Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1301

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
13-699062-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schakelbewijs.

Verdachte wordt veroordeeld voor het mishandelen van vijf vrouwen in het Vondelpark, waarbij hij de vrouwen van achter aanviel en hen met poep in het gezicht smeerde. Dit deed hij in de periode van augustus 2017 tot en met april 2018. De rechtbank is van oordeel dat de feiten, die opvallende en ongewone overeenkomsten vertonen, door één dader moeten zijn gepleegd. De rechtbank oordeelt dat verdachte de dader is onder meer op grond van het feit dat hij een dag na één van de incidenten in het Vondelpark is staande gehouden waarbij hij, en vooral zijn broek, voldeed aan het signalement dat door het slachtoffer is gegeven. Bij een ander incident is geconstateerd dat verdachte/veroordeelde vlak vóór het incident richting het Vondelpark reed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-699062-17

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-699062-17 (Promis)

Datum uitspraak: 28 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 februari 2019. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Ruijs en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. Veenstra naar voren hebben gebracht.

2 Beschuldiging

2.1

Verdachte wordt er – kort gezegd – van verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het met voorbedachten rade mishandelen van vijf vrouwen door hen in het Vondelpark in Amsterdam poep in het gezicht te smeren. Dit zou hij gedaan hebben op 14 augustus 2017, 8 september 2017, 18 september 2017, 20 oktober 2017 en 20 april 2018.

Daarnaast wordt hij ervan verdacht dat hij op 21 april 2018 de eerbaarheid heeft geschonden door zich in het openbaar, in het Amstelpark in Amsterdam, af te trekken.

2.2.

De volledige tekst van de beschuldiging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat alle feiten bewezen zijn en voert daartoe het volgende aan. De feiten 1 tot en met 5 zijn allemaal feiten waarbij de slachtoffers met poep zijn besmeurd. Aangeefsters hebben de dader niet herkend, omdat zij allen van achteren zijn benaderd en zij de aanvaller niet in het gezicht hebben gezien omdat dit was afgedekt met een sjaal of capuchon. De dader wordt omschreven als zijnde een man, 1.70-1.80 lang (één slachtoffer spreekt over 1.90 lang), slank postuur en een getinte huidskleur. Verdachte past in dit signalement. Aangeefsters geven ook een beschrijving van de kleding van de dader en bij de doorzoeking in de woning en auto van verdachte zijn soortgelijke kledingstukken aangetroffen.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij vaak op vrijdagavond gaat stappen en dat hij na het stappen in het Vondelpark of Amstelpark zijn hoofd ging leegmaken. Verdachte is daags na het onder 4 tenlastegelegde in het Vondelpark geobserveerd en bij het onder 6 tenlastegelegde in het Amstelpark.

Ten aanzien van feit 4

Op 20 oktober 2017 rond 8.05 uur krijgt en veertienjarig meisje, [naam 14-jarig meisje] , poep in haar gezicht geduwd, nadat zij eerst in haar knieholte is getrapt. Haar vriendin [naam vriendin] is hiervan getuige. De verdachte wordt omschreven als een man met vermoedelijk een getinte huidskleur, donkere jas met capuchon, driekwart broek met zwarte legging eronder en sportschoenen. Deze kledingstukken passen bij de tijdens de doorzoeking van de woning en de auto van verdachte aangetroffen kleding. [naam vriendin] omschrijft de broek als een kapotte broek met gaten. Haar beschrijving past bij de aangetroffen harembroek met gaten die in de auto van verdachte is aangetroffen en die verdachte op 21 oktober 2017 aan had toen hij door verbalisanten werd aangesproken rond 7.30 uur, op dezelfde plek als waar aangeefster [naam 14-jarig meisje] is aangevallen.

Uit het haar van [naam 14-jarig meisje] zijn poepresten veiliggesteld. Deze zijn vergeleken met de poep die in april 2018 door verdachte is achtergelaten. Uit het onderzoek van het NFI volgt dat de hypothesen dat deze resten van hetzelfde individu of van verschillende individuen zijn, ongeveer even waarschijnlijk zijn. Dit levert geen bewijs op, maar sluit de verdachte ook niet uit.

