Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:116

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2019
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
13/728061-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

20 jaar gevangenisstraf voor de man die op 29 maart 2018 de broer van een kroongetuige doodschoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0073
NJFS 2019/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728061-18 (Promis)

Datum uitspraak: 10 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in het Justitieel Complex [naam 1] te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 13 december 2018 (inhoudelijke behandeling) en 10 januari 2019 (sluiting van het onderzoek ter terechtzitting).

Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mrs. C.J. Cnossen en S. de Klerk, beiden officier van justitie. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de officier van justitie’. Verdachte wordt bijgestaan door mrs. C.W. Flokstra en J. de Vries. In het vervolg zullen zij gezamenlijk worden aangeduid als ‘de raadsman’. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting de personalia van de benadeelde partijen (tien in totaal) niet genoemd. In dit vonnis zal die lijn worden voortgezet. Bij de beoordeling van de verzoeken tot schadevergoeding van de benadeelde partijen verderop in dit vonnis zal de rechtbank een korte uitleg geven over de reden van deze werkwijze.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van wat mr. R.A. Korver, raadsman van drie van de benadeelde partijen, en mr. M.A.J. Kubatsch, raadsvrouw van één benadeelde partij, naar voren hebben gebracht. De advocaat van de overige zes benadeelde partijen is niet bij de zitting van 13 december 2018 aanwezig geweest.

Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen de deskundige, psycholoog J.M. Oudejans, tijdens de zitting heeft gezegd.

2 Inleiding

Op 23 maart 2018 heeft het Openbaar Ministerie bekend gemaakt een kroongetuigeregeling met [naam kroongetuige] te zijn overeengekomen. [naam kroongetuige] heeft eind 2017 verklaringen afgelegd met betrekking tot een reeks liquidaties in Amsterdam en Utrecht.

Op 29 maart 2018 is [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) beschoten in een bedrijfspand aan de Tt. Melissaweg in Amsterdam-Noord. Het slachtoffer, een broer van kroongetuige [naam kroongetuige] , werd zesmaal geraakt en overleed ter plaatse.

Verdachte heeft bekend dat hij in opdracht van een ander het slachtoffer heeft doodgeschoten. Hij zou daarvoor een geldbedrag van € 100.000,- ontvangen. In het najaar van 2017 is hij door de opdrachtgever benaderd met de vraag of hij bereid was te helpen bij een liquidatie. Hij heeft in januari 2018 het verzoek gekregen om een garage te huren en daarin een auto te stallen. Dit was de latere vluchtauto (zwarte Seat Leon). Via een contactpersoon ontving hij op 27 maart 2018 informatie over het slachtoffer, waaronder zijn naam, een foto van het slachtoffer, zijn werklocatie en werktijden. Ook zijn hem instructies gegeven hoe de liquidatie moest te worden uitgevoerd. Op diezelfde dag ontving hij van een derde persoon een tas met wapens. Deze wapens heeft hij die avond nog getest. In de ochtend van 28 maart 2018 is verdachte naar het bedrijfspand van het slachtoffer gereden, maar het slachtoffer was al binnen. In de avond is verdachte daar weer naartoe gegaan, maar toen was het slachtoffer al weg. Verdachte is op 29 maart 2018 wederom naar het bedrijfspand van het slachtoffer gegaan, heeft gezegd dat hij voor een sollicitatiegesprek kwam, liep achter het slachtoffer aan de trap op en heeft hem toen driemaal van achteren beschoten. Toen het slachtoffer gewond bovenaan de trap op de grond lag, heeft verdachte van dichtbij nog drie kogels op het slachtoffer afgevuurd. Verdachte is weggereden in de zwarte Seat Leon en heeft een tas met twee vuurwapens, munitie en een geluiddemper in het water tussen de Ms. van Riemsdijkweg en de Tt. Vassumweg gegooid. Wie de opdrachtgever(s), contactpersoon of andere betrokkenen zijn, heeft verdachte niet willen vertellen. Hij kende de persoon die hem heeft benaderd om de liquidatie uit te voeren uit het verleden en wist dat hij zich in het criminele circuit begaf. Verdachte heeft gezegd dat hij op voorhand niet wist dat het slachtoffer de broer van een kroongetuige was. Hij dacht dat het om een onderlinge afrekening ging binnen het criminele circuit.

Verdachte is op 30 maart 2018 aangehouden. Naast de moord op [slachtoffer] wordt hij beschuldigd van het medeplegen van wapenbezit en het medeplegen van de heling van de vluchtauto.

3 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort samengevat ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

1. de moord op [slachtoffer] ;

2. het samen met anderen voorhanden hebben van twee vuurwapens, een geluiddemper, twee patroonmagazijnen en munitie;

3. het samen met anderen plegen van opzetheling of schuldheling van een personenauto.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

4 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Omdat aan deze formele eisen is voldaan, kan de rechtbank de zaak inhoudelijk beoordelen.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat verdachte dient te worden veroordeeld voor de moord op [slachtoffer] (feit 1), en voor het samen met anderen voorhanden hebben van wapens en munitie (feit 2) en het samen met anderen aanwezig hebben van een gestolen auto (opzetheling, feit 3).

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen bewezenverklaring van de drie strafbare feiten die verdachte worden verweten. De raadsman heeft wel een verweer gevoerd omtrent de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf. Dat komt in hoofdstuk 9 (Motivering van de straf) aan de orde.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2: de moord op [slachtoffer] en wapenbezit.

De rechtbank acht – net als de officier van justitie – de onder feit 1 ten laste gelegde moord op [slachtoffer] en het onder feit 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van wapens en munitie bewezen. Naast de schriftelijke verklaring van verdachte van 17 juni 2018 en zijn bekentenis tijdens de zitting van 13 december 2018, zijn de camerabeelden die zijn opgenomen in het bedrijfspand van het slachtoffer, het sectieverslag, een verslag van het vinden van een patroon in de vluchtauto en een tas met wapens, munitie en geluiddemper in het water en een beschrijving van deze voorwerpen belangrijke bewijsmiddelen. Omdat verdachte de moord en het wapenbezit heeft bekend, worden deze bewijsmiddelen niet uitgebreid in dit vonnis besproken. Deze bewijsmiddelen staan wel opgesomd in bijlage II bij dit vonnis.

5.3.2.

Ten aanzien van feit 3: heling van de Seat Leon.

Verdachte wordt ook verweten dat hij een gestolen Seat Leon heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Hij heeft ter terechtzitting verklaard niet te hebben geweten dat de auto was gestolen. De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte is – volgens zijn eigen (schriftelijke) verklaring – in het najaar van 2017 benaderd om een liquidatie te plegen. Eind januari 2018 kreeg hij in verband daarmee het verzoek om een garage te huren en een personenauto op te halen. Verdachte heeft daarvoor in Hilversum een garagebox gehuurd onder een valse naam. Vervolgens heeft verdachte, na het ophalen en stallen van de auto eind januari 2018, in ieder geval op 28 en 29 maart 2018 in de Seat Leon gereden in het kader van de voorbereiding en uitvoering van de liquidatie. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de Seat Leon de vluchtauto was en dat het plan was om het voertuig na de liquidatie in brand te steken. Daar is hij uiteindelijk niet in geslaagd omdat de auto niet goed vlam vatte.

