sekswerk zijn verdiend als basis van de vordering.

De rechtbank neemt als startpunt 13 september 2013. Het slachtoffer is op maandag 7 oktober 2013 begonnen in [naam sekshuis 1] . Zij heeft daaraan voorafgaand 4 weekenden gewerkt in Alkmaar. Dit zou betekenen dat zij op vrijdag 13 september 2013 is begonnen in Alkmaar.

Ten aanzien van 2.

De rechtbank verwerpt het verweer. Het slachtoffer heeft inderdaad verklaard dat zij slechts

€ 18.000,- heeft verdiend, maar op de foto genomen op 2 september 2014 is de veroordeelde te zien met een bedrag van € 18.000,-, dat met de verdiensten van het slachtoffer was gespaard. Uit de salarisstroken blijkt dat het slachtoffer heeft gewerkt in sekshuizen tot en met 31 oktober 2014. Het kan dus niet anders zijn dan dat er meer geld is verdiend dan enkel het bedrag van € 18.000,- op de foto. De veroordeelde en het slachtoffer hebben immers ook uitgaven moeten doen ten behoeve van levensonderhoud, (werk)kleding, mobiele telefonie, consumptiegoederen, sigaretten en verdovende middelen. De rechtbank gaat uit van de verdiensten in de clubs op basis van de salarisstroken.

Ten aanzien van 3.

De rechtbank verwerpt het verweer. Wat een raamprostituee verdient kan niet worden afgeleid van wat zij in een club heeft verdiend. De rechtbank gaat er op grond van algemene ervaringsregels van uit dat raamverdiensten in een prostitutiegebied op vrijdagavond en zaterdag al snel enkele honderden euro’s per prostituee per dag bedragen. De rechtbank acht het bedrag van € 200,- per dag aannemelijk.

Ten aanzien van 4.

De rechtbank verwerpt het verweer. Zoals hierboven overwogen neemt de rechtbank alle opbrengsten uit het sekswerk of inkomsten uit andere bron waarvan het slachtoffer het aan de veroordeelde deed voorkomen dat deze uit sekswerk afkomstig waren als basis van de vordering. Deze opbrengsten en inkomsten zijn namelijk door de uitbuitingssituatie ter beschikking aan de veroordeelde gekomen. Het slachtoffer had beschikking over de rekening want vastgesteld is dat zij daarvan bedragen heeft opgenomen. De rechtbank gaat uit van de opnames vanaf het moment dat het slachtoffer in sekshuizen heeft gewerkt en dat is vanaf begin oktober 2013. De opbrengsten uit de raamprostitutie zijn bepaald op € 200,- per dag. Voor zover het slachtoffer geld heeft opgenomen en afgedragen als ware het verdiend met de raamprostitutiewerkzaamheden, neemt de rechtbank aan dat deze opnamen binnen het op

€ 200,- per dag bepaalde inkomen vallen. Het risico bestaat immers dat de opnamen in dit geval dubbel tellen, hetgeen met de inkomsten uit het werk in sekshuizen niet het geval is, omdat deze zijn bepaald aan de hand van de salarisadministratie.

Ten aanzien van 5.

De rechtbank verwerpt het verweer. Geen rechtsregel staat eraan in de weg het wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten. Het slachtoffer heeft consistent en gedetailleerd verklaard. Er zijn geen aanknopingspunten waardoor getwijfeld moet worden aan haar verklaring.

Ten aanzien van 6.

De rechtbank verwerpt het verweer. Uitgaven van de veroordeelde om cocaïne voor het slachtoffer te kopen, doen het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de mensenhandel niet verminderen. Het is immers een besteding van het eerder verkregen wederrechtelijke voordeel. Het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit de opbrengsten van het strafbare feit minus de noodzakelijke kosten. Uitgaven aan verdovende middelen zijn geen noodzakelijke kosten die in mindering kunnen worden gebracht.

Bovendien is het onaannemelijk dat cocaïne zou zijn gekocht van de inkomsten van het slachtoffer voor een bedrag van € 84.000,-. Als dat waar zou zijn, heeft het slachtoffer meer dan een ton verdiend, gelet op de omstandigheid dat er € 18.000,- aanwezig was op

2 september 2014.

4.3.2

Beoordeling van de vordering

De rechtbank neemt bij de beoordeling van de vordering de volgende maatstaf in acht. Het rapport is een wettig bewijsmiddel, dat zodanig is ingericht dat daarin, onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens, gevolgtrekkingen zijn gemaakt over de verschillende posten die aan het in het rapport weergegeven wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd. Geen rechtsregel staat eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk voordeel uitsluitend op de inhoud van een dergelijk financieel rapport te doen berusten.

Verdiensten restaurant

Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank de verdiensten uit het restaurant niet meenemen in de berekening. Als basis van de berekening neemt de rechtbank de opbrengsten die voort zijn gekomen uit de seksuele uitbuiting. Het slachtoffer heeft ontslag genomen bij het restaurant op het moment dat zij in de prostitutie ging werken. Het salaris in het restaurant heeft zij verdiend toen zij nog niet prostitutiewerkzaamheden verrichtte in het kader van haar uitbuiting. Er is ook geen bewijs dat dit salaris is afgedragen in het kader van haar seksuele uitbuiting.

Opbrengsten uit prostitutiewerkzaamheden

De rechtbank schat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de werkzaamheden van het slachtoffer als volgt.