Ten aanzien van feit 5

Gezien is dat verdacht op 28 april 2018 gehurkt tussen twee auto’s zit, even later zijn broek ophijst en een wit papiertje met daarin iets donkers, gelijkend op ontlasting, op de bijrijdersstoel van zijn auto legt. Door dit in weerwil van de observatie te ontkennen, heeft verdachte een kennelijk leugenachtige verklaring afgelegd. Ook op 30 april wordt gezien dat verdachte tussen twee auto’s hurkt en even later zijn broek optrekt en wegrijdt. Op de plaats waar hij gehurkt zat worden uitwerpselen gevonden, zodat aannemelijk is dat verdachte ook toen zijn eigen poep heeft meegenomen. In de visie van het openbaar ministerie heeft verdachte dit ook op vrijdag 20 april 2018 gedaan. In het Vondelpark vindt dan opnieuw een poepsmeerincident plaats. Aangeefster [naam slachtoffer 1] gaat om 5.30 uur hardlopen en wordt op gelijke wijze van achter aangevallen en met lauwe tot warme poep in het gezicht besmeurd. Zij beschrijft de jas van de aanvaller als een groene parka met grote capuchon. Een soortgelijke jas is bij verdachte thuis aangetroffen. Verdachte heeft voor het plegen ook gelegenheid gehad, want zijn auto wordt 20 april 2018 om 4.44 uur op de Parnassusweg geregistreerd, rijdend richting het Vondelpark. Drie kwartier later word het slachtoffer besmeurd.

Ten aanzien van feit 6

Op 21 april 2018 vindt er een schennispleging plaats in het Amstelpark. Aangeefster [naam slachtoffer 2] is om 7.45 uur aan het joggen, een man rent met haar mee en begint al rennend te masturberen. Verdachte past in het algemene signalement dat [naam slachtoffer 2] opgeeft. Verbalisanten zien om 7.25 uur de bestuurder van de auto van verdachte het Amstelpark ingaan. Hij draagt een korte broek met strakke legging, wat overeenkomt met de aangifte van [naam slachtoffer 2] , waarin zij aangeeft dat de dader een kort sportbroekje droeg. Om 7.40 uur wordt de auto van verdachte geparkeerd aan de Europaboulevard, waarna verdachte niet meer is geobserveerd. Verdachte had vandaaruit de gelegenheid om de schennispleging om 7.45 uur uit te voeren.

Op basis van genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband bezien en tegen de achtergrond van de eerdere incidenten in Almere, dienen de feiten 4, 5 en 6 te worden bewezen, aldus de officier van justitie.

Feiten 1, 2 en 3, schakelbewijs

Bij de slachtoffers van deze feiten is sprake van dezelfde modus operandi als bij de feiten 4 en 5. Slachtoffer [naam slachtoffer 3] is op 14 augustus 2017 om 7.20 uur tijdens het hardlopen in het Vondelpark aangevallen en met poep besmeurd. Verdachte past in het algemene signalement. [naam slachtoffer 4] is hetzelfde overkomen op 8 september 2017 omstreeks 6.35 uur, ook in het Vondelpark. De dader droeg zwarte handschoenen. Bij verdachte thuis zijn twee soortgelijke paren aangetroffen. [naam slachtoffer 5] overkomt hetzelfde op 18 september 2017 om 0.06 uur. Zij geeft een soortgelijk algemeen signalement op van de verdachte, maar schat hem jonger. Hierbij zij opgemerkt dat de verbalisanten die verdachte op 21 oktober 2017 in het Vondelpark troffen verdachte er jonger dan zijn kalenderleeftijd vonden uitzien.

