Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:125

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
29-01-2019
Zaaknummer
C/13/658796 / KG ZA 18-1345
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil. Geen dwangsommen verbeurd, aan vonnis is naar het oordeel voorzieningen voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/658796 / KG ZA 18-1345 MDvH/MB

Vonnis in kort geding van 9 januari 2019 (bij vervroeging)

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDTRAIN B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres bij dagvaarding van 20 december 2018,

advocaat mr. M.E. van Schaick te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.J. van Buren te Amsterdam.

Partijen zullen hierna NedTrain en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 2 januari 2019 heeft NedTrain gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft aan de hand van een op voorhand ingezonden conclusie van antwoord verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en NedTrain heeft haar standpunt doen toelichten aan de hand van een pleitnota.

Aan het begin van de zitting is een korte schorsing ingelast, opdat de raadsman van NedTrain de conclusie van antwoord kon lezen, die hem niet tijdig had bereikt.
Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig, voor zover hier van belang:

aan de zijde van NedTrain: [naam en functie vertegenwoordiger] , met

mr. Van Schaik;

aan de zijde van [gedaagde] : [gedaagde] met mr. Van Buren.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is vanaf 28 augustus 1989 in dienst van (de rechtsvoorganger van) NedTrain.

2.2.

Sinds 8 maart 2013 is de functie van [gedaagde] die van Werkvoorbereider, op de locatie [locatie] ; de omvang van de werkzaamheden is 36,15 uur bij

een uurloon van € 20,16 bruto, exclusief vakantietoeslag en andere emolumenten, waaronder toeslagen voor onregelmatig werk.

2.3.

Als werkvoorbereider is [gedaagde] verantwoordelijk voor het inplannen van het logistieke proces en van het (geplande en ongeplande) onderhoud. De werkvoorbereider moet ervoor zorgen dat de monteurs hun werkzaamheden zo goed, veilig en efficiënt mogelijk kunnen doen. De werkzaamheden bestaan uit het verwerken en analyseren van verstoringen, het bepalen van de nodige acties en het inplannen daarvan.

2.4.

De werkvoorbereider heeft een eigen "tafel", met daarop acht beeldschermen en een tafel is 24 uur per dag en zeven dagen per week bemand. Er wordt gewerkt met drie ploegen per 24 uur, vroeg, laat of nacht. Er wordt een rooster gemaakt voor steeds zeven weken, met daarin zeven roosterregels. In de zeven roosterregels is een werkvoorbereider steeds vijf weken ingeroosterd, en twee weken "reserve". Dat laatste betekent dat men wel op het werk aanwezig is, maar alleen werkzaamheden verricht ter vervanging van een (zieke of om andere reden afwezige) collega.

2.5.

Na een periode van arbeidsongeschiktheid – onder meer ten gevolge van een hersenstaminfarct – heeft [gedaagde] met ingang van februari 2016 haar eigen werk hervat, aanvankelijk voor 2 x 2 uur per week, aan een minder intensieve tafel.

2.6.

Per februari 2017 is [gedaagde] 2 x 8 uur per week gaan werken, derhalve 16 uur per week (uiteindelijk) aan haar ‘eigen’ tafel.

2.7.

Bij beschikking van 17 augustus 2017 heeft het UWV een WGA (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten)-uitkering toegekend aan [gedaagde] .

Partijen waren het noch met het UWV, noch met elkaar eens over de belastbaarheid van [gedaagde] en hebben beiden bezwaar aangetekend tegen deze beschikking. Het UWV heeft de bezwaren bij beslissing van 20 april 2018 ongegrond verklaard. [gedaagde] heeft daartegen beroep aangetekend. Deze procedure loopt nog.

2.8.

In juni 2018 heeft NedTrain aan [gedaagde] meegedeeld dat zij vanaf 16 juli 2018 nog slechts als reserve wordt ingeroosterd. [gedaagde] heeft tegen dit besluit van NedTrain geprotesteerd, maar het besluit is niet teruggedraaid.

2.9.

Bij dagvaarding van 27 augustus 2018 heeft [gedaagde] bij wijze van voorlopige voorziening bij de kantonrechter veroordeling gevorderd van NedTrain om [gedaagde] toe te laten en in staat te stellen haar werkzaamheden als werkvoorbereider zonder enige beperking uit te voeren, op straffe van dwangsommen.