Kortom, verdachte kreeg een auto in zijn bezit die gebruikt zou worden bij een liquidatie, heeft de auto gedurende ongeveer twee maanden gestald in een garage die hij onder een valse naam huurde en de auto moest na de moord in brand worden gestoken. Dat bij een dergelijk plan om iemand om het leven te brengen, gebruik wordt gemaakt van een gestolen auto ligt zodanig in de lijn der verwachting dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto redelijkerwijs moet hebben vermoed dat de auto was gestolen.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich, samen met een ander of anderen, schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde medeplegen van schuldheling.

De rechtbank vindt dus bewezen dat verdachte redelijkerwijs moest hebben vermoed dat de auto was gestolen. Niet bewezen is dat hij daadwerkelijk wist dat de auto was gestolen. Daarom wordt hij niet veroordeeld wegens opzetheling, maar wegens schuldheling.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1.

op 29 maart 2018 te Amsterdam, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers is verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met een vuurwapen achter voornoemde [slachtoffer] aan gelopen en

- heeft hij vervolgens met een vuurwapen meerdere schoten afgevuurd op voornoemde [slachtoffer] ,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

op 29 maart 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

- een vuurwapen van categorie II, te weten een pistoolmitrailleur merk Ceska Zebrojovska, model VZ61, kaliber 7,65mm en

- een patroonmagazijn met daarin patronen en

- een geluiddemper en

- een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool merk Heckler & Koch, model USP Compact, kaliber 9mm para en

- een patroonmagazijn en

- een patroon merk Magtech, CBC 9mm luger

voorhanden heeft gehad;

3.

in de periode van 29 januari 2018 tot en met 29 maart 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), een personenauto (merk Seat, type Leon, voorzien van het VIN nummer [nummer] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs hadden moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achtentwintig jaar, met aftrek van voorarrest. Hiertoe is het volgende aangevoerd.

De officier van justitie heeft bij de strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten, de gevolgen voor het slachtoffer en de nabestaanden en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De liquidatie is uitgevoerd op klaarlichte dag en in het bijzijn van omstanders. Het slachtoffer is een onschuldige burger en zijn nabestaanden is onherstelbaar leed aangedaan. Het slachtoffer is op gruwelijke en koelbloedige wijze om het leven gebracht. Hij kan zijn kinderen niet zien opgroeien en zijn kinderen zullen zonder zijn liefde, steun en aandacht verder moeten. De nabestaanden hebben vanwege de acute dreiging op hun leven halsoverkop huis en haard moeten verlaten, leven sindsdien een verborgen bestaan en er is nog altijd geen zicht op vermindering van deze voortdurende dreiging. Dat zijn strafverzwarende omstandigheden, die rechtvaardigen dat er een hogere straf wordt opgelegd dan in andere moordzaken is opgelegd.

Deze liquidatie maakt onderdeel uit van de golf van geweld waarmee onze samenleving wordt geconfronteerd. Deze moord moet daarnaast worden gezien als een regelrechte aanslag op het Nederlandse strafrechtsysteem. Iemand die bereid is te verklaren over de georganiseerde misdaad moet niet alleen vrezen voor zijn eigen leven, maar ook voor dat van zijn naasten. Hiermee wordt opsporing en vervolging van zware criminelen ernstig bemoeilijkt. Niet is vastgesteld dat verdachte wist wie het slachtoffer was en dat hij de broer was van een kroongetuige. Hij heeft gezegd dat hij dacht dat hij iemand uit het criminele milieu zou doodschieten. Maar verdachte had alle reden om onderzoek te verrichten naar de persoon die hij zou gaan vermoorden. Het slachtoffer had immers een reguliere baan in een branche die niet gelieerd is aan criminaliteit en hij had reguliere werktijden. Hij had er daarom niet vanuit mogen gaan dat het slachtoffer een crimineel was. Nu verdachte heeft nagelaten onderzoek te doen naar het slachtoffer, heeft hij bewust het risico genomen dat hij niet een crimineel, maar een onschuldige burger van het leven zou beroven. De maatschappij vraagt om vergelding en degene die in Nederland liquidaties uitvoert voor criminele organisaties moet zwaar gestraft worden. Er zijn geen redenen om de aan verdachte op te leggen straf te matigen. Ook de persoonlijke omstandigheden van verdachten nopen daar niet toe. Verdachte heeft twee jonge kinderen, had een baan, een baas die zeer tevreden over hem was en hij had geen noemenswaardig strafblad. Het is onbegrijpelijk hoe hij schijnbaar uit het niets is overgegaan tot deze moord. Dat hij worstelde met een cocaïneverslaving, depressieve gevoelens had en het leven niet meer zag zitten, verklaart niet waarom hij bereid was het slachtoffer van het leven te beroven. De psycholoog die verdachte heeft onderzocht, is tot de conclusie gekomen dat hij volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Ook daarin schuilt dus geen reden om een lagere straf op te leggen.

Een gevangenisstraf van achtentwintig jaren is daarom een passende straf.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een gevangenisstraf van maximaal vijftien jaar moet worden opgelegd. Hiertoe is het volgende aangevoerd.

De aan verdachte op te leggen straf zal moeten worden bepaald naar de mate van zijn schuld en verantwoordelijkheid. Verdachte had geen wetenschap wie zijn slachtoffer was en hij droeg geen kennis over de reden waarom het slachtoffer dood moest. Hem kan dus niet worden aangerekend dat hij een aanslag op het Nederlandse rechtssysteem heeft gepleegd door de broer van een kroongetuige te vermoorden. Dat er überhaupt een oorzakelijk verband is tussen de mededeling van het Openbaar Ministerie dat een kroongetuige-overeenkomst is gesloten met [naam kroongetuige] , en de opdracht tot de moord op zijn broer, is niet aangetoond.

Het Openbaar Ministerie heeft gezegd dat het criminele milieu verhardt, en dat deze moord die verharding naar een nog hoger plan heeft getild. Maar verdachte heeft aan die verharding in het criminele milieu – buiten zijn eigen handelen – part noch deel gehad. Hij was niet actief in het criminele milieu.

Zwaarder straffen alleen zal de golf van geweld in Nederland niet tot stoppen brengen. En geen enkele straf zal bevredigend zijn voor de nabestaanden.

Niet betwist wordt dat het slachtoffer onschuldig was, maar juridisch en moreel gezien mag geen onderscheid worden gemaakt tussen een de moord op een schuldig (crimineel) persoon en de moord op een onschuldig slachtoffer. Ieder mensenleven wordt op dezelfde wijze beschermt door de wet en de overheid die de wet handhaaft. Uit de rechtspraak volgt dat roekeloos handelen strafverhogend kan werken, niet de vraag of het slachtoffer een rol speelde in het criminele milieu.