Ten aanzien van deze feiten kan niet per feit voldaan worden aan het bewijsminimum, maar via schakelbewijs kunnen deze feiten wel meegenomen worden. Feiten 4 en 5 zijn bewijsbare zaken. De zeer specifieke modus operandi kan één op één worden gelegd op de feiten 1 tot en met 3. Een bijzonder modus operandi die verdachte naar eigen zeggen eind 2016 heeft gebruikt als kennelijke uitlaatklep voor zijn privéproblemen, waarbij verdachte heeft gepoept op de deurmat bij een buurtbewoonster en poep door haar brievenbus heeft geduwd en op de deurknop heeft gesmeerd. De problemen van verdachte waren ten tijde van de feiten 1 tot en met 3 nog verder toegenomen en verdachte heeft zich daarvoor niet laten behandelen. Daarbij komt dat bij feit 3 met verse poep is gesmeerd, zoals ook bij feit 5 is gebeurd en dat verdachte in april 2018 zijn eigen ontlasting heeft meegenomen. De genoemde bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 4 en 5 kunnen ook voor de feiten 1 tot en met 3 worden gebruikt, nu het handelen van verdachte een zeer specifieke en onderscheidende werkwijze betreft en verdachte ook past in de door de aangevers beschreven signalementen. De door hen beschreven signalementen wijken niet zodanig af dat reeds daarom al geconcludeerd zou moeten worden dat verdachte en hun aanvaller niet dezelfde persoon is.

Voorbedachte raad

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte zich keer op keer heeft voorzien van ontlasting, naar een voor hem bekend park is gegaan met een afgedekt gezicht om herkenning te voorkomen, telkens een vrouw alleen heeft uitgezocht en vijf keer met kracht de door hem meegebrachte poep in de gezichten van de vrouwen heeft geduwd. Uit deze identieke gedragingen van verdachte kan de conclusie worden getrokken dat hij ten tijde van de feiten 1 tot en met 5 telkens met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Gelet op de bewijsmiddelen in onderling verband beziend kunnen alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend worden bewezen.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft het volgende aangevoerd. Verdachte heeft alle feiten ontkend. Er moet behoedzaam worden omgegaan met schakelbewijs. Er zijn door de aangeefsters verschillende soorten signalementen gegeven. Dat de tenlastegelegde feiten poep betreffen is onvoldoende om uit te gaan van schakelbewijs en verdachte voor al deze feiten te veroordelen. Een soortgelijke modus operandi wil niet zeggen dat verdachte betrokken is bij de feiten.

Ten aanzien van feit 1 is er geen specifiek signalement van verdachte en geen ander objectief bewijs. Ook is niet gebleken dat verdachte die dag en op dat tijdstip in (de buurt van) het Vondelpark is geweest.

Ten aanzien van feit 2 heeft aangeefster helemaal geen signalement kunnen geven en ook hier zijn er geen aanwijzingen dat verdachte in of nabij het Vondelpark is geweest. Zijn telefoon heeft niet aangestraald op of bij de plaats delict en er zijn geen objectieve aanwijzingen dat verdachte betrokken is bij het feit.

Ten aanzien van feit 3 geeft aangeefster aan dat de verdachte 1.80-1.90 lang was, ongeveer 20-30 jaar en in het zwart was gekleed. Verder heeft zij weinig van verdachte gezien. Verdachte is niet in de buurt van het Vondelpark waargenomen, zijn telefoon straalde daar niet in de buurt aan, hij is niet tussen de 20 en 30 jaar oud en specifieke uiterlijke kenmerken die naar verdachte kunnen wijzen, ontbreken.

Ook ten aanzien van feit 4 voldoet verdachte niet aan het signalement. Hij is niet tussen de 20 en 30 jaar en bij verdachte thuis zijn geen handschoenen zonder vingers aangetroffen. Hier wijkt de modus operandi af van de andere zaken, nu er kennelijk fysiek geweld is gebruikt. Wat ook atypisch is, is dat er sporen zijn aangetroffen, maar deze wijzen niet naar verdachte.

Tijdens de maandenlange observaties van verdachte zijn geen strafbare feiten geconstateerd en uit de analyse van de historische telefoongegevens komt geen belastende informatie.

Op grond van al het bovenstaande dient verdachte van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Er is onvoldoende bewijs.

Ten aanzien van feit 5 geldt eveneens dat sprake is van onvoldoende bewijs. Het signalement, dat door aangeefster is gegeven, is onvoldoende concreet en de auto van verdachte was dan wel rond 4.44 uur op de Parnassusweg, hij was niet op de plaats delict zelf.