2.10.

Bij vonnis van 15 oktober 2018 (hierna: het Vonnis) heeft de kantonrechter de vordering van [gedaagde] toegewezen. De beslissing luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

I. veroordeelt NedTrain om [gedaagde] toe te laten en in staat te stellen haar werkzaamheden als werkvoorbereider zonder enige beperking uit te voeren, met alle bijbehorende taken en bevoegdheden en op de gebruikelijke werkplek, en haar in te roosteren op dezelfde wijze als de wijze waarop andere werkvoorbereiders van NedTrain worden ingeroosterd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat NedTrain niet aan deze veroordeling voldoet,

met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 50.000,-;

(…)

III. veroordeelt NedTrain in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 50,­ aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,- en de explootkosten van betekening van de beschikking, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat NedTrain niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan deze beschikking heeft voldaan en betekening van de beschikking pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

Het Vonnis bevat onder meer de volgende overwegingen:

9. Voorshands wordt geoordeeld dat [gedaagde] wel degelijk nadeel ondervindt van de maatregel die NedTrain jegens haar heeft genomen, inhoudende dat [gedaagde] , in afwijking van de tussen partijen geldende afspraken, enkel nog als vaste reserve wordt ingeroosterd. Om te beginnen is vast komen te staan dat [gedaagde] , als zij is ingeroosterd als reserve, niet in staat wordt gesteld werkzaamheden te verrichten, althans in elk geval niet in staat wordt gesteld de gebruikelijke werkzaamheden als werkvoorbereider te verrichten. Die taken worden immers verricht door de wé1 ingeroosterde col1ega’s van [gedaagde] . In zoverre staat dan ook vast dat zij van de maatregel nadeel ondervindt. (…)

In het nieuwe rooster heeft [gedaagde] een periode van 9 weken genomen, ingaande 16 juli 20l8, waarbij [gedaagde] is ingeroosterd als vaste reserve. Gedurende deze periode van 9 weken heeft zij in vier weken niet gewerkt (…) Al met al heeft [gedaagde] dus in deze periode van 9 weken in 5 weken (en wel 16 uur) gewerkt. Dat is beduidend minder dan in het oude schema.

(…)

14. NedTrain heeft er (…) op gewezen dat de CAO (…) een compensatieregeling kent wanneer een werknemer door bepaalde omstandigheden het (eigen) werk niet kan uitoefenen. Daaronder valt ook de omstandigheid dat een medewerker, zoals [gedaagde] , het werk op advies van de bedrijfsarts gedeeltelijk verricht. Het is echter geen onvoorwaardelijk recht. Het wordt toegekend voor drie maanden, met de mogelijkheid tot verlenging na beslissing van de bedrijfsarts. Niet duidelijk is welke beslissing de bedrijfsarts desgevraagd op dit punt zal nemen. Daarom heeft [gedaagde] er wel degelijk een financieel belang bij dat zij de gelegenheid krijgt om onregelmatige diensten te draaien.”

2.11.

[gedaagde] heeft het Vonnis op 16 oktober 2018 laten betekenen aan NedTrain.

2.12.

Bij e-mail van 17 oktober 2018 heeft de raadsman van [gedaagde] aan de raadsman van NedTrain onder meer het volgende bericht:

Ingevolge de uitspraak van de kantonrechter dient NedTrain ervoor zorg te dragen dat de huidige inroostering waarbij cliënte uitsluitend als reserve wordt ingeroosterd, zo spoedig mogelijk wordt aangepast (…). Tot op heden is dat niet gedaan. Dit brengt met zich dat NedTrain inmiddels al tweemaal de door de kantonrechter vastgestelde dwangsom is verbeurd.”

2.13.

[gedaagde] heeft in week 42 (week van 15 oktober 2018) 16 uur gewerkt, namelijk (op verzoek van NedTrain en met instemming van [gedaagde] ) twee diensten overgenomen van haar collega [naam collega 2] . In week 43 en week 44 heeft zij ook telkens 16 uur gewerkt, op diensten die aanvankelijk aan haar collega [naam collega 2] waren toebedeeld.

2.14.