Verzocht wordt in strafmatigende zin rekening te houden met de persoon van verdachte en alles wat er over hem en zijn handelen bekend is. Hij worstelde met hetgeen hij heeft gedaan en heeft daarom uitgelegd wat er is gebeurd. Hij heeft niet over de identiteit van andere betrokkenen verklaard, maar dat mag hem niet kwalijk worden genomen omdat hij daarmee zijn eigen familie in gevaar zou brengen. De vraag hoe hij tot dit feit is gekomen, is onbeantwoord gebleven, al lijkt het erop dat het bergafwaarts ging met verdachte vanaf het moment dat hij met cocaïne in aanraking kwam. Dat hij voor de liquidatie een vergoeding zou krijgen, heeft meegewogen maar was geen doorslaggevende factor. Verdachte heeft een geweten en voelt zijn verantwoordelijkheid, zo schrijft de psycholoog in zijn rapport. Dat geweten heeft hem tijdens het tenlastegelegde in de steek gelaten, maar er is – zo blijkt ook uit het psychologisch rapport – wel een perspectief. Hij heeft goed gefunctioneerd in de maatschappij, heeft altijd gewerkt, heeft een gezin en geen relevant strafblad. Verzocht wordt bij de strafmaat rekening te houden met dat perspectief en niet af te wijken van wat in soortgelijke zaken aan straf wordt opgelegd. In zaken waarin zeer hoge gevangenisstraffen werden opgelegd, was vaak sprake van meerdere liquidaties of pogingen daartoe, deelname aan een criminele organisatie, een fors strafblad, gebrek aan zelfinzicht en een hoge recidivekans. Dat is in deze zaak anders. Verzocht wordt daarom om een gevangenisstraf van maximaal 15 jaar op te leggen.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het opleggen van een straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde strafbare feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn gepleegd, en met de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, diens omgeving en de maatschappij. Ook weegt de rechtbank de achtergrond en het persoonlijk leven van de verdachte mee en heeft de rechtbank gekeken naar ongeveer vergelijkbare zaken.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte een buitengewoon ernstig en schokkend strafbaar feit heeft begaan. Hij heeft in ruil voor (het vooruitzicht op) een groot geldbedrag een opdracht tot liquidatie aangenomen en uitgevoerd. Het was een moord op bestelling. Verdachte heeft daarmee geen enkel respect getoond voor het leven van het slachtoffer. Verdachte is op klaarlichte dag het bedrijf van het slachtoffer binnen gegaan en heeft – terwijl er andere personen in het pand aanwezig waren – het slachtoffer op koelbloedige wijze van het leven beroofd. Verdachte heeft het slachtoffer driemaal van achteren beschoten, en vervolgens van zeer dichtbij nog drie kogels op hem afgevuurd. Collega’s van het slachtoffer hebben de schoten gehoord en zijn gevlucht. Sommige van hen hebben het slachtoffer, dat ernstig gewond was, gezien. De wijze waarop verdachte de moord heeft uitgevoerd, is voor de rechtbank reden om een hogere straf op te leggen.

Verdachte heeft uitvoering gegeven aan de zoveelste liquidatie in Amsterdam en daarmee bijgedragen aan de publieke onrust en verontwaardiging die bij dit soort ernstige geweldsdelicten ontstaat. Hij heeft gezegd dat hij dacht dat het om een criminele afrekening ging. Verdachte was dus bereid een bijdrage te leveren aan het gewelddadige optreden in het criminele milieu, waarmee de maatschappij in toenemende mate wordt geconfronteerd.

Maar wat nog zwaarder weegt, is dat hij een vader van twee jonge kinderen, een geliefde zoon en broer, een gewaardeerde collega en baas, om het leven heeft gebracht. De gevolgen voor zijn naasten zijn desastreus en onomkeerbaar.

Een belangrijke vraag die de rechtbank in deze zaak moet beoordelen, is of de omstandigheid dat het slachtoffer de broer van een kroongetuige was, reden is om de aan verdachte op te leggen straf te verhogen. Voor de officier van justitie heeft dit feit immers sterk strafverzwarend gewerkt.

Het dossier bevat voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat de liquidatie verband hield met het feit dat de broer van het slachtoffer een kroongetuige was. Een ander motief om het slachtoffer om het leven te brengen was er niet, en de liquidatie is slechts enkele dagen na het openbaar maken van de kroongetuige-overeenkomst uitgevoerd. Het slachtoffer is kennelijk om het leven gebracht met het doel de kroongetuige niet (verder) te laten verklaren, of om andere personen die in de toekomst zouden overwegen als kroongetuige op te treden zoveel angst voor hun eigen veiligheid en dat van hun naasten aan te jagen dat zij daarvan afzien.

De opdrachtgever(s) achter deze moord heeft/hebben blijkbaar een dergelijk signaal willen afgeven en zijn zelfs zo ver gegaan dat zij een onschuldig familielid van een kroongetuige hebben laten vermoorden. Dit is in Nederland nog niet eerder voorgekomen. De opdrachtgever(s) heeft/hebben duidelijk de intentie gehad het strafrechtelijk systeem en de opsporing en vervolging van zware criminaliteit te frustreren.

Er zijn echter geen redenen om aan te nemen dat verdachte wist dat het slachtoffer de broer van een kroongetuige was. Hoe vreselijk zijn daad ook is, verdachte kan daarom niet worden verweten dat hij met deze moord de bedoeling had om een aanslag op de Nederlandse rechtsstaat te plegen. Anders gezegd: de intentie die zijn opdrachtgever(s) hadden, kan hem niet worden aangerekend. Dat verdachte geen onderzoek heeft gedaan naar de achtergrond van het slachtoffer en de reden van de moord is – hoe onbegrijpelijk ook voor derden – een praktijk die vaker voorkomt bij liquidaties die plaatsvinden in opdracht van het criminele milieu. Anders dan de officier van justitie heeft voorgesteld, worden deze omstandigheden daarom niet als strafverzwarende factor meegewogen bij de strafoplegging. Dat is de belangrijkste reden waarom de rechtbank een minder zware straf zal opleggen dan de officier van justitie heeft geëist.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging wel rekening met de gevolgen die het handelen van verdachte heeft gehad voor de nabestaanden van het slachtoffer. Verdachte heeft immers doelbewust het slachtoffer om het leven gebracht en wist dat zijn nabestaanden veel leed en verdriet zou worden aangedaan. Tijdens de zitting hebben zij treffend verwoord welke impact de moord op het slachtoffer op hun levens heeft gehad en nog steeds heeft. Zij hebben hun verdriet en angst daarmee invoelbaar gemaakt. De moeder van de kinderen van het slachtoffer heeft verwoord hoe pijnlijk en lastig het was om het vreselijke nieuws aan de kinderen te vertellen en de vragen die de kinderen stelden te moeten beantwoorden. De zussen en moeder van het slachtoffer hebben namens henzelf en alle andere broers en zussen verteld hoe het overlijden van het slachtoffer in hun levens heeft ingegrepen. Niet alleen het verschrikkelijke verdriet over het overlijden zelf maar ook het feit dat zij huis en haard moesten verlaten en onmiddellijk in een beveiligingsprogramma terecht kwamen heeft erg veel invloed op hen gehad. Zij hebben alle connecties met hun oude leven moeten verbreken. Zonder afscheid te kunnen nemen of uitleg te kunnen geven, hebben zij hun baan of opleiding en sociale omgeving moeten verlaten. Deze nachtmerrie is voor hen nog steeds niet over, waardoor zij niet goed toekomen aan het verwerken van het verlies van hun dierbare.