Ten aanzien van feit 6 is sprake van aangifte van mevrouw [naam slachtoffer 2] van een incident in het Amstelpark. Hier zijn camerabeelden uitgekeken, maar op deze beelden is verdachte niet waargenomen. Verdachte erkent tussen 7.25 uur en 7.43 uur in het park te zijn geweest, maar hij ontkent het tenlastegelegde. Ook wijkt de modus operandi af van eerdere aangiften. Zo is [naam slachtoffer 2] in (het Engels) aangesproken en heeft die verdachte zich voorgesteld als [naam] . [naam slachtoffer 2] omschrijft die verdachte als een man van tussen de 20 en 35 jaar met een lengte van 1.80-1.90 meter. Verdachte [verdachte] past niet in dit signalement. Nu er geen getuigen zijn, geen sporen en geen andere bron dan de aangifte, dient verdachte ook van dit feit te worden vrijgesproken.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak van het onder 6 ten laste gelegde

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen wat onder 6 is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt hierbij als volgt. Aangeefster heeft verklaard dat zij in het Amstelpark, in de Engelse taal, is aangesproken door een man die onder meer vroeg hoe laat het was en of hij met haar mee mocht rennen richting de uitgang van het park. De man rende iets achter haar en toen zij omkeek zag zij dat de man zijn penis in zijn hand had en masturberende bewegingen maken. De man had een grijs/zwart kort sportbroekje aan . Bij de doorzoeking van de woning en de auto van verdachte is een dergelijk sportbroekje niet aangetroffen. Op de camerabeelden van het Amstelpark is aangeefster wel, maar verdachte niet waargenomen en het enkele feit dat verdachte rond het bewuste tijdstip, namelijk tussen 7.25 uur en 7.43 uur bij en in het Amstelpark aanwezig was, is onvoldoende voor het bewijs dat het verdachte is geweest die aangeefster heeft aangesproken en daarop al masturberend achter haar aan heeft gerend. Het door de aangeefster gegeven signalement van de dader is te weinig specifiek en passend bij verdachte, om daaraan positieve bewijswaarde toe te kennen.

Voor de officier van justitie spelen voor haar standpunt dat het verdachte is geweest, de incidenten van eind 2016 in Almere mee, waarbij verdachte volgens een buurtgenote masturberend bij zijn huis heeft gestaan en een andere keer achter haar is aangelopen, vroeg wat de tijd was en zich toen aan het bevredigen was.

De rechtbank acht deze incidenten in Almere niet bruikbaar voor het bewijs. Van de melding van deze incidenten is weliswaar een politiemutatie gemaakt, maar een aangifte ontbreekt en verdachte ontkent die feiten te hebben gepleegd. Daarom is niet vast komen te staan dat verdachte deze feiten heeft gepleegd en kunnen ze niet dienen als ondersteunend bewijs. Verdachte zal van feit 6 worden vrijgesproken.

3.3.2

Het oordeel over het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde

Overwegingen schakelbewijs feiten 1 tot en met 5

Met gebruikmaking van schakelbewijs, acht de rechtbank de feiten 1 tot en met 5 bewezen. Met de term schakelbewijs wordt een bewijsvoering aangeduid waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de modus operandi, de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomt.

Modus operandi

In de periode van 14 augustus 2017 tot en met 20 april 2018 zijn in het Vondelpark diverse mishandelingen gepleegd waarbij de dader de slachtoffers zonder enige aanleiding poep in het gezicht heeft gesmeerd. De slachtoffers waren allemaal vrouwen. De dader heeft de slachtoffers steeds van achter benaderd en heeft zonder iets te zeggen de poep in hun gezicht gesmeerd. Daarna is hij weggerend. Geen van de slachtoffers heeft van de dader het gezicht gezien, hetzij omdat zij hem alleen van achteren hebben gezien, hetzij omdat hij zijn gezicht bedekt had met een sjaal of capuchon.

