Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1282

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-02-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
C/13/659173 / KG ZA 18-1367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

overeenkomst van opdracht; uitleg van de contractuele opzeggingsbevoegdheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/659173 / KG ZA 18-1367 FB/EB

Vonnis in kort geding van 18 februari 2019

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers bij dagvaarding van 24 januari 2019,

advocaat mr. G.G. Kempenaars te Almere,

tegen

de stichting

STICHTING REGIONAAL OPLEIDINGSCENTRUM VAN AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. S.E.H. van Thoor te Haarlem.

Partijen zullen hierna gezamenlijk ook wel de docenten worden genoemd en afzonderlijk [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [eiser sub 3] . Gedaagde zal worden aangeduid als het ROC.

1 De procedure

Ter zitting van 4 februari 2019 hebben de docenten gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Het ROC heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en hun standpunten toegelicht, het ROC aan de hand van een pleitnota. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren de docenten aanwezig met mr. Kempenaars. Aan de zijde van het ROC waren aanwezig [naam 1] ( [functie naam 1] ), [naam 2] ( [functie naam 2] ) en mr. Van Thoor.

2 De feiten

2.1.

Eisers hebben allen jarenlang als docent voor het ROC gewerkt in het kader van de door het ROC georganiseerde opleiding Media & Redactie. Zij deden dat naast werkzaamheden voor andere opdrachtgevers. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] werkten 16 uur per week voor het ROC en [eiser sub 3] 8 uur per week. Eisers verrichtten hun werkzaamheden als ZZP-ers, laatstelijk op basis van met het ROC gesloten overeenkomsten van opdracht voor bepaalde tijd tot 31 juli 2019. De meest recente overeenkomst met [eiser sub 1] dateert van 24 mei 2018, die met [eiser sub 3] van 6 juni 2018 en die met [eiser sub 2] van 7 juni 2018. Alle overeenkomsten bevatten de volgende bepaling (artikel 5.1):

“De opdracht eindigt op 31-07-2019 of zo mogelijk eerder indien de werkzaamheden eerder zijn afgerond of de vervanging niet meer van toepassing is. Hiervoor geldt een aanzeggingstermijn van 2 weken.”

2.2.

In een e-mail van 11 juni 2018 heeft de opleidingsmanager van het ROC de docenten geïnformeerd dat het ROC wil stoppen met het inzetten van ZZP-ers voor structurele taken om onder meer de volgende redenen:

“(…) 2. Het is een verkapte vorm van een vast dienstverband en in die zin onwettig.

3. Deze contractvorm belemmert binding en RVO-vorming

4. Deze contractvorm laat toe dat docenten zonder pedagogisch-didactische bevoegdheden voor de klas staan.

5. De ‘flexibele schil’ wordt niet gerealiseerd (doordat zzp-ers structureel ingezet worden)

6. Het is een relatief dure contractvorm (…)

7. Er is geen hierarchische verhouding, wat soms lastig is in de uitvoering”

In deze e-mail staat dat het ROC de taken die nu door eisers worden verricht, zal herformuleren tot een aantal vacatures. Eisers zijn uitgenodigd om daarop te zijner tijd te solliciteren.

2.3.

Partijen hebben vervolgens herhaaldelijk met elkaar gesproken over de wens van het ROC om tot beëindiging van de overeenkomsten met eisers te komen. Die gesprekken hebben het ROC niet op andere gedachten gebracht.

2.4.

Bij gelijkluidende brieven aan eisers van 11 september 2018 heeft het ROC de opdrachten per 1 november 2018 beëindigd op grond van artikel 5.1 van de overeenkomsten. Tot 1 november 2018 hebben eisers de overeengekomen vergoedingen ontvangen. Per 1 november 2018 heeft het ROC een docent in dienst genomen om het onderwijs in de leergang Media & Redactie te verzorgen.

3 Het geschil

3.1.

De docenten vorderen, kort gezegd:

primair

het ROC te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst door hen in de gelegenheid te stellen tot 31 juli 2019 de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren, en

subsidiair

vast te stellen dat het ROC wanprestatie pleegt en haar te veroordelen tot vergoeding van schade, welke de docenten begroten op bedragen gelijk aan hun gederfde inkomsten;

alles met veroordeling van het ROC in de proceskosten.

3.2.

Het ROC voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering strekt primair tot nakoming van de met de docenten gesloten overeenkomsten van opdracht. Een vordering tot nakoming kan in kort geding alleen worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het standpunt van eisers zal volgen, bijvoorbeeld als gedaagde een kennelijk ongegrond verweer voert, of als van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitslag van de bodemprocedure afwacht.

