Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:123

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-01-2019
Datum publicatie
17-01-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4498
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond: géén vergunning van rechtswege: hele procedure bijgestaan door advocaat + de aanvraag is op zodanige wijze ingebed in het bezwaarschrift dat het verweerder redelijkerwijs niet kan worden aangerekend dit gemist te hebben: jp Afdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/4498

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 januari 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Aalsmeer, eiseres,

(gemachtigde: mr. L.C.J. Dekkers)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalsmeer, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bounaanaa).

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 10 juli 2018 beroep ingesteld tegen de weigering van verweerder om tot bekendmaking van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning over te gaan.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. Eiseres is vertegenwoordigd door de heer [naam 1] , eigenaar, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert een hotel. Bij dit hotel bevindt zich aan de voorzijde een terras. Op [datum] heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor een terrasoverkapping met een bouwhoogte van drie meter en scheidingswanden rondom van maximaal een meter hoog.

2. Eiseres heeft op 25 oktober 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanbrengen van drie rolschermen bij de terrasoverkapping. Bij besluit van 24 januari 2018 heeft verweerder deze aanvraag geweigerd. Op 7 maart 2018 heeft de gemachtigde van eiseres namens haar daartegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 21 maart 2018 heeft de gemachtigde van eiseres de gronden van haar bezwaarschrift aangevuld. Onder het kopje ‘Verzoek tot overleg’ staat het volgende:

(…)

Desondanks roept bezwaarde verweerder op om in onderling overleg alsnog te komen tot een oplossing. Het terras ziet er in de huidige hoedanigheid (als gevolg van het handhavend optreden door uw college) niet optimaal aantrekkelijk uit voor de omgeving, noch voor de gasten van het hotel. Om het gevelbeeld aan de [naam 2] aantrekkelijker te maken, kunnen korte wanden aan beide zijkanten van het terras een oplossing bieden. Indien deze wanden niet meer dan 50% van de lengte van de zijgevels uitmaken (gerekend vanaf de voorgevel van het hotel), kan naar het oordeel van bezwaarde niet worden gesproken over een gebouw. In dat geval is immers geen sprake van een omsluiting van (per saldo) minimaal twee wanden. Bij dezen verzoekt bezwaarde uw college alsnog hem een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van wanden met een lengte van maximaal 4 meter – gemeten vanaf de voorgevel van het hotel.

3. Bij brief van 22 mei 2018 heeft eiseres’ gemachtigde verweerder verzocht om de vergunning van rechtswege, als bedoeld in artikel 4:20c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), binnen twee weken na de datum van de verlening bekend te maken.

4. Bij brief van 30 mei 2018, verzonden op 1 juni 2018, heeft verweerder eiseres bericht dat er geen rechtsgeldige aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend en dat er daarom geen van rechtswege verleende omgevingsvergunning is ontstaan. In deze brief stelt verweerder dat het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning niet vormvrij is en dat eiseres dat kon doen via een elektronisch formulier of via een papieren aanvraagformulier. Daarbij verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling van 27 december 2017 waarin is geoordeeld dat een aanvraag niet ingebed of verstopt dient te worden en dat van een ingeschakelde gemachtigde een dermate deskundigheid mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de reguliere wijze om een aanvraag in te dienen.1

5. Bij besluit van 11 juli 2018, verzonden op 15 juli 2018, is het bezwaar van eiseres gericht tegen het besluit van 24 januari 2018 ongegrond verklaard.

Het standpunt van eiseres

6. Eiseres voert aan dat haar brief van 21 maart 2018 wel degelijk als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb moet worden aangemerkt. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning hoeft niet via het Omgevingsloket online of via het vastgestelde aanvraagformulier te gebeuren. Zij verwijst hierbij naar de rechtspraak van de Afdeling waaruit naar voren komt dat ook in een bezwaarschrift een aanvraag kan worden gedaan.2 Gelet op de bewoordingen van eiseres in haar bezwaarschrift is er eenduidig en ondubbelzinnig kenbaar een aanvraag gedaan. Eiseres en verweerder zijn al langere tijd verwikkeld in een discussie over hoe de terrasoverkapping bij het hotel eruit zou moeten zien. Ook heeft eiseres verschillende pogingen gedaan om alternatieve plannen voor de overkapping te realiseren. Het was voor verweerder dan ook volkomen helder wat de aanvraag precies inhield. Dit blijkt ook uit het feit dat verweerder op de aanvraag heeft beslist in de beslissing op bezwaar van 11 juli 2018. Onder verwijzing naar de uitspraak van 27 december 2017 van de Afdeling voert eiseres aan dat het schriftelijke verzoek in zijn geheel behoort te worden bezien.3

Het geschil

7. Niet in geschil is dat eiseres geen aanvraag heeft ingediend overeenkomstig de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In geschil is of eiseres een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend zoals door de Afdeling geaccepteerd in haar jurisprudentie.4

Het oordeel van de rechtbank

8. De rechtbank is van oordeel dat het bezwaarschrift van 21 maart 2018 – of een onderdeel daarvan – niet kan worden aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning. De rechtbank is van oordeel dat het samenstel van de omstandigheden dat zich voordeed in de zaak in de hiervoor vermelde uitspraak van 20 februari 2013, wezenlijk verschilt van de situatie in de onderhavige zaak.

8.1.

De rechtbank betrekt allereerst bij haar oordeel dat eiseres voor eerdere aanvragen in hetzelfde kader wel gebruik heeft gemaakt van de daartoe bestemde formulieren van verweerder. Eiseres is, zoals overigens zelf ook ter zitting erkend, op de hoogte van de reguliere wijze om een aanvraag om omgevingsvergunning in te dienen en de geldende indieningsvereisten. Verweerder hoefde er dan ook in ieder geval niet op bedacht te zijn dat een nieuwe aanvraag via deze weg zou kunnen worden ingediend. Dit geldt temeer omdat eiseres zich gedurende de gehele procedure heeft laten bijstaan door een advocaat.

8.2.

Uit de opmaak en de redactie van het bezwaarschrift is naar het oordeel van de rechtbank voorts niet duidelijk te herleiden dat eiseres heeft beoogd om een omgevingsvergunning aan te vragen. In de aanhef staat niet dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. In de afsluitende alinea staat dit evenmin. In het bezwaarschrift wordt enkele malen gebruik gemaakt van kopjes om een nieuw onderwerp aan te duiden, maar ten behoeve van een aanvraag om een omgevingsvergunning is dat niet gedaan. Nog sterker, de aanvraag is opgenomen onder het kopje ‘Verzoek om overleg’ waarin ook gevraagd wordt om met eiseres in overleg te treden. Het verzoek is dan ook op een zodanige wijze ingebed in het bezwaarschrift tegen het besluit van 24 januari 2018, dat het verweerder redelijkerwijs niet kan worden aangerekend dat het de brief van 21 maart 2018 niet heeft herkend als aanvraag om een omgevingsvergunning.

8.3.

Dat verweerder het verzoek van eiseres zoals omschreven in het bezwaarschrift heeft meegenomen in het besluit van 30 mei 2018 maakt dit niet anders. Dit verzoek maakte immers deel uit van het bezwaarschrift en is ook besproken op de hoorzitting, waardoor het onderdeel was van de gronden in die procedure.

Conclusie

9. De rechtbank zal het beroep van eiseres ongegrond verklaren. Voor een proceskostenvergoeding of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3562.

2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1684.

3 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3562.

4 Zie in dit kader onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1684 en van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3562.