De rechtbank is van oordeel dat deze modus operandi zo uitzonderlijk en specifiek is en met telkens het Vondelpark als plaats delict, dat er van mag worden uitgegaan dat deze feiten gepleegd zijn door één dader. Hierbij is in aanmerking genomen, dat er geen aanwijzingen zijn voor het tegendeel.

Van de dader is een summier signalement opgegeven, te weten een man van tussen de 1.70 en 1.80 lang, normaal tot slank/smal postuur en getinte huidskleur. Uit het dossier is komen vast te staan dat verdachte een lengte heeft van 1.78 en op de in het dossier gevoegde foto’s van verdachte is te zien dat verdachte een lichtgekleurde huid heeft en een slank postuur (doorgenummerde pagina’s 238-240).

De vraag die de rechtbank thans dient te beantwoorden is of verdachte de dader is. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Vooropgesteld wordt dat verdachte, die in Almere woont, heeft erkend dat hij zich in de jaren dat de incidenten plaatsvonden regelmatig in de nachtelijke uren, waaronder de vroege ochtenduren, in het Vondelpark bevond en dat hij het park en de omgeving goed kent.

Op 14 augustus 2017, 8 september 2017 respectievelijk 18 september 2017 worden [naam slachtoffer 3] , [naam slachtoffer 4] en [naam slachtoffer 5] in het Vondelpark vanuit het niets van achteren aangevallen door een man die hen poep in het gezicht smeert, waarna hij hard wegrent.

Op 20 oktober 2017 fietst [naam 14-jarig meisje] omstreeks 8.05 uur met haar vriendin langs de rozentuin in het Vondelpark in Amsterdam. Als zij voorbij de rozentuin op de brug van haar fiets stapt om het bruggetje af te lopen voelt zij een duw in haar knieholte. Vrijwel direct ziet zij dat er iets in de richting van de rechterkant van haar hoofd gaat en voelt zij een soort klap in haar gezicht. Zij ruikt direct de geur van poep. Aangeefster draait zich om en ziet de man die zij eerder had gezien bij de rozentuin. Zijn gezicht kan ze niet zien. Zij verklaart dat de man een driekwart broek tot iets over de knie aan had met daaronder een legging. De vriendin van aangeefster, getuige [naam vriendin] , verklaart dat de man een afgezakte kapotte broek aan had met grote gaten.

Naar aanleiding van de mishandelingen waarbij de dader poep in het gezicht van de slachtoffers smeert, zijn op 21 oktober 2017 twee agenten in het Vondelpark. Omstreeks 7.35 uur zien zij nabij het Rosarium een man die zich kort in de bosjes bevindt en daarna plaatsneemt op een houten bankje. Zij houden deze man staande en dit blijkt verdachte te zijn. Hij heeft onder meer een zwart/grijze joggingbroek met laaghangend kruis aan, loszittend op de bovenbenen tot aan de knie en strak vanaf de knie tot de schoenen. Eén van de verbalisanten denkt aanvankelijk dat de man een korte broek aan had. De broek blijkt een zogenaamde harembroek te zijn. Opvallend is dat het signalement van verdachte goed overeenkomt met dat van de dader van de mishandeling van de dag ervoor, 20 oktober 2017. Hierbij heeft het slachtoffer aangegeven dat de dader een korte broek aan had met daaronder een legging. Verbalisanten vinden dat de broek van verdachte goed past bij de omschrijving van de broek door het slachtoffer.

Als op 8 mei 2018 de woning en auto van verdachte worden doorzocht, wordt in de kofferbak van de auto een tas aangetroffen. In deze tas zit onder meer een harembroek, waarbij in het kruis enkele gaten zitten.

In de politiesystemen zien verbalisanten een aantal opvallende registraties op naam van verdachte. In januari 2017 heeft verdachte drie keer poep voor de voordeur van bewoners van de [adres 1] te [plaats] neergelegd. Ook heeft hij daar poep door de brievenbus naar binnen geduwd en de deurknop met poep besmeurd. Verdachte heeft deze feiten indertijd erkend.