4.2.

De docenten hebben, anders dan het ROC meent, een voldoende spoedeisend belang bij hun vordering. Zij zijn voor (een deel van) hun inkomsten afhankelijk van de hen door het ROC verleende opdrachten. Daarbij komt dat voor de docenten lang onduidelijk is geweest of zij hun werkzaamheden ondanks de opzegging zouden kunnen voortzetten. Het ROC heeft die onduidelijkheid in de hand gewerkt en laten voortbestaan door met de docenten te blijven overleggen en door hen – onbetwist – ook ná 1 november 2019 nog werkzaamheden te laten verrichten. Eisers hebben met het instellen van de vordering niet zodanig gedraald dat daardoor hun spoedeisend belang is komen te vervallen.

4.3.

Uitgangspunt is dat de opdrachtgever een overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen (artikel 7:408 lid 1 Burgerlijk Wetboek), ook indien het gaat om een overeenkomst voor bepaalde tijd. De opzeggingsbevoegdheid van de opdrachtgever is van regelend recht, zodat partijen anders kunnen overeenkomen. Artikel 7:413 lid 2 BW is in dit geval immers niet van toepassing omdat het ROC geen natuurlijke persoon is en bovendien omdat zij de opdracht heeft gegeven in de uitoefening van haar bedrijf.

Een redelijke uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst brengt mee dat partijen in de gelijkluidende artikelen 5.1 contractueel inderdaad zijn afgeweken van het in artikel 7:408 lid 1 BW geformuleerde uitgangspunt. Daarin staat, onder het kopje “opzegging overeenkomst” dat de opdracht op 31 juli 2019 of zo mogelijk eerder eindigt indien de werkzaamheden eerder zijn afgerond of de vervanging niet meer van toepassing is. Volgens het ROC is deze opsomming niet limitatief, althans in ieder geval niet zo bedoeld, en kunnen de overeenkomsten ook op andere gronden worden opgezegd. De docenten bestrijden dat.

4.4.

Het ROC heeft de tekst van de overeenkomsten aangeleverd. Indien redelijkerwijs meer interpretaties van een beding uit de overeenkomsten verdedigbaar zijn, brengt het contra proferentem-beginsel mee dat zulke onduidelijkheden in haar nadeel te worden uitgelegd.

In de overeenkomsten zijn geen andere opzeggingsgronden genoemd dan die welke in artikel 5.1 zijn genoemd. Mede gelet op de aard van de overeenkomst en de hoedanigheid van het ROC als professionele partij die het onderwijs organiseert, moet redelijkerwijs worden aangenomen dat deze opzeggingsgronden limitatief zijn bedoeld.

4.5.

De in de overeenkomsten expliciet genoemde opzeggingsgronden worden door partijen verschillend uitgelegd.

Volgens het ROC staat het haar vrij als beleid na te streven te komen tot een kleinere flexibele schil. Dit beleid brengt mee dat zij met ingang van november 2018 de onderwijstaken die eisers tot dan toe voor hun rekening namen, in beginsel wil laten vervullen door een docent in loondienst, zodat met ingang van die datum de werkzaamheden van eisers zijn afgerond in de zin van artikel 5.1 van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

Eisers zien dat anders. Zij voeren aan dat het onderwijs ook na november 2018 gegeven moet worden, zodat de werkzaamheden niet zijn afgerond. Ook van vervanging in de zin van artikel 5.1 is geen sprake omdat zij het desbetreffende vak zelf hebben opgezet, zodat zij nooit iemand hebben vervangen.

4.6.

Uitgangspunt is dat een onderwijsinstelling autonoom is bij de inrichting van haar onderwijs en organisatie, om de kwaliteit van het geboden onderwijs te bewaken. Het staat het ROC daarom in beginsel vrij om structurele werkzaamheden niet langer door ZZP-ers te laten verrichten. Het ROC heeft dat recht niet prijsgegeven door de docenten in eerdere jaren wel een opdracht voor het hele schooljaar te geven. Artikel 5.1 van de tussen partijen gesloten overeenkomst moet in dit licht, wat er zij van de gebruikte bewoordingen, redelijkerwijs aldus worden uitgelegd dat het ROC de opdracht mag beëindigen met inachtneming van een redelijke termijn en op redelijke gronden. Van dit laatste is hier sprake omdat zij de werkzaamheden waarvoor de opdracht is verleend, wil laten uitvoeren door docenten die zij in dienst heeft.

4.7.

