Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1236

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
13/751835-18
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

De rechtbank vat het feit 'bendevorming' op als een verzwaarde variant van medeplegen. Opgeeëiste persoon wordt niet gelijkgesteld met een Nederlander, nu de IND aangeeft dat de verwachting bestaat dat hij zijn verblijfsrecht verliest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751835-18

RK nummer: 18/8592

Datum uitspraak: 12 februari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 december 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 oktober 2018 door de onderzoekrechter in de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres:

[adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. O.C. Bondam, advocaat te Voorschoten.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsmandaat bij verstek uitgevaardigd op 2 oktober 2018 door Onderzoeksrechter K. Helsen, referentie 2018/127.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

4.1.

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten 1 tot en met 7 waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit deze strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten 1 tot en met 7 vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2.

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 8, zijnde ‘bendevorming’, niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Gelet op de feitsomschrijving vat de rechtbank, met de officier van justitie, het feit ‘bendevorming’ op als onderdeel van de verdenking met betrekking tot het lijstfeit georganiseerde of gewapende diefstal, in die zin dat er sprake is van een verzwaarde variant van medeplegen, nu uit de beschrijving van de feiten niet blijkt dat er sprake is geweest van een vorm van criminele organisatie. De rechtbank dient wel de dubbele strafbaarheid te toetsen en stelt daartoe vast dat sprake is van het medeplegen van de feiten 1 tot en met 7.

5 Artikel 6, tweede lid, in samenhang met het vijfde lid, OLW

5.1.

Inleiding

Het Parket van de procureur des Konings Antwerpen – afdeling Turnhout heeft bij brief van 15 januari 2019 een terugkeergarantie verstrekt.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:

  1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

  2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

  3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Wat betreft de laatstgenoemde voorwaarde vermeldt het advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) van 29 januari 2019 onder meer het volgende vermeld:

“Als het in België tot een veroordeling komt, acht ik intrekking van het verblijfsrecht mogelijk. De thans geldende glijdende schaal staat niet aan zo’n besluit in de weg: in de eerste jaren van het rechtmatig verblijf werd hij (rechtbank: de opgeëiste persoon) al veelpleger en overschreed de totale gevangenisstraf de voor hem geldende norm. Voor zover van een verblijf langer dan tien jaar in de zin van artikel 3.86, lid 10, van het Vreemdelingenbesluit zou moeten worden uitgegaan, stel ik vast dat er een opiumdelict is met een maximumstraf van zes jaar.

Op basis van de beschreven feiten acht ik zeer wel mogelijk dat de heer [opgeëiste persoon] ook dient te worden beschouwd als een ‘actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving’. Voor een definitief oordeel is echter inhoudelijke informatie over de strafzaken nodig.

Onderhavig advies is geformuleerd op basis van de nu bekende feiten en omstandigheden en is voorlopig. Pas bij een bewezenverklaring van de door U geformuleerde strafbare feiten en een veroordeling door de Belgische strafrechter zal de Immigratie- en Naturalisatiedienst een onderzoek starten naar de mogelijkheden om het verblijfsrecht te beëindigen.”

5.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft - zakelijk weergegeven - betoogd dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het advies van de IND slechts een voorlopig advies betreft, met als gevolg dat het nog niet zeker is of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht daadwerkelijk kwijtraakt. Naar het oordeel van de raadsman dient de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte terugkeergarantie daarom worden geëffectueerd.

5.3.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft verwezen naar de brief van de IND. De opgeëiste persoon kan, nu niet de verwachting bestaat dat zijn verblijfsvergunning niet wordt ingetrokken, niet gelijk worden gesteld met een Nederlander waardoor de opgeëiste persoon geen aanspraak kan maken op een (inmiddels wel verstrekte) terugkeergarantie.

5.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat aan de eerste en tweede voorwaarde is voldaan. De opgeëiste persoon is in bezit van een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Bovendien is gebleken dat de opgeëiste persoon ook in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen. Met betrekking tot de derde voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie. Vereist is namelijk dat de verwachting wordt uitgesproken dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet verliest. De wetgever heeft daarmee aan de overleveringsrechter een beoordeling met een voorlopig karakter opgedragen. Daarbij is al rekening gehouden met de mogelijkheid dat de beoordeling door de IND over de vraag of de opgeëiste persoon na een veroordeling in België daadwerkelijk zijn verblijfsrecht zal verliezen, afwijkt van de beoordeling in voornoemd advies. Op grond van de brief van de IND kan niet worden gezegd dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn verblijfsrecht zal verliezen. Daarmee voldoet hij niet aan de vereisten om gelijk gesteld te worden met een Nederlander als bedoeld in artikel 6 OLW. De rechtbank stelt vast dat de overlevering niet afhankelijk kan worden gesteld van de terugkeergarantie.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW

De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat feit 8 geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW is daarom niet van toepassing.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. C.A. van Dijk en H.G. van der Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 februari 2019.

De jongste rechter en oudste rechter zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.