Op grond van de gepleegde delicten, die zeer opvallende en ongewone overeenkomsten vertonen, in samenhang bezien met de incidenten in Almere, is verdachte in oktober 2017 aangemerkt als mogelijke dader. Ook verschijnt er een persbericht over de belagingen met poep in diverse media. Verdachte wordt stelselmatig geobserveerd in combinatie met de inzet van een technisch hulpmiddel aan zijn auto. Omdat er geen nieuwe aanwijzingen richting verdachte worden gevonden en zich ook geen nieuwe belagingen met poep voordoen, is het onderzoek stilgelegd. Tot 20 april 2018.

Op 20 april 2018 gaat aangeefster [naam slachtoffer 1] om 5.30 uur naar het Vondelpark om hard te lopen. Hier wordt zij van achteren aangevallen waarbij poep in haar gezicht wordt gesmeerd. Zij ziet een persoon wegrennen. Aan de manier van lopen ziet zij dat het een man is. Hij heeft een donkergroene jas met capuchon aan, type parka. Omdat hij een grote capuchon op heeft, kan zij zijn gezicht niet zien.

Gebleken is dat verdachte in een voertuig rijdt met kenteken [kenteken] . Uit onderzoek naar de reisbewegingen van dit voertuig is komen vast te staan dat verdachte op 20 april 2018 om 4:44 uur over de Parnassusweg rijdt richting het Centrum/Vondelpark. Ongeveer drie kwartier later vindt het incident plaats in het Vondelpark waarbij [naam slachtoffer 1] in het gezicht besmeurd wordt met poep.

Zowel [naam slachtoffer 5] als [naam slachtoffer 1] geven aan dat de poep nog vers was.

Opnieuw wordt verdachte stelselmatig geobserveerd. Op 28 en 30 april 2018 zien verbalisanten dat verdachte vroeg in de morgen tussen twee auto’s poept. Op 28 april 2018 wordt ook gezien dat verdachte zijn poep opraapt met wit papiertje en dit op de bijrijdersstoel van zijn auto legt, waarna hij wegrijdt, parkeert aan de Europaboulevard en van parkeervak naar parkeervak rijdt.

Uit de omstandigheden dat verdachte drie kwartier vóór het incident op 20 april 2018 op de Parnassusweg rijdt richting het Vondelpark, gezien wordt dat verdachte op 28 april 2018 tussen auto’s poept en de poep meeneemt in een papiertje, dat verdachte op 21 oktober 2017 wordt gezien dicht bij de plaats waar zich één dag eerder een poepincident heeft voorgedaan waarbij hij tevens is gekleed in een bijzonder soort broek die past binnen de beschrijving van de kleding door het slachtoffer en de getuige van het incident op 20 oktober 2017 en een dergelijke broek in de auto van verdachte wordt aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het verdachte is geweest die de mishandelingen, zoals omschreven in de feiten 1 tot en met 5, heeft gepleegd. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat verdachte zich vaak in het Vondelpark ophield en dat hij in het verleden ook een aantal opmerkelijke poepincidenten heeft gepleegd.

Daarbij overweegt de rechtbank dat er geen omstandigheden zijn die verdachte uitsluiten als verdachte. Verdachte past in het, zij het summiere, signalement dat van de dader bekend is. Ook wordt de rechtbank bevestigd in de vaststelling dat het om één dader gaat en dat dit verdachte moet zijn, omdat zich na de aanhouding en schorsing van verdachte met enkelband, geen soortgelijke incidenten meer hebben voorgedaan.

3.3.3

Voorbedachte raad

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van voorbedachte raad. Voorbedachte raad wijst op een moment van kalm overleg, van rustig nadenken voorafgaand aan de uitvoering. Vast staat dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door hem genomen besluit en dat verdachte tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en gevolgen van de voorgenomen daad na te denken.