Het tegenargument van de docenten dat de werkzaamheden niet zijn afgerond omdat zij door anderen worden uitgevoerd mag taalkundig juist zijn, maar dat is bij de hier toe te passen Haviltexmaatstaf niet van beslissende betekenis omdat daarin gaat om het wederzijds gerechtvaardigde vertrouwen in de uitleg van de gebruikte bewoordingen. Hetzelfde geldt voor hun taalkundige argument dat, strikt genomen, nooit van een ‘vervanging’ sprake is geweest. Het contra proferentem-beginsel maakt dit niet anders omdat de door de docenten aan artikel 5.1 gegeven interpretatie – in wezen berustend op taalkundige spitsvondigheden – in de gegeven omstandigheden nauwelijks verdedigbaar is. Bovendien is dit beginsel niet zo zwaarwegend dat het altijd de doorslag geeft zodra partijen op redelijke gronden van mening verschillen over de uitleg van een tussen hen gesloten overeenkomst of beding; het is één van de in aanmerking te nemen gezichtspunten bij de uitleg daarvan.

4.8.

Wat betreft de lengte van de opzegtermijn is van belang dat de overeenkomsten zijn opgezegd met inachtneming van een termijn van bijna twee maanden, en dus van een aanzienlijk langere termijn dan de contractuele termijn van twee weken.

4.9.

Het ROC betwist dat er nu nog werkzaamheden voor eisers beschikbaar zijn. Voorshands is niet aannemelijk geworden dat dit anders is.

Op grond van het vorenstaande is voorshands niet aannemelijk dat de overeenkomsten nog van kracht zijn, zodat het ROC niet kan worden veroordeeld tot nakoming daarvan tot 31 juli 2019. De primaire vordering zal dus worden afgewezen.

4.10.

Het voorgaande neemt niet weg dat het ROC bij de opzegging onzorgvuldig te werk is gegaan. De overeenkomsten met eisers zijn eind mei/begin juni 2018 gesloten. Vrijwel direct daarna is de tussentijdse beëindiging daarvan aangekondigd; in het geval van [eiser sub 1] binnen minder dan drie weken en in het geval van [eiser sub 3] en [eiser sub 2] zelfs binnen één week. Vervolgens heeft het ROC wisselende signalen afgegeven over de beëindiging en de mogelijk in dat verband tussen partijen nog te maken nadere afspraken. Bovendien staat vast dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] nog werkzaamheden voor het ROC hebben verricht ná 1 november 2018, de datum waartegen het ROC had opgezegd, zelfs kennelijk met instemming van het ROC. Deze wisselvallige opstelling strookt niet met de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsbetrekking tussen partijen beheersen. Door het gebrek aan duidelijkheid van de zijde van het ROC mochten de docenten redelijkerwijs nog enige tijd na 1 november 2018 erop vertrouwen dat hun werkzaamheden voor het ROC zouden voortgezet. Zij hebben door het gebrek aan duidelijkheid ook na

1 november 2018 nog tijd en energie in het overleg met het ROC en in de opleiding zelf gestoken, mede op grond van hun aan het ROC bekende betrokkenheid bij die opleiding, die zij zelf hebben opgezet, en de verantwoordelijkheid die zij voelen voor de studenten.

4.11.

In dit licht is voorshands aannemelijk dat in een bodemprocedure een schadevergoeding aan de docenten zal worden toegekend. In de gegeven omstandigheden komt een voorschot van twee maandvergoedingen per eiser passend voor. In die zin zal de subsidiaire vordering worden toegewezen; daarbij is onvoldoende grond aanwezig om tussen de verschillende docenten te onderscheiden. Omdat partijen bij de uitvoering van de overeenkomsten van opdracht steeds zijn uitgaan van een gemiddeld aantal uren per week, zal bij de berekening worden uitgegaan van in totaal negen weken, welke periode is gelijk te stellen is aan twee maanden. Concreet betekent dat voor [eiser sub 1] en [eiser sub 2] elk een voorschot van

€ 7.200,00 (negen weken x 16 uur per week x uurtarief € 50,00) en voor [eiser sub 3] van € 3.600,00 (negen weken x 8 uur per week x uurtarief € 50,00).

4.12.

Nu partijen over en weer op enig punt in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt het ROC tot betaling van:

  • -

    € 7.200,00 (zegge: zevenduizendtweehonderd euro) aan [eiser sub 1] ;

  • -

    € 7.200,00 (zegge: zevenduizendtweehonderd euro) aan [eiser sub 2] ;

  • -

    € 3.600,00 (zegge: drieduizendzeshonderd euro) aan [eiser sub 3] ,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.B. Bakels, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2019.1

1 type: eB coll: LO