Zoals hiervoor is overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat het slachtoffer op vrijdag 13 september 2013 als prostituee is begonnen en vier weekenden in de raamprostitutie in Alkmaar heeft gewerkt en dat zij daarna tot en met oktober 2014 bij verschillende sekshuizen heeft gewerkt. De opbrengsten van deze werkzaamheden of in plaats van die werkzaamheden, zijn de basis van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het slachtoffer is gedurende voornoemde periode uitgebuit door de veroordeelde en heeft haar verdiensten aan hem moeten afdragen.

Alkmaar

Het slachtoffer heeft vier weekenden als prostituee gewerkt in Alkmaar op de Achterdam, waarbij zij minimaal € 200,- per dag verdiende. Het door de veroordeelde verkregen bedrag is 4 weekenden x 2 dagen = 8 werkdagen x € 200,- = € 1.600,-.

Sekshuizen

Uit de verstrekte salarisstroken blijkt dat het slachtoffer in de periode van 7 oktober 2013 tot en met 8 augustus 2014 gedurende 274 dagen heeft gewerkt bij [naam sekshuis 1] en totaal netto € 17.474,- heeft verdiend.

Uit de verstrekte salarisstroken blijkt dat het slachtoffer in de periode van 7 tot en met 14 augustus 2014 gedurende 5 dagen heeft gewerkt bij [naam sekshuis 2] en in totaal netto € 237,25 heeft verdiend.

Uit de verstrekte salarisstroken blijkt dat het slachtoffer in de periode van 8 augustus 2014 tot en met 8 oktober 2014 gedurende 48 dagen heeft gewerkt bij [naam sekshuis 3] en totaal netto

€ 4.463,93 heeft verdiend.

Uit de verstrekte salarisstroken blijkt dat het slachtoffer in de periode van 10 oktober 2014 tot en met 31 oktober 2014 gedurende 16 dagen heeft gewerkt bij [naam sekshuis 4] en totaal netto

€ 735,01 heeft verdiend.

Het door de veroordeelde verkregen bedrag is € 22.910,19.

Studiefinanciering

De rechtbank stelt het verkregen voordeel uit de afgestane studiefinanciering vast door te kijken naar de opnamen van haar bankrekening door het slachtoffer direct na het ontvangen van de maandelijkse studiefinanciering. De rechtbank baseert deze bedragen op het aanvullende proces-verbaal van 19 juli 2018 en gaat uit van het volgende.

  • -

    Geldopnames 24 / 25 oktober 2013: € 50,- + € 50,- + 130,-

  • -

    Geldopnames 25 november 2013: € 350,- + € 40,-

  • -

    Geldopname 20 december 2013: € 450,-

  • -

    Geldopname 24 januari 2014: € 400,-

  • -

    Geldopnames 24 februari 2014: € 400,- + € 20,-

  • -

    Geldopname 24 maart 2014: € 400,-

  • -

    Geldopname 24 april 2014: € 410,-

Het door de veroordeelde verkregen bedrag is € 2.700,-.

Lenen/stelen

De rechtbank stelt het door het slachtoffer geleende en aan de veroordeelde afgedragen bedrag vast op € 1.300,-. De rechtbank stelt het door het slachtoffer van haar moeder gestolen en aan de veroordeelde afgestane bedrag vast op € 600,-.

Het door de veroordeelde verkregen bedrag is € 1.900,-.

Tussenberekening totale opbrengst

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de volgende berekening.

€ 1.600,- + € 22.910,19 + € 2.700,- + € 1.900,- = € 29.110,19 als zijnde de totale opbrengst van de veroordeelde.

Kosten

Kosten levensonderhoud en werkkleding

De rechtbank acht het, met de opsteller van het rapport, aannemelijk dat er per week voor

€ 50,- aan kosten werd gemaakt ten aanzien van werkkleding en kosten voor voeding tijdens werktijden. De periode waarin de veroordeelde heeft geprofiteerd van de verdiensten van het slachtoffer betreft 64 weken, namelijk van 13 september 2013 tot en met 8 december 2014.

De totale kosten voor levensonderhoud en kleding bedragen 64 x € 50,- = € 3.200,-.

Fiets

De rechtbank zal ook de kosten van de fiets conform het rapport van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel aftrekken. Dit betreft € 160,-.

De in totaal gemaakte aftrekbare kosten bedragen:

€ 3.200,- + € 160,- = € 3.360,-.

Auto

De rechtbank zal de verkoopopbrengst van de auto van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel aftrekken. De auto is betaald vanuit het door het slachtoffer verdiende geld uit de prostitutie. De auto is vervolgens echter verkocht voor

€ 6.500,- en het slachtoffer heeft met dit bedrag eigen schulden afgelost. Dit leidt ertoe, dat moet worden geconcludeerd dat dit deel van de verdiensten uit prostitutie uiteindelijk toch niet ten goede is gekomen aan de veroordeelde. Het bedrag dat in mindering wordt gebracht betreft € 6.500,-.

Tussenberekening in mindering te brengen bedrag

Het in totaal in mindering te brengen bedrag is:

€ 3.360,- + € 6.500,- = € 9.860,-.

Eindberekening

Het voorgaande levert het volgende bedrag aan door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op.

€ 29.110,19 - € 9.860,- = € 19.250,19.

5 De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te betalen bedrag op eveneens € 19.250,19.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 19.250,19.

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van

€ 19.250,19 (negentienduizendtweehonderdvijftig euro en negentien cent) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. M.E. Leijten en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van A.M.G. Thijssen, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2019.