Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1182

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
13-752055-18 18-8723
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Polen. Weigering voor uitzitten drie vonnissen op grond van artikel 12 OLW; toestaan voor één vonnis. Overige verweren (waaronder beroep op evenredigheid) verworpen. Onvolkomenheden in Pools onderzoek/berechting vallen niet binnen toetsingskader OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752055-18

RK nummer: 18/8723

Datum uitspraak: 21 februari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 december 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 22 september 2016 door the Regional Court in Elbląg II Criminal Department, Polen, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] , Polen , op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieadres] - Huis van Bewaring [detentieadres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 februari 2019.

Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie

mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van vier vonnissen, alle gewezen door the District Court in Elbląg:

1. X Criminal Department van 26 maart 2007 X K 1465/06

waarbij een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar is opgelegd

2II Criminal Department van 18 juni 2007 II K 506/07
waarbij een gevangenisstraf voor de duur van tien maandenis opgelegd

3X Criminal Department van 13 november 2007 X K 1095/07
waarbij een gevangenisstraf voor de duur van acht maandenis opgelegd

4 II Criminal Department van 13 juli 2007 II K 502/07
waarbij een gevangenisstraf voor de duur van een jaar en twee maandenis opgelegd.


De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Deze vonnissen betreffen de vijf feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

Is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW aan de orde?

II K 502/07

Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid. De vraag of de weigeringsgrond aan de orde is moet om die reden ontkennend worden beantwoord.

Anders ligt dat in de volgende zaken:

X K 1465/06, II K 506/07, II K 1095/07

De rechtbank stelt vast dat het EAB telkens strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Dit wordt ook bevestigd door de inhoud van een brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 23 januari 2019.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

( i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

Een dergelijke verklaring is niet verstrekt.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de overlevering voor deze vonnissen moet worden geweigerd nu de weigeringsgrond van artikel 12 OLW aan overlevering in de weg staat.

Bij haar verdere beoordeling zal de rechtbank zich nog uitsluitend richten op het vonnis met kenmerk II K 502/07 .

4 Strafbaarheid II K 502/07, a en b:

de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

5 Overige verweren


De raadsman heeft verzocht de overlevering te weigeren en daartoe het volgende aangevoerd:
overlevering is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, de feiten zijn begaan als minderjarige en zijn niet ernstig. Vanaf 2008 is de opgeëiste persoon bezig een bestaan in Nederland op te bouwen en zijn vrouw is op dit moment ernstig ziek. Overlevering doorkruist dit alles, terwijl hij de zorg voor zijn vrouw niet aan een ander wil overlaten. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon al 11 jaar in Nederland verblijft en werkt en gelijkgesteld zou moeten worden aan een Nederlander.
Ten tijde van de behandeling van de strafzaak in Polen is artikel 6 EVRM is geschonden. De opgeëiste persoon is nooit gewezen op het recht dat hij had op de bijstand van een advocaat en bovendien had hij volgens de Poolse ‘Juvenile Act’ recht op behandeling door een family court in plaats van een strafrechtelijke afdoening. Dit recht is hem onthouden. Subsidiair zouden over dit punt vragen moeten worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de verweren niet kunnen slagen.

Een beroep op het evenredigheidsbeginsel kan alleen bij hoge uitzondering slagen. (Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203).
Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is niet gebleken. Dat overlevering voor de opgeëiste persoon heel bezwarend is en hij de zorg voor zijn vrouw zal moeten overdragen is niet een dergelijke uitzonderlijke situatie en kan niet leiden tot weigering van de verzochte overlevering.

Het beroep op gelijkstelling aan een Nederlander kan niet slagen nu het op geen enkele manier is onderbouwd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat voor zover de opgeëiste persoon duurzaam verblijf zou hebben opgebouwd in het verleden, hij door de straf die hij thans uitzit, deze rechten heeft verloren en opnieuw duurzaam verblijf zal moeten opbouwen.

Tenslotte vallen eventuele onvolkomenheden in het onderzoek of in de berechting door de Poolse rechtbank, die mogelijk onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM vallen, niet binnen het bereik van het toetsingskader van de rechtbank ten aanzien van de Overleveringswet.
Hetgeen de raadsman verder heeft aangevoerd raakt geen weigeringsgrond binnen de Overleveringswet.


Het subsidiair gedane verzoek tot het inwinnen van nadere informatie over de door de raadsman aangedragen punten wordt afgewezen.

6 Slotsom

Nu ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf opgelegd bij vonnis II K 502/07 is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, moet de overlevering hiervoor worden toegestaan.

Voor de tenuitvoerlegging van de vonnissen X K 1465/06, II K 506/07, II K 1095/07

moet de overlevering worden geweigerd.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 Overleveringswet.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [naam opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Elbląg II Criminal Department, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, die is opgelegd bij vonnis met het kenmerk II K 502/07.

WEIGERT de overlevering van [naam opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen die zijn opgelegd bij de vonnissen met de kenmerken X K 1465/06, II K 506/07, II K 1095/07.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en M.J. Alink, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 februari 2019.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.