Ook de persoon van de verdachte is een relevant aspect als het gaat om de bepaling van de hoogte van de straf. Verdachte heeft verteld over zijn persoonlijke leven en daar ook met psycholoog Oudejans over gesproken.

De psycholoog beschrijft in zijn rapport dat verdachte de indruk maakt gekweld te worden door intense schuldgevoelens. Verdachte begrijpt zelf niet goed hoe hij tot zijn daad is gekomen. Dat verdachte in aanraking kwam met cocaïne is een dramatisch keerpunt in zijn leven geweest. Hij heeft verteld dat hij in de periode voorafgaand aan de moord het leven niet meer zag zitten, het in zijn hoofd een warboel was en hij ervan overtuigd was dat hij ‘het niet zou overleven’, omdat hij ofwel doodgeschoten zou worden ofwel zelfmoord zou plegen. Hij kampt met gevoelens van somberheid, verlies van perspectief en zelfhaat en heeft suïcidale gedachten gehad, maar omdat die gevoelens deels begrijpelijk zijn vanwege de situatie waarin verdachte nu zit, en er niet voor hebben gezorgd dat hij helemaal niet meer kon functioneren, kan niet worden gesproken van een depressieve stoornis. Verdachte is een intelligente, sociaal vaardige man die zich kan inleven in anderen. Het cocaïnegebruik, de relationele problemen en zijn somberheid zijn mogelijk stresserende factoren geweest en hebben wellicht tot psychische ontregeling geleid, maar die ontregeling kan niet worden verklaard vanuit een psychische stoornis. Verdachte wordt door de psycholoog volledig toerekeningsvatbaar geacht. De psycholoog schat de kans op herhaling als klein in.

De rechtbank heeft de psycholoog tijdens de zitting nadere vragen gesteld over zijn rapport en de daarin getrokken conclusies. De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog over dat verdachte toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De vraag hoe verdachte tot zijn daad is gekomen, is onbeantwoord gebleven. Dat maakt het voor de rechtbank moeilijk om daar in strafverlagende of strafverhogende zin rekening mee te houden. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verklaard. Hij ervaart intense schuldgevoelens, hij heeft spijt betuigd en de kans op herhaling wordt door de psycholoog klein geacht. In het beperkte strafblad van verdachte ziet de rechtbank geen reden om een hogere straf op te leggen.

Verdachte wordt ook veroordeeld en bestraft voor wapenbezit en schuldheling van de vluchtauto, maar voor de hoogte van de straf ligt het zwaartepunt – vanzelfsprekend – bij de plegen van de moord. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf daarom gekeken naar straffen die in andere moordzaken zijn opgelegd. Hoewel strafzaken zich moeilijk laten vergelijken, kan hieruit wel een zekere rode draad worden gedestilleerd. De raadsman heeft terecht opgemerkt dat – in tegenstelling tot veel andere liquidatiezaken – in deze zaak geen sprake is van meerdere liquidaties of pogingen daartoe, verdachte geen deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie of een omvangrijke criminele voorgeschiedenis heeft, en verdachte zelfinzicht en berouw heeft getoond. In dit geval gaat het om één liquidatie.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat een forse gevangenisstraf passend en geboden is, maar komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaar.

10 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. Munitie (patroon) 9 mm Luger (5550895)

2. Munitie (patroon) 9 x 19 mm Luger (5582299)

3. Munitie in plastic zakje (5550922)

4. Munitie in plastic zakje (5550927)

5. Plastic zakje met munitie (5550930)

6. Zakje met 2 hulzen en 1 patroon (5550935)

7. 8 patronen uit patroonhouder Skorpion (5550868)

8. 2 patronen uit patroonhouder Skorpion (5550871)

9. 18 patronen uit gripzakje (5550882)

10. 25 patronen uit gripzakje (5550888)

11. 14 patronen uit gripzakje (5550891)

12. Huls uit gripzakje (5553587)

13. Puma rugzak (5550878)

14. Holster (5550880)

15. 2 stuks hulzen (munitie) Sellier & Bellot 7,65 mm br, 2 hulzen uit gripzakje (5550902)

16. Pistoolmitrailleur CZ vz61 (5550861)

17. Geluiddemper 1 stuks (5550988)

18. Heckler & Koch pistool (5550866)

19. Pepperspray (5371144)

De officier van justitie heeft gevorderd dat deze goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het beslag.

Verbeurdverklaring

De Puma rugzak (het onder nummer 13 genoemde voorwerp) behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder feit 1 en 2. bewezen geachte is begaan (de wapens zijn in deze tas vervoerd), wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

Onttrekking aan het verkeer

Nu met behulp van de onder 1 t/m 12 en 14 t/m 19 genoemde voorwerpen het onder feit 1 en of feit 2 bewezen geachte is begaan dan wel de voorwerpen daartoe bestemd zijn, en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

11 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

11.1.

Geanonimiseerde benadeelde partijen en hun vorderingen

In deze strafzaak zijn in totaal tien verzoeken tot schadevergoeding ingediend door benadeelde partijen. Met uitzondering van NN10 zijn de benadeelde partijen familieleden van het slachtoffer. De zaak heeft voor hen grote gevolgen gehad en vanuit veiligheidsoverwegingen zijn de personalia van de benadeelde partijen tijdens de zitting niet genoemd. De rechtbank zal die werkwijze ook in het vonnis hanteren en de personalia van de benadeelde partijen niet in het vonnis opnemen. Zij zullen worden aangeduid met NN1 tot en met NN10. De identiteit van de benadeelde partijen is bij het Openbaar Ministerie en de rechtbank bekend. De hieronder toegekende bedragen dienen door het Openbaar Ministerie te worden geëxecuteerd op grond van de bij hen bekende persoonsgegevens.

De volgende vorderingen zijn ingediend:

De benadeelde partijen NN1, NN3 en NN4 vorderen allemaal € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit shockschade.

De benadeelde partij NN2 vordert € 30.000,- aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit shockschade.

De benadeelde partij NN5 vordert € 7.355,- aan materiële schadevergoeding, bestaande uit:
- grafwerk: € 3.935,-

- onderhoud graf: € 3.420,-.

De benadeelde partij NN5 vordert daarnaast € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit shockschade.

De benadeelde partij NN6 vordert € 60.000,- aan materiële schadevergoeding, bestaande uit gederfde kosten voor levensonderhoud, en € 30.000,- aan immateriële schadevergoeding bestaande uit shockschade.

De benadeelde partij NN7 vordert € 853,95 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit:
- reiskosten eerste aanleg (forfaitair): € 150,-

- reiskosten hoger beroep (toekomstig): € 150,-.

- factuur [naam 2] Expertise: € 553,95.

De benadeelde partij NN7 vordert daarnaast € 25.000,- aan immateriële schadevergoeding, primair bestaande uit shockschade en subsidiair op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) (aantasting in de persoon).

De benadeelde partij NN8 vordert (via de wettelijk vertegenwoordiger) € 43.040,95 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit:

- levensonderhoud: € 42.487,-

- factuur [naam 2] Expertise: € 553,95.

