Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1163

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
13/752058-18
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

EAB Italië. Overlevering toegestaan. Italiaanse verzetgarantie terzake van een verstekvonnis, gewezen na de wetswijziging van het Italiaanse CCP in 2005, is - mede gelet op de brief van de Italiaanse officier van justitie in deze zaak - toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752058-18

RK nummer: 18/8564

Datum uitspraak: 19 februari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 19 december 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 mei 2015 door het Arrondissementsparket bij de rechtbank van Cuneo (Procura della Repubblica presso il Tribunale di Cuneo) te Italië en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] alias [naam alias opgeëiste persoon]

geboren te Albanië op [geboortedag] 1977 alias [alias geboortedag] 1974,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 5 februari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W.M. Kromme, advocaat te Ridderkerk en door een tolk in de Albanese taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij is: [naam alias opgeëiste persoon], geboren te

[geboorteplaats alias] (Albanië) op [alias geboortedag] 1974 en dat hij de Albanese nationaliteit heeft.

De opgeëiste persoon heeft betoogd dat hij niet de door de Italiaanse autoriteiten gezochte persoon ‘ [opgeëiste persoon] ’ is. De opgeëiste persoon heeft die naam ook nooit als alias gebruikt.

2.1.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft de bewering van de opgeëiste persoon ondersteund. De opgeëiste persoon is, gelet op zijn paspoort – dat op echtheid is gecontroleerd – [naam alias opgeëiste persoon] . Daarom dient de overlevering te worden geweigerd.

2.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de overlevering kan worden toegestaan en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. De rechtbank moet zich ervan vergewissen dat de opgeëiste persoon degene is die door Italië wordt gezocht. Gelet op het resultaat van het dactyloscopisch onderzoek is de opgeëiste persoon degene waarvan de Italiaanse autoriteiten de overlevering hebben verzocht.

2.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank moet beoordelen of de opgeëiste persoon degene is die de Italiaanse autoriteiten willen vervolgen voor het strafbare feit dat in het EAB staat omschreven. Ter beoordeling ligt niet voor of de opgeëiste persoon daadwerkelijk bij dit feit betrokken is. Dit laatste is een bewijsvraag en het antwoord daarop is voorbehouden aan de Italiaanse rechter die inhoudelijk over de strafzaak zal oordelen en het strafdossier tot zijn beschikking heeft.
Naar aanleiding van het verhoor van de opgeëiste persoon is een dactyloscopisch onderzoek gedaan om zijn identiteit vast te stellen.
De vingerafdrukken die zijn vastgelegd van degene die met het EAB wordt opgeëist, zijn vergeleken met de vingerafdrukken van deze op grond van het EAB in Nederland aangehouden persoon. Het vergelijkend onderzoek heeft geleid tot herkenning en identificatie van de aangeboden vingerafdrukken van een persoon geregistreerd onder biometrienummer [nummer] . Onder dit laatste nummer is de aangehouden persoon bekend. De rechtbank concludeert dan ook dat de aangehouden persoon die ter zitting is gehoord de opgeëiste persoon is van wie de overlevering door de Italiaanse autoriteiten wordt verzocht.

De rechtbank verwerpt het verweer.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis nr. 403/2008, nr. 263/08 R.G. Trib. en nr. 986/03 R.G.N.R. van 24 juni 2008 van de Rechtbank van Saluzzo (Tribunale di Saluzzo).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 7 jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12 sub d OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat

( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel D) onder 3.4 van het EAB het volgende verklaard:

De beslissing is niet in persoon aan de betrokkene betekend, maar

  • -

    na zijn overlevering zal die beslissing onverwijld aan betrokkene worden betekend, en

  • -

    op het moment van betekening van de beslissing zal de betrokkene uitdrukkelijk in kennis worden gesteld van het recht op een nieuw proces of op de mogelijkheid van beroep, waaraan betrokkene het recht heeft deel te nemen en dat de mogelijkheid biedt de zaak opnieuw ten gronde te beoordelen, inclusief nieuw bewijsmateriaal, en dat kan leiden tot een herziening van de oorspronkelijke beslissing, en

  • -

    betrokkene zal in kennis worden gesteld van de termijn waarbinnen hij een nieuw proces moet vragen of beroep moet instellen, en die termijn zal 30 dagen zijn.

Gabriella Viglione, officier van justitie bij het Arrondissementsparket te Cuneo (Italië), heeft bij brief van 31 januari 2019 onder meer het volgende verklaard:

Het vonnis gewezen op 24.6.2008 door de rechtbank in Saluzzo is destijds uitgesproken buiten de aanwezigheid van de verdachte [opgeëiste persoon] . … De rechtbank van Saluzzo heeft door tussenkomst van Bureau Interpol verzocht te onderzoeken of [opgeëiste persoon] op het grondgebied van Albanië te vinden was. Op die verzoeken is nooit antwoord gekomen van de Albanese autoriteiten.

Op grond van het bovenstaande is [opgeëiste persoon] onvindbaar verklaard ingevolge artikel 159 van het Italiaanse Wetboek van Strafvordering (CCP) en is bepaald dat de betekeningen zouden plaatsvinden door afgifte van een kopie aan de raadsman.

Het vonnis werd niet aangevochten door de toegewezen raadsman en is onherroepelijk geworden op 20.7.2009.