Bij brief van 23 oktober 2018 heeft de raadsman van NedTrain de kantonrechter verzocht om het Vonnis te verbeteren, in die zin dat aan NedTrain een termijn van 14 dagen wordt gegund om aan het vonnis te voldoen. Uit de veroordeling in de nakosten onder III in het Vonnis, waarvan een deel pas is verschuldigd indien niet binnen een termijn van 14 dagen vrijwillig aan de veroordeling is voldaan, had de raadsman afgeleid dat het de bedoeling was een dergelijke termijn op te nemen.

De brief bevat onder meer de volgende passage:

Er is voor mevrouw [gedaagde] geen prikkel om (…) de termijn van veertien dagen te honoreren, aangezien de dwangsommen vele malen hoger zijn dan de aanspraak op nakosten die zij door de vroege betekening verliest. Het voor NedTrain vervelende gevolg (…) is dat zij theoretisch bezien niet c.q. nauwelijks de kans meer heeft uit zichzelf uitvoering te geven aan het vonnis, zonder dat dwangsommen worden verbeurd. Omdat de termijn van veertien dagen wel is opgenomen onder III. van het dictum maar niet logischerwijs ook onder I. lijkt volgens NedTrain sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent.”

2.15.

Bij brief van 24 oktober 2018 heeft (de raadsman van) [gedaagde] verzocht het onder 2.14 genoemde verzoek van NedTrain af te wijzen.

2.16.

Bij brief van 29 oktober 2018 is het verzoek van NedTrain om verbetering van het Vonnis afgewezen, aangezien volgens de kantonrechter geen sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 lid 1 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.).

2.17.

Per 1 november 2018 is het basisrooster van de werkvoorbereiders van NedTrain (dat wordt aangemaakt met het programma RostarCAS) weer volledig aangepast, zoals dit was vóór 16 juli 2018, waarbij [gedaagde] ook steeds 16 uur per week werkt op (voorafgaand in het rooster vastgestelde) telkens wisselende uren.

2.18.

Bij e-mail van 7 december 2018 heeft (de raadsman van) [gedaagde] aan (de raadsman van) NedTrain meegedeeld dat NedTrain een bedrag van € 17.000,- aan dwangsommen heeft verbeurd, omdat [gedaagde] in de weken 43 tot en met 46 nog was ingeroosterd als reserve en dit pas op 1 november 2018 is aangepast. In deze e-mail staat ook dat, nu NedTrain deze dwangsommen niet heeft voldaan, [gedaagde] voornemens is het Vonnis ten uitvoer te laten leggen.

3 Het geschil

3.1.

NedTrain vordert – samengevat – [gedaagde] te gebieden de executie van het Vonnis te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.

3.2.

NedTrain heeft aan haar vorderingen kort gezegd ten grondslag gelegd primair dat zij geen dwangsommen heeft verbeurd, aangezien zij volledig aan het Vonnis heeft voldaan. Subsidiair, voor het geval geoordeeld zou worden dat niet volledig aan het Vonnis is voldaan, stelt NedTrain dat [gedaagde] misbruik van recht maakt door de dwangsommen te incasseren.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In een executiegeschil als dit, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd omdat aan een veroordeling niet of niet voldoende is voldaan, dient de rechter zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat NedTrain vanaf 1 november 2018 de veroordeling uit het Vonnis volledig is nagekomen. De vraag of dwangsommen zijn verbeurd heeft dus uitsluitend betrekking op de periode tussen 16 oktober 2018 en

1 november 2018.

4.3.

Vaststaat dat [gedaagde] gedurende de voornoemde periode feitelijk gedurende 16 uur per week haar gebruikelijke werkzaamheden op de gebruikelijke werkplek heeft verricht. NedTrain heeft daarmee in de optiek van [gedaagde] echter niet (volledig) aan het Vonnis voldaan, aangezien het volgens haar op toeval berustte dat zij in die weken op deze wijze heeft gewerkt. Dit vloeide namelijk al voort uit haar inroostering als reserve, vanwege de afwezigheid van twee van haar collega’s in deze periode. In het basisrooster, RostarCAS, dat [gedaagde] kon raadplegen, heeft zij gezien dat zij ook na het vonnis nog steeds als reserve was ingeroosterd. Pas na aandringen van haar kant heeft NedTrain dat per 1 november 2018 gewijzigd. Ook was door het handhaven van haar status als reserve aanvankelijk een rustdag vervallen, wat NedTrain pas nadat [gedaagde] daarop had gewezen heeft hersteld. In de visie van [gedaagde] wijst alles erop dat NedTrain niet de intentie had om het Vonnis na te leven, wat ook zou blijken uit het verzoek van NedTrain aan de rechtbank om nog een termijn van 14 dagen te geven om aan de veroordeling te voldoen.