De benadeelde partij NN8 vordert daarnaast € 25.000,- aan immateriële schadevergoeding, primair bestaande uit shockschade en subsidiair op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) (aantasting in de persoon).

De benadeelde partij NN9 vordert (via de wettelijk vertegenwoordiger) € 47.908,95 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit:

- levensonderhoud: € 47.355,-

- factuur [naam 2] Expertise: € 553,95.

De benadeelde partij NN9 vordert daarnaast € 25.000,- aan immateriële schadevergoeding, primair bestaande uit shockschade en subsidiair op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) (aantasting in de persoon).

De benadeelde partij NN10 vordert € 3.597,39 aan materiële schadevergoeding, bestaande uit:

- verlies verdienvermogen bij Post NL: € 444,76

- verlies verdienvermogen [naam bedrijf] : € 2.704,-

- nota GGZ-psycholoog: € 291,59
- reiskosten naar therapie: € 52,-

- reiskosten naar slachtofferhulp: € 67,60

- reiskosten naar advocaat: € 28,60

- reiskosten naar gesprek officier van justitie: € 5,20

- parkeerkosten: € 3,64.

De benadeelde partij NN10 vordert daarnaast € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

11.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen NN1, NN2, NN3, NN4, NN5, NN8, NN9 en NN10 integraal moeten worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij NN6 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de gederfde kosten voor levensonderhoud moeten worden toegewezen tot een bedrag van € 12.000,- en het overige deel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De immateriële schadevergoeding die NN6 heeft gevorderd kan in zijn geheel worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij NN7 kan integraal worden toegewezen, met uitzondering van de reiskosten in hoger beroep, waarvoor NN7 niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

Ten aanzien van alle vorderingen is verzocht de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

11.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich met betrekking tot de vorderingen benadeelde partijen aan het oordeel van de rechtbanken heeft daarom geen gedetailleerd verweer tegen de vorderingen heeft gevoerd. In zijn algemeenheid vraagt de verdediging de rechtbank wel om te controleren of de benadeelde partijen recht hebben op schadevergoeding, of er ten aanzien van de shockschade is voldaan aan de vereisten en om na te gaan of de inkomstenderving van NN6 en de alimentatieberekeningen van NN8 en NN9 juist zijn onderbouwd. Indien wordt overgaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, verzoekt de verdediging af te zien van het opleggen van vervangende hechtenis.

11.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis, de vorderingen van de benadeelde partijen in drie groepen verdeeld: NN1 tot en met NN6, NN7 tot en met NN9, en NN10 (geen familielid).

De rechtbank beoordeelt per groep telkens eerst de materiële schade, en daarna de immateriële schade.

Omdat alle benadeelde partijen vragen om vergoeding van shockschade, zal de rechtbank eerst in algemene zin iets zeggen over de criteria om vergoeding wegens shockschade toe te kennen.

11.4.1.

Shockschade

De rechtbank overweegt dat het bij shockschade gaat om geestelijk letsel dat men oploopt door a) een schokkende gebeurtenis, waarbij b) de shock dermate ernstig is dat deze leidt tot een aantasting van de gezondheid. Het gaat dus om schade bij anderen dan het ‘directe’ slachtoffer. De term shockschade verwijst niet naar een bepaald soort schade (materieel of immaterieel) maar naar de ontstaansbron van de schade. Veelal gaat het om gevallen waarin iemand een misdrijf waarneemt waarbij een slachtoffer overlijdt of ernstig gewond raakt of direct wordt geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het misdrijf. De kring van personen die shockschade kan vorderen is niet beperkt tot naasten van het slachtoffer of personen die een affectieve relatie met het slachtoffer hebben. Toch zal shockschade zich in de praktijk met name kunnen voordoen indien het slachtoffer iemand is tot wie de getroffene in een nauwe affectieve relatie staat.

Uit vaste rechtspraak volgt dat de maatstaf bij de beoordeling van een vordering tot vergoeding van shockschade is of sprake is van geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld. In de regel wordt een vordering tot vergoeding van shockschade afgewezen als deze niet is onderbouwd met een schriftelijke verklaring van een psycholoog of psychiater. Zo’n verklaring is echter geen voorwaarde voor toekenning van shockschade. Waar het om gaat is dat kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Omdat het vaak om complexe vraagstukken gaat (denk aan causaal verband, relativiteit en omvang van de schade), gelden strenge eisen voor zowel de ontvankelijkheid als de toewijzing van shockschade.

Shockschade is iets anders dan affectieschade. Bij affectieschade gaat het om smartengeld wegens het verdriet dat het overlijden of ernstig gewond raken van een naaste bij de benadeelde partij teweeg heeft gebracht.

11.4.2.

Ten aanzien van de vorderingen van NN1 tot NN6

Materiële schade

Door de benadeelde partij NN5 is € 7.355,- aan materiële schadevergoeding gevorderd, bestaande uit kosten voor grafwerk en onderhoud van het graf. NN5 is een nabestaande van het slachtoffer. Op grond van artikel 6:108 BW kan degene die de kosten voor de lijkbezorging heeft gedragen, deze kosten vorderen van de aansprakelijke persoon. Dit heet dan verplaatste schade.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de kosten voor grafwerk is niet betwist, de vordering is door middel van een factuur en bankafschrift goed onderbouwd en het gevraagde bedrag komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Het gevorderde bedrag van € 3.935,- zal worden toegewezen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bedrag dat is gevraagd voor de kosten voor onderhoud van het graf het volgende. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat het graf is afgekocht voor de duur van 20 jaar, hetgeen door de verzekering is vergoed. De gevorderde kosten betreffen de kosten voor het onderhoud van het graf voor de jaren 2038 tot en met 2058. Dit zijn toekomstige kosten die nog niet door de benadeelde partij zijn gemaakt. Daar komt bij dat uit de bijlage niet blijkt dat deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt. De bijlage lijkt uitsluitend een prijsopgave te zijn. De rechtbank verklaart dit deel van de gevorderde materiële schadevergoeding daarom niet-ontvankelijk.

Door de benadeelde partij NN6 is € 60.000,- aan materiele schadevergoeding gevorderd, bestaande uit kosten voor levensonderhoud. NN6 is een nabestaande van het slachtoffer en komt op grond van artikel 6:108 BW in aanmerking voor schadevergoeding. Kort samengevat volgt uit het eerste lid van artikel 6:108 BW dat naasten die door de overledene in hun levensonderhoud werden voorzien, deze kosten van de aansprakelijke persoon kunnen vorderen.

NN6 heeft gesteld dat zij van het slachtoffer naar schatting € 1.000,- per maand ontving. Zij kreeg maandelijks giraal € 30,- en daarnaast gaf hij haar contant geld en zaken in natura. Gevraagd is om het maandelijkse bedrag van € 1.000,- toe te wijzen voor een periode van zestig maanden.