Artikel 175, lid 2 van het Italiaanse Wetboek van Strafvordering, gewijzigd door artikel 1 van het Wetsbesluit van 21.2.2005, nr. 17 en zoals omgezet in een wet met wijzigingen door de Wet nr. 60 van 22.4.2005, bepaalt dat de verdachte op zijn verzoek een nieuwe termijn krijgt voor het instellen van rechtsmiddelen, tenzij hij daadwerkelijk kennis heeft gehad van de procedure of van de beslissing en hij vrijwillig heeft afgezien van het recht om te verschijnen of een rechtsmiddel aan te wenden. Hiertoe voert de rechterlijke autoriteit iedere noodzakelijke controle uit.

In het onderhavige geval kan [opgeëiste persoon] binnen de termijn bepaald in artikel 175, lid 2 bis, ofwel binnen 30 dagen vanaf de datum van overlevering door het buitenland, een verzoek doen om een nieuwe termijn om het door de Rechtbank van Saluzzo gewezen vonnis aan te vechten.

Aangezien alle betekeningen hebben plaatsgevonden bij de toegewezen raadsman, met wie hij, zo mag men gevoeglijk aannemen, nooit een werkelijke, beroepsmatige band heeft opgebouwd, en aangezien uit de processtukken niet is gebleken dat de veroordeelde kennis heeft gehad van de procedure die is beslecht met het vonnis in eerste aanleg, is dit parket van oordeel dat in het onderhavige geval is voldaan aan de voorwaarden, zodat het Gerechtshof in positieve zin zal beslissen zodra het verzoek zal zijn gedaan om een nieuwe termijn om de beslissing aan te vechten en dat [opgeëiste persoon] dus het vonnis, gewezen door de Rechtbank van Saluzzo op 24.6.2008, zal kunnen aanvechten.

Er wordt op gewezen dat in soortgelijke gevallen, namelijk in een proces waarin berechting heeft plaatsgevonden bij afwezigheid van de verdachte en met betekeningen die hebben plaatsgevonden aan de toegewezen raadsman, het Gerechtshof van Turijn een nieuwe termijn heeft gegeven voor het instellen van een rechtsmiddel, mits het verzoek was gedaan binnen 30 dagen volgend op de datum van overlevering door het buitenland.

In een eerdere uitspraak (5 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:2088, die betrekking had op een vonnis uit 2009) heeft deze rechtbank geoordeeld dat de in die zaak verstrekte verzetgarantie niet aan te merken was als onvoorwaardelijke verzetgarantie, omdat de opgeëiste persoon ingevolge het in die zaak van toepassing zijnde artikel 175 van het Italiaanse Wetboek van Strafvordering (CCP) diende te bewijzen dat hij niet op de hoogte was van de datum en plaats van de terechtzitting en/of dat hij niet op de hoogte was van de inhoud van het vonnis en de mogelijkheid om daartegen appel in te stellen.

In deze zaak is aan de orde een vonnis uit 2008 en is gebleken dat artikel 175 van het Italiaanse Wetboek van Strafvordering is gewijzigd bij wetsbesluit nr. 17 van 21-2-2005. Bij vonnissen gewezen na deze wetswijziging uit 2005 ligt de bewijslast inzake de wetenschap van het bij verstek gevoerde proces niet langer bij de opgeëiste persoon, maar is het de rechter die na het instellen van het verzet onderzoekt of de opgeëiste persoon “daadwerkelijk kennis heeft gehad van de procedure of van de beslissing en hij vrijwillig heeft afgezien van het recht om te verschijnen of een rechtsmiddel aan te wenden”.

De Italiaanse officier van justitie heeft in de geciteerde brief aangegeven dat de opgeëiste persoon destijds, na een onderzoek van Interpol, onvindbaar is verklaard conform artikel 159 van het Italiaanse Wetboek van Strafvordering en dat zij verwacht dat het gerecht positief zal beslissen over het verzet, mede omdat de Italiaanse rechter dat in vergelijkbare gevallen eerder heeft gedaan.

Het Oberlandesgericht Frankfurt am Main, Beschl. V. 14.11.2017, Az.: 2 Ausl A 17/17, ECLI:DE:OLGHE:2017:1114.2AUSL.A17.00 heeft destijds de overlevering aan Italië, waarin een zelfde verzetgarantie als in deze zaak gegeven, na onderzoek toelaatbaar geacht, met onder meer een verwijzing naar het vonnis van het Italiaanse Hof van Cassatie van 9-11-2017, waarin is aangegeven dat de regeling van het verzet in overeenstemming diende te worden gebracht met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM).

Dit brengt de rechtbank tot een ander oordeel over de Italiaanse verzetgarantie dan in genoemde uitspraak van 5 april 2018.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de in onderdeel D) onder 3.4 van het EAB gegeven verzetgarantie – bezien in samenhang met de brief van de Italiaanse officier van justitie en de hierboven genoemde jurisprudentie – aan de eisen van artikel 12 sub d OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.

4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummers 16 en 27, te weten:

16. ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling;

27. verkrachting.

Gelet op de opgelegde straf van 8 jaar en 6 maanden gaat de rechtbank er van uit dat op dit feit naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer: persoonsverwisseling

De opgeëiste persoon heeft – gelet op het persoonsverwisselingsverweer – verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] alias [naam alias opgeëiste persoon] aan het Arrondissementsparket bij de rechtbank van Cuneo (Procura della Repubblica presso il Tribunale di Cuneo) te Italië ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf,

te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en T.B. Trotman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 19 februari 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.