Volgens [gedaagde] had het rooster in RostarCAS binnen een dag kunnen worden aangepast en heeft NedTrain door dat na te laten, over 17 dagen dwangsommen verbeurd, een bedrag van € 17.000,- dus.

4.4.

[gedaagde] zal in haar hiervoor kort weergegeven betoog niet worden gevolgd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Uit de overwegingen van de kantonrechter in het Vonnis blijkt dat zijn beslissing tot doel had om [gedaagde] weer te brengen in de situatie van vóór 16 juli 2018, namelijk dat zij weer 16 uur per week zou werken volgens de gebruikelijke roosters. De nadelen die zij ondervond door de indeling als ‘reserve’ – dat zij niet steeds gedurende 16 uur per week daadwerkelijk aan de slag zou zijn en dat zij onregelmatigheidstoeslagen zou kunnen mislopen – zouden daarmee van de baan moeten zijn.

4.6.

Nu NedTrain [gedaagde] vanaf 16 oktober 2018 feitelijk in de gelegenheid heeft gesteld om 16 uur per week te werken, heeft NedTrain aan het vonnis voldaan.
Dat tot 1 november 2018 het onderliggende rooster in het programma RostarCAS nog niet was aangepast en [gedaagde] wellicht ook op genoemde dagen werkzaam zou zijn geweest als zij nog als ‘reserve’ had gedraaid, maakt dat niet anders. [gedaagde] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daardoor is benadeeld en/of dat de feitelijke situatie anders zou zijn geweest als RostarCAS eerder zou zijn aangepast. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] in de periode van 16 oktober 2018 tot 1 november 2018 op enigerlei wijze is belemmerd om haar werk als werkvoorbereider uit te voeren, gedurende de voor haar vanwege haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid gebruikelijke 16 uur, zonder enige beperking, met alle bijbehorende taken en bevoegdheden en op haar normale werkplek.

4.7.

De omstandigheid dat NedTrain de rechtbank heeft verzocht het Vonnis aan te passen en haar alsnog een termijn van 14 dagen te gunnen, doet aan het voorgaande niet af. Het stond NedTrain vrij een dergelijk verzoek te doen, met het oog op het voorkomen van executieproblemen. Dat zij in het verzoek heeft meegedeeld dat het zonder een dergelijke termijn moeilijk zou zijn om aan het vonnis te voldoen, neemt niet weg dat het Vonnis toch tijdig is nageleefd en brengt niet mee dat dwangsommen zijn verschuldigd.

4.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat NedTrain over de periode van 16 oktober 2018 tot 1 november 2018 geen dwangsommen heeft verbeurd. [gedaagde] zal daarom worden geboden de executie van het Vonnis te staken en gestaakt te houden, voor zover het deze periode betreft. Voor een verdergaand gebod wordt geen aanleiding gezien. Ook wordt vooralsnog geen grond aanwezig geacht om aan dit gebod dwangsommen te verbinden. [gedaagde] heeft haar voornemen tot het treffen van executiemaatregelen tot heden nog niet ten uitvoer gelegd en er is voorshands geen reden om te veronderstellen dat [gedaagde] zich niet aan dit vonnis zal houden.

4.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

gebiedt [gedaagde] de tenuitvoerlegging van het vonnis van 15 oktober 2018, met zaaknummer 7159511 KK EXPL 18-768, voor zover het betreft het opeisen van dwangsommen over de periode van 16 oktober 2018 tot 1 november 2018, te staken en gestaakt te houden;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van NedTrain begroot op:

– € 82,57 € 82,57 aan explootkosten,

– € 82,57 € 639,- aan griffierecht en

– € 82,57 € 980,- aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2019.1

1 type: MB coll: BB