De rechtbank komt tot deze vaststelling nu verdachte voorafgaand aan zijn handelen naar het Vondelpark is gegaan, poep heeft meegebracht of opgepakt om dit in het gezicht van de vrouwen te smeren en een vrouw heeft uitgezocht om te belagen. Nu hij dit meer dan eens op dezelfde wijze heeft gedaan, duidt dit op een telkens weloverwogen en voorbereid handelen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1

op 14 augustus 2017 te Amsterdam, met voorbedachten rade, [naam slachtoffer 3] heeft mishandeld door voornoemde [naam slachtoffer 3] met kracht bij haar arm vast te pakken en poep in het gezicht van voornoemde [naam slachtoffer 3] te smeren, ten gevolge waarvan hij, verdachte, een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer 3] teweeg heeft gebracht en waardoor voornoemde [naam slachtoffer 3] letsel heeft bekomen;

Ten aanzien van feit 2

op 8 september 2017 te Amsterdam, met voorbedachten rade, [naam slachtoffer 4] heeft mishandeld door poep in het gezicht van voornoemde [naam slachtoffer 4] te smeren, ten gevolge waarvan hij, verdachte, een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer 4] teweeg heeft gebracht;

Ten aanzien van feit 3

op 18 september 2017 te Amsterdam, met voorbedachten rade, [naam slachtoffer 5] heeft mishandeld door poep in het gezicht van voornoemde [naam slachtoffer 5] te smeren, ten gevolge waarvan hij, verdachte, een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer 5] teweeg heeft gebracht;

Ten aanzien van feit 4

op 20 oktober 2017 te Amsterdam, met voorbedachten rade, [naam 14-jarig meisje] heeft mishandeld door voornoemde [naam 14-jarig meisje] van achter in haar knieholte te trappen en poep in het gezicht van voornoemde [naam 14-jarig meisje] te smeren, ten gevolge waarvan hij, verdachte, een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van voornoemde [naam 14-jarig meisje] teweeg heeft gebracht;

Ten aanzien van feit 5

op 20 april 2018 te Amsterdam, met voorbedachten rade, [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door poep in het gezicht van voornoemde [naam slachtoffer 1] te smeren, ten gevolge waarvan hij, verdachte, een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer 1] teweeg heeft gebracht.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten 1 tot en met 6 zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Ook vordert zij de oplegging van een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals zijn opgenomen in het reclasseringsrapport van 19 november 2018. Het locatieverbod met politietoezicht kan worden opgelegd voor de duur van 1 jaar, omdat verdachte al langere tijd met een enkelband heeft gelopen.

Ten slotte heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat, mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring, rekening moet worden gehouden met het blanco strafblad van verdachte en dat hij mee wil werken aan behandeling. Gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verdachte negen maanden een enkelband moeten dragen, hetgeen al een straf is. Daarbij heeft hij tijdens de schorsing getracht hulp te krijgen via zijn huisarts en bij De Waag. Verdachte staat positief tegenover het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de voorwaarden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in de periode van 14 augustus 2017 tot en met 20 april 2018 vijf vrouwen mishandeld door hen poep in het gezicht te smeren. Zij voelden zich vies en vernederd. Er zijn bij de slachtoffers hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen teweeg gebracht, hetgeen gekwalificeerd kan worden als mishandeling. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van de aangeefsters op indringende wijze aangetast en heeft voor grote maatschappelijke onrust gezorgd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft ook gelet op het pro Justitia rapport van 14 november 2018, opgemaakt door drs. M.R. Weeda, psychiater, drs. B. van Giessen, klinisch psycholoog en D.A. de Ruiter, forensisch milieuonderzoeker. Dit houdt onder meer in dat bij verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken. Een verband tussen de vastgestelde psychopathologie en de feiten, indien bewezen, is aannemelijk, maar door de weigering van verdachte over de feiten te praten kan door de deskundigen over de precieze aard en grootte van dat verband geen uitspraak worden gedaan. Ook de vraag in welke mate de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend, kan om die reden door de deskundigen niet worden beantwoord. Evenmin kan een prognose met betrekking tot de kans op herhaling van soortgelijke feiten worden gegeven.

De deskundigen vinden dat een behandeling van de persoonlijkheidsstoornis nodig is. Zij adviseren om een (ambulante) behandeling te laten plaatsvinden in het strafrechtelijk kader, als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Dit is gebaseerd op het voldoende aannemelijk geachte verband tussen de ten laste gelegde feiten en de vastgestelde psychopathologie.