De kosten voor levensonderhoud van € 30,- per maand zijn niet betwist, goed onderbouwd door middel van bankafschriften en het gevraagde bedrag komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Verzocht is om vergoeding van deze kosten voor de duur van 60 maanden. Een bedrag van € 1.800,- zal daarom worden toegewezen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de overige gevorderde kosten voor levensonderhoud het volgende. Uit de bij de vordering bijgevoegde bankafschriften van januari 2016 tot en met april 2018 volgt dat het slachtoffer per maand € 30,- aan de benadeelde partij overmaakte. Buiten dit bedrag heeft het slachtoffer eenmalig, te weten in maart 2018, € 1.000,- overgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee onvoldoende onderbouwd dat de benadeelde partij structureel meer geld voor levensonderhoud van het slachtoffer ontving. De rechtbank verklaart het overige deel van gevorderde materiële schadevergoeding daarom niet-ontvankelijk.

Immateriële schade (shockschade)

Door de benadeelde partijen NN1, NN3, NN4 en NN5 is € 20.000,- aan shockschade gevorderd. Door NN2 en NN6 is € 30.000,- aan shockschade gevorderd.

Door deze benadeelde partijen is aangevoerd dat bij hen een hevige emotionele shock is teweeggebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het tenlastegelegde feit. De nabestaanden hebben op traumatische wijze kennis moeten nemen van het overlijden van het slachtoffer. Zij zijn niet door de autoriteiten geïnformeerd, maar zijn via NN2 – die de liquidatie live op camerabeelden heeft gezien – op de hoogte gebracht. Een deel van de nabestaanden is direct ter plaatse gegaan, maar werd omwille van het onderzoek de toegang tot het slachtoffer geweigerd. Vanwege het onderzoek is het lichaam pas kort voor de begrafenis vrijgegeven. Een waardig afscheid is niet mogelijk geweest omdat vanuit veiligheidsoverwegingen de uitvaartdienst in beperkte kring – en buiten aanwezigheid van de benadeelden partijen – moest plaatsvinden. Als gevolg van het tenlastegelegde is het leven van de nabestaanden acuut in gevaar gekomen. Zij hebben – met hun gezinnen – in allerijl hun woning moeten verlaten en werk moeten stopzetten. Alle banden met hun oude (sociale) leven zijn verbroken en het dreigingsniveau is sinds 29 maart 2018 nog altijd ongewijzigd.

Zoals onder 11.4.1 is beschreven moet er sprake zijn van geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld. Dat kan worden aangetoond met een schriftelijke verklaring van een psycholoog of psychiater. Zo’n verklaring is echter geen harde eis voor toekenning van shockschade. NN1 tot en met NN6 hebben niet zo’n verklaring overgelegd. In hun vorderingen hebben zij uitgelegd dat toegang tot psychische hulp voor hen lastig is, omdat zij sinds 29 maart 2018 op een geheime plek verblijven. Daarnaast is het vanwege de ernstige veiligheidsrisico’s voor hen niet mogelijk nadere informatie over psychische hulpverlening (zoals een naam of adres van een hulpverlener) te verstrekken.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Niet eerder is in Nederland een familielid van een kroongetuige om het leven gebracht. De nabestaanden van het slachtoffer zijn vanwege het acute gevaar voor hun eigen leven uit hun sociale omgeving weggehaald en zijn daardoor onvoldoende in de gelegenheid geweest om zich te laten diagnosticeren of behandelen. De rechtbank concludeert dat – ondanks het ontbreken van stukken die een erkend psychiatrisch ziektebeeld onderschrijven – de bijzondere omstandigheden van de zaak en de ernstige gevolgen waarmee de nabestaanden zijn geconfronteerd, maken dat er evident sprake is van ernstig psychiatrisch letsel dat de aanwezigheid van een (niet nader onderbouwd) psychiatrisch erkend ziektebeeld veronderstelt. De vorderingen tot schadevergoeding vanwege immateriële schade van NN1 tot en met NN6 zullen op grond van het bovenstaande worden toegewezen.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beoordelen, is welk bedrag als vergoeding van shockschade dient te worden toegekend. Ingevolge art. 6:106 lid 1 BW dient de hoogte daarvan door de rechter naar billijkheid vastgesteld te worden. De rechtbank waardeert voor NN1, NN3, NN4, NN5 en NN6 de omvang van de shockschade op € 10.000,-. Ten aanzien van het meer gevorderde is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden kan immers niet (op grond van een verklaring van een hulpverlener) worden vastgesteld of behandeling noodzakelijk is, hoe lang die behandeling zal duren en wat daarvan de te verwachten uitkomst zal zijn. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van NN2 zal de rechtbank een bedrag van € 12.500,- toewijzen. Bij de hoogte van dit bedrag heeft de rechtbank in het bijzonder overwogen dat uit de stukken naar voren komt dat NN2, door middel van kunnen bekijken camerabeelden van het bedrijf van het slachtoffer, beelden heeft gezien van de liquidatie. NN2 heeft op grond daarvan, nog voordat de autoriteiten de nabestaanden konden inlichten, zijn familie op de hoogte gebracht. De rechtbank ziet in deze omstandigheden aanleiding om de omvang van de toe te wijzen schadevergoeding voor shockschade anders te waarderen dan bij de hiervoor genoemde benadeelde partijen. Het overige deel van de vordering van NN2 zal eveneens niet-ontvankelijk worden verklaard.

Toegewezen bedragen
De vordering van de benadeelde partij NN1 wordt toegewezen tot een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed.

De vordering van de benadeelde partij NN2 wordt toegewezen tot een bedrag van € 12.500,- (zegge twaalfduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed.

De vordering van de benadeelde partij NN3 wordt toegewezen tot een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed.

De vordering van de benadeelde partij NN4 wordt toegewezen tot een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed.

De vordering van de benadeelde partij NN5 wordt toegewezen tot een bedrag van € 13.935,- (zegge dertienduizend negenhonderdvijfendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed, bestaande uit € 3.935,- aan materiële schadevergoeding en € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij NN6 wordt toegewezen tot een bedrag van € 11.800,- (zegge elfduizend achthonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed, bestaande uit € 1.800,- aan materiële schadevergoeding en € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding.

11.4.3.

De vorderingen van NN7 tot en met NN9

Materiële schade

Door de benadeelde partij NN7 is € 853,95 aan materiële schadevergoeding gevorderd, bestaande uit reiskosten en de kosten voor het berekenen van het verlies aan levensonderhoud.

De rechtbank stelt vast dat de reiskosten zijn opgebouwd uit tweemaal € 150,- ten behoeve van gemaakte reiskosten in eerste aanleg (naar gesprekken met de advocaat en officier van justitie) respectievelijk toekomstige reiskosten voor het hoger beroep. Ten aanzien van de laatste kostenpost wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. In artikel 6:96 lid 2 BW is geregeld dat onder meer voor vergoeding in aanmerking komen de redelijke kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid. De gevorderde kosten (reiskosten en berekening alimentatie) vallen onder deze categorie, zijn niet betwist, goed onderbouwd en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de kosten immers in redelijkheid gemaakt en is de hoogte eveneens redelijk. Gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak acht de rechtbank een forfaitair bedrag voor de reiskosten (in plaats van een exacte berekening van het aantal kilometers van de verblijfplaats van de benadeelde partij tot het kantoor van de advocaat c.q. officier van justitie) voldoende onderbouwd. De materiële schadevergoeding zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 703,95. Het overige deel wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Door de benadeelde partijen NN8 en NN9 is respectievelijk € 43.040,95 en € 47.908,95 aan materiële schadevergoeding gevorderd, bestaande uit gederfd levensonderhoud en kosten voor het berekenen van het verlies aan levensonderhoud.

