Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1246

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
13/752023-18
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

HvJ EU heeft op 25 september 2015 in de zaak C-463/15 PPU (ECLI:EU:C:2015:634) bepaald dat de Overleveringswet alleen de voorwaarde van (enkele) strafbaarheid naar Nederlands recht mag stellen, niet ook de voorwaarde van strafbedreiging < 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752023-18

RK nummer: 19/203

Datum uitspraak: 12 februari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 december 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 14 november 2018 door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen – afdeling Charleroi (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedatum] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Albanese taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Albanese nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel bij verstek uitgevaardigd, blijkens het Form A – Supplementary information relating to an extradition (verder: A-formulier), op 14 november 2018 door de Court of first instance in Charleroi.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van België strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De rechtbank merkt nog op dat zij ervan uitgaat dat niet is gebleken van inbeslaggenomen goederen, waarover zij een beslissing dient te nemen als bedoeld in onderdeel g) van het EAB.

4 Genoegzaamheid

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon uitsluitend is gebaseerd op het vinden van een paspoort op de plaats delict en dat dit te summier is.

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In het EAB is beschreven dat bij de huiszoeking in het gebouw waar de hennepplantage is aangetroffen in de enige kamer waarin werd geleefd het paspoort van de opgeëiste persoon werd aangetroffen. De rechtbank heeft bij haar beoordeling naast de beschrijving in het EAB, ook de gegevens op het zogenaamde A-formulier betrokken. Het A-formulier vermeldt dat de opgeëiste persoon als ‘perpetrator‘ betrokken zou zijn bij een hennepplantage in Châtelineau. Naar het oordeel van de rechtbank is met deze omschrijving voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Ook overigens is voldaan aan de vereisten die de OLW aan het EAB stelt, zodat de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel is dat de feiten genoegzaam zijn omschreven. De specialiteit is gewaarborgd.

Ten aanzien van hetgeen verder door de raadsman naar voren is gebracht, merkt de rechtbank op dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van verdenking niet hoeft te vermelden. Het is immers niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking, dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. Het verweer wordt daarom verworpen.

5 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman hiertoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon zijn paspoort is verloren, terwijl zijn betrokkenheid is gebaseerd op het vinden van zijn paspoort op de plaats delict.

De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat de ontkennende verklaring van de opgeëiste persoon onvoldoende is om zijn onschuld onverwijld ter zitting aan te tonen. Deze verklaring sluit niet aanstonds uit dat de opgeëiste persoon de feiten niet kan hebben gepleegd, temeer nu het paspoort is aangetroffen tijdens de doorzoeking op 13 november 2018 en de opgeëiste persoon aangifte van vermissing heeft gedaan daags na de doorzoeking. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

7 Detentieomstandigheden in België

De raadsman heeft gewezen op de detentiesituatie in België die van dien aard is en/of was dat in ieder geval medio 2018 overleveringen naar België niet werden toegelaten.

De rechtbank verwijst naar haar eerdere uitspraak van 14 augustus 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:5938. In die uitspraak is geoordeeld dat er geen sprake was van stakingen en dat de kans daarop ook niet meer reëel was, waardoor er geen sprake was van een toestand die strijdig is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Naar het oordeel van de rechtbank is die situatie nog steeds aan de orde.

8 Overige verweren

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat in Nederland materieel gesproken niet wordt voldaan aan de eis van 12 maanden gevangenisstraf ex artikel 2 lid 1 OLW. Hij heeft hiertoe gewezen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft op 25 september 2015 in de zaak C-463/15 PPU (ECLI:EU:C:2015:634) bepaald dat de Overleveringswet alleen de voorwaarde van (enkele) strafbaarheid naar Nederlands recht mag stellen, niet ook de voorwaarde van een strafbedreiging naar Nederlands recht met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden. Het voornoemde brengt mee dat het feit in de uitvaardigende lidstaat strafbaar moet zijn gesteld met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden en het feit in Nederland strafbaar moet zijn. De rechtbank stelt ten aanzien van het feit vast dat aan deze eisen is voldaan. Het verweer wordt verworpen.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen – afdeling Charleroi ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. C.A. van Dijk en H.G. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 februari 2019.

De jongste rechter en oudste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.