De rechtbank neemt deze conclusie en dit advies over en maakt deze tot de hare. Zij ziet onvoldoende reden om op eigen gezag aan te nemen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is en gaat uit van een volledige toerekenbaarheid.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de op te leggen straf preventief moet werken, zodat verdachte dit soort feiten niet meer pleegt. Alles afwegende acht de rechtbank een combinatie van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Daarbij meent zij te kunnen volstaan met een lichtere straf dan geëist, gezien het blanco strafblad van verdachte en de vrijspraak voor feit 6.

De rechtbank acht het van belang dat aan verdachte de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals deze door de reclassering zijn verwoord. Op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter bij zijn uitspraak de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden kan bevelen indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Nu aannemelijk is dat er een verband bestaat tussen de psychopathologie en de bewezen geachte feiten, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw overgaat tot soortgelijke feiten zolang hij niet adequaat is behandeld. Om die reden zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden duidelijk uitvoerbaar zijn.

7.4

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.4.1

het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht [naam 1] niet-ontvankelijk in haar vordering, omdat haar zaak niet aan verdachte is tenlastegelegd.

De vorderingen van [naam slachtoffer 5] en [naam 14-jarig meisje] zijn voor toewijzing vatbaar met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.4.2

het standpunt van de verdediging

Met de officier van justitie is de raadsvrouw van mening dat de vordering van [naam 1] niet ontvankelijk is, omdat verdachte niet voor haar zaak is gedagvaard. De vorderingen van [naam slachtoffer 5] en [naam 14-jarig meisje] zijn redelijk en de raadsvrouw refereert zich bij de beslissing hierop aan het oordeel van de rechtbank.

7.4.3

het oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [naam 1] :

De rechtbank zal de vordering van [naam 1] niet ontvankelijk verklaren, nu verdachte niet is gedagvaard in de zaak van [naam 1] .

Benadeelde partij [naam slachtoffer 5] :

De benadeelde partij [naam slachtoffer 5] vordert € 29,94 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Benadeelde partij [naam 14-jarig meisje] :

De benadeelde partij [naam 14-jarig meisje] vordert € 49,99 aan materiële schadevergoeding en € 400,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

7.5

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam slachtoffer 5], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 29,95 (negenentwintig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam 14-jarig meisje], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 449,99 (vierhonderdnegenenveertig euro en negenennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22c, 22d, 36f, 57, 301 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feiten 1, 2, 3, 4 en 5

Mishandeling, gepleegd met voorbedachte raad, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee (2) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

Veroordeelde meldt zich bij Tactus Reclassering Flevoland op het adres [adres 2] . Verdachte blijft zich melden op afspreken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

Behandelverplichting

Veroordeelde moet zich onder behandeling stellen van een de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Locatieverbod

Veroordeelde mag zich gedurende de eerste 12 maanden van de proeftijd van 24 maanden niet bevinden in of nabij openbare parken in Amsterdam, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod.

Veroordeelt verdachte ook tot een taakstraf. Verdachte moet 150 uren onbetaalde arbeid verrichten. Voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, krijgt hij in plaats van de taakstraf 75 dagen hechtenis.

De tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, zal bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.

Geeft aan Tactus Reclassering Flevoland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Wijst de vordering van [naam slachtoffer 5], wonende op het adres [adres 3] , toe tot € 29,95 (negenentwintig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam slachtoffer 5] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam slachtoffer 5] aan de Staat € 29,95 (negenentwintig euro en vijfennegentig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 september 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal wordt een hechtenis van 1 dag opgelegd. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [naam 14-jarig meisje], wonende op het adres [adres 4] , toe tot € 449,99 (vierhonderdnegenenveertig euro en negenennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 oktober 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 14-jarig meisje] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 14-jarig meisje] aan de Staat € 449,99 (vierhonderdnegenenveertig euro en negenennegentig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 oktober 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bij gebreke van betaling en verhaal wordt een hechtenis van 8 dagen opgelegd. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [naam 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis, dat bij bevel van 11 mei 2018 was geschorst.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Dekkers, voorzitter,

mrs. M.E. Leijten en E. Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 februari 2019.

De jongste rechter is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.