De factuur voor het berekenen van het gederfde levensonderhoud wordt bij zowel NN8 als NN9 niet-ontvankelijkheid verklaard. Deze kosten zijn reeds toegewezen bij NN7, hun wettelijk vertegenwoordiger.

NN8 en NN9 zijn nabestaanden van het slachtoffer en op grond van artikel 6:108 BW kunnen naasten die door de overledene in hun levensonderhoud werden voorzien deze kosten vorderen van de aansprakelijke persoon.


De gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de gederfde kosten voor levensonderhoud zijn berekend in een rapport van een senior rekenkundige letselschade. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De kosten voor levensonderhoud zijn niet betwist, goed onderbouwd en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De daarvoor gevorderde bedragen van € 42.487,- (NN8) en € 47.355,- zullen worden toegewezen. Voor het overige worden de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

Immateriële schade (shockschade)

Door de benadeelde partijen NN7, NN8 en NN9 is telkens € 25.000,- aan shockschade gevorderd.

De rechtbank verwijst met betrekking tot de vereisten voor toewijzing van een schadevergoeding op grond van shockschade naar hetgeen onder 11.4.1. is overwogen.

Aangevoerd is dat bij de benadeelde partijen een hevige emotionele shock is teweeggebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het tenlastegelegde feit. De benadeelden hebben moeten onderduiken en van de ene op de andere dag hun sociale omgeving hebben moeten verlaten en daarmee ook geen contact meer kunnen houden. Als gevolg van het bewezenverklaarde feit zijn er strenge veiligheidsmaatregelen genomen om de acute dreiging op het leven van de benadeelde partijen te ondervangen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van benadeelde partij NN7 als volgt. Blijkens de toelichting op de gevorderde immateriële schade en de bijgevoegde stukken heeft deze confrontatie geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld bij de benadeelde partij. Dat is onderbouwd met een verklaring van een psycholoog, die schrijft dat sprake is van een depressieve stoornis met angst en rouwklachten (DSM-5 classificatie). De klachten zijn door veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit. Niet gebleken is van een andere oorzaak van de psychische gevolgen, zodat de psychische gevolgen van de benadeelde partij geheel kunnen worden geacht te zijn veroorzaakt door de emotionele schok van de confrontatie met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit. De vordering tot schadevergoeding vanwege immateriële schade van NN7 kan op grond van het bovenstaande worden toegewezen. De omvang van de schadevergoeding zal hieronder worden bepaald.

De rechtbank overweegt ten aanzien van benadeelde partijen NN8 en NN9 als volgt. Net als NN7 zijn NN8 en NN9 direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van de moord op het slachtoffer. Ook zij hebben moeten onderduiken en leiden tot op heden een anoniem bestaan.

Blijkens de toelichting op de gevorderde immateriële schade en de bijgevoegde stukken heeft deze confrontatie geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld bij de benadeelde partijen. Door de psycholoog is vastgesteld dat bij NN8 en NN9 sprake is van PTTS-symptomen. Verondersteld is dat de kenmerken vooralsnog onderdeel zijn van het rouwproces. Behandeling gericht op dat rouwproces is geïndiceerd. Na afronding van die behandeling kan de diagnose PTTS worden overwogen. Strikt genomen stelt de psycholoog geen harde diagnosen. Maar er worden wel symptomen van PTSS waargenomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat – zoals eerder overwogen – sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Niet eerder is er een familielid van een kroongetuigen om het leven gebracht. De benadeelde partijen zijn vanwege het acute gevaar voor hun eigen leven uit hun sociale omgeving weggehaald. De rechtbank concludeert dat – ondanks het ontbreken stukken die op dit moment al een erkend psychiatrisch ziektebeeld bevestigen – de bijzondere omstandigheden van de zaak en de ernstige gevolgen waarmee de nabestaanden zijn geconfronteerd, maken dat er evident sprake is van ernstig psychiatrisch letsel dat de aanwezigheid van een psychiatrisch erkend ziektebeeld veronderstelt. Daarbij is eveneens aansluiting gezocht bij hetgeen door NN7, als wettelijke vertegenwoordiger, in haar spreekrecht naar voren is gebracht. De vorderingen tot schadevergoeding vanwege immateriële schade van NN7 tot en met NN9 zullen op grond van het bovenstaande worden toegewezen.

Ingevolge art. 6:106 lid 1 BW dient de hoogte van het bedrag door de rechter naar billijkheid vastgesteld te worden. De rechtbank waardeert de omvang van de shockschade van NN7, NN8 en NN9 op € 10.000,-.

Ten aanzien van het meer gevorderde is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden kan immers niet (op grond van een verklaring van een hulpverlener) worden vastgesteld of behandeling noodzakelijk is, hoe lang die behandeling zal duren en wat daarvan de te verwachten uitkomst zal zijn). De benadeelde partij zal ten aanzien van dit gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Toegewezen bedragen
De vordering van de benadeelde partij NN7 wordt toegewezen tot een bedrag van € 10.703,95 (zegge tienduizend zevenhonderddrie euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed, bestaande uit € 703,95 aan materiële schadevergoeding en € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij NN8 wordt toegewezen tot een bedrag van € 52.487,- (zegge tweeënvijftigduizend vierhonderdzevenentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed, bestaande uit € 42.487,- aan materiële schadevergoeding en € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding.

De vordering van de benadeelde partij NN9 wordt toegewezen tot een bedrag van € 57.355,- (zegge zevenvijftigduizend driehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed, bestaande uit € 47.355,- aan materiële schadevergoeding en € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding.

11.4.4.

De vordering van NN10

Ontvankelijkheid
Artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van een strafbaar feit zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Als vuistregel voor de bepaling of er sprake is van rechtstreekse schade geldt dat de benadeelde zelf door het bewezenverklaarde feit is getroffen en dat de schade daarvan het gevolg is dan wel er voldoende verband of samenhang bestaat tussen het feit en de schade.

De benadeelde partij was in het bedrijf aanwezig op het moment dat het slachtoffer is doodgeschoten. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldaan is aan de hierboven omschreven vereisten en acht NN10 ontvankelijk in de vordering.

Materiële en immateriële schade

Door de benadeelde partij NN10 is in totaal € 8.597,39 gevorderd, bestaande uit € 3.597,39 aan materiele schadevergoeding en € 5.000 aan immateriële schadevergoeding. Deze schade zou het gevolg zijn van shockschade.

Zoals onder 11.4.1. is beschreven, is de kring van personen die aanspraak maakt op shockschade niet beperkt tot familieleden of naasten. In de praktijk zal shockschade zich echter met name voordoen bij personen die in een nauwe affectieve relatie met het slachtoffer stonden. NN10 was voorafgaand aan de liquidatie gedurende 13 jaar binnen het bedrijf van het slachtoffer werkzaam. De raadsvrouw van NN10 heeft bij de vordering ook een verklaring van de ex-vrouw van het slachtoffer gevoegd waaruit een nauwe persoonlijke betrekking tussen het slachtoffer en NN10 blijkt. De rechtbank gaat daarom uit van het bestaan van een nauwe affectieve relatie.


De rechtbank verwijst met betrekking tot de overige vereisten voor toewijzing van een schadevergoeding op grond van shockschade naar hetgeen onder 11.4.1.is overwogen.


Blijkens de toelichting op de gevorderde materiële en immateriële schade en de bijgevoegde stukken heeft de waarneming van de gebeurtenis en de confrontatie met de gevolgen daarvan geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld (PTSS, DSM 5 classificatie) bij de benadeelde partij. Dat is door een psycholoog bevestigd in een schriftelijk behandelplan. De klachten zijn veroorzaakt door het bewezenverklaarde feit. Niet gebleken is van een andere oorzaak van de psychische gevolgen, zodat de psychische gevolgen van de benadeelde partij geheel kunnen worden geacht te zijn veroorzaakt door de emotionele schok van de confrontatie met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit. NN10 heeft naar aanleiding van de diagnose tien behandelingen gehad bij de psycholoog en de klachten zijn op grond daarvan afgenomen. De vordering tot schadevergoeding vanwege materiële en immateriële schade van NN10 kan op grond van het bovenstaande worden toegewezen. De omvang van de schadevergoeding zal hierna worden bepaald.

NN10 heeft als materiële schade verlies van verdienvermogen, de kosten voor behandeling door de GGZ-psycholoog en verschillende reiskosten gevorderd.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. In artikel 6:96 lid 2 BW is geregeld dat onder meer voor vergoeding in aanmerking komen de redelijke kosten ter voorkoming en vaststelling van de schade en aansprakelijkheid. De gevorderde kosten (GGZ-psycholoog en de reiskosten) – vallen onder deze categorie, zijn niet betwist, goed onderbouwd en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de kosten immers in redelijkheid gemaakt en is de hoogte eveneens redelijk. De materiële schadevergoeding zal – ten aanzien van deze kosten dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 448,63.

De rechtbank verklaart de kosten van verlies van verdienvermogen niet-ontvankelijk. Onvoldoende onderbouwd is waarom de benadeelde partij voor de duur van acht maanden in zijn geheel geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten. Daarnaast is voor een juiste berekening noodzakelijk dat voldoende inzichtelijk wordt gemaakt wat het exacte nettobedrag is dat de benadeelde aan inkomstenverlies heeft geleden. In de stukken die bij de vordering zijn bijgevoegd met betrekking tot PostNL zijn bedragen onzichtbaar gemaakt en de vordering is gebaseerd op brutobedragen.

Door de benadeelde partij NN10 is daarnaast € 5.000,- aan immateriële schade gevorderd. Ingevolge art. 6:106 lid 1 BW dient het bedrag door de rechter naar billijkheid vastgesteld te worden. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag redelijk is en zal tot toewijzing daarvan overgaan.

Toegewezen bedrag

De vordering van de benadeelde partij NN10 wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.448,63 (zegge vijfduizend vierhonderdachtenveertig euro en drieënzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed, bestaande uit € 448,63 aan materiële schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding.

11.4.5.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens alle benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 bewezen geachte feit is toegebracht.

De rechtbank zal bovendien vervangende hechtenis verbinden aan de op te leggen schadevergoedingsmaatregelen. De totale duur van deze vervangende hechtenis kan niet meer zijn dan één jaar. Toepassing van deze vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting van verdachte overigens niet op.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van NN1 op een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal één maand.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van NN2 op een bedrag van € 12.500,- (zegge twaalfduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal één maand.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van NN3 op een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal één maand.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van NN4 op een bedrag van € 10.000,- (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal één maand.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van NN5 op een bedrag van € 13.395,- (zegge dertienduizend driehonderdvijfennegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal één maand.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van NN6 op een bedrag van € 11.800,- (zegge elfduizend achthonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal één maand.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van NN7 op een bedrag van € 10.703,95 (zegge tienduizend zevenhonderddrie euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal één maand.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van NN8 op een bedrag van € 52.487,- (zegge tweeënvijftigduizend vierhonderdzevenentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal twee maanden.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van NN9 op een bedrag van € 57.355,- (zegge zevenenvijftigduizend driehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal twee maanden.

De rechtbank waardeert de schade ten aanzien van NN10 op een bedrag van € 5.448,63 (zegge vijfduizend vierhonderdachtenveertig euro en drieënzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan het moment dat de schade is vergoed. Indien verdachte niet betaalt, zal voorlopige hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal één maand.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 33, 33 a, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 63, 289, 417bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 13, 26 en 55 Wet wapens en munitie.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

moord;

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Ten aanzien van feit 3:

medeplegen van schuldheling.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

13. Puma rugzak (5550878)

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

1. Munitie (patroon) 9 mm Luger (5550895)

2. Munitie (patroon) 9 x 19 mm Luger (5582299)

3. Munitie in plastic zakje (5550922)

4. Munitie in plastic zakje (5550927)

5. Plastic zakje met munitie (5550930)

6. Zakje met 2 hulzen en 1 patroon (5550935)

7. 8 patronen uit patroonhouder Skorpion (5550868)

8. 2 patronen uit patroonhouder Skorpion (5550871)

9. 18 patronen uit gripzakje (5550882)

10. 25 patronen uit gripzakje (5550888)

11. 14 patronen uit gripzakje (5550891)

12. Huls uit gripzakje (5553587)

14. Holster (5550880)

15. 2 stuks hulzen (munitie) Sellier & Bellot 7,65 mm br, 2 hulzen uit gripzakje (5550902)

16. Pistoolmitrailleur CZ vz61 (5550861)

17. Geluiddemper 1 stuks (5550988)

18. Heckler & Koch pistool (5550866)

19. Pepperspray (5371144)

Ten aanzien van de benadeelde partij NN1 en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van NN1, tot een bedrag van € 10.000,00 (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan NN1 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 10.000,00 (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van NN1. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) maand. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij NN2 en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van NN2, tot een bedrag van € 12.500,00 (zegge twaalfduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan NN2 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 12.500,00 (zegge twaalfduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van NN2. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) maand. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij NN3 en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van NN3, tot een bedrag van € 10.000,00 (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan NN3 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 10.000,00 (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van NN3. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) maand. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij NN4 en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van NN4, tot een bedrag van € 10.000,00 (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan NN4 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 10.000,00 (zegge tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van NN4. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) maand. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij NN5 en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van NN5, tot een bedrag van € 13.935,00 (zegge dertienduizend negenhonderdvijfendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan NN5 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 13.935,00 (zegge dertienduizend negenhonderdvijfendertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van NN5. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) maand. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij NN6 en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van NN6, tot een bedrag van € 11.800,00 (zegge elfduizend achthonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan NN6 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 11.800,00 (zegge elfduizend achthonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van NN5. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) maand. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij NN7 en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van NN7, tot een bedrag van € 10.703,95 (zegge tienduizend zevenhonderddrie euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan NN7 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 10.703,95 (zegge tienduizend zevenhonderddrie euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van NN7. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) maand. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij NN8 en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van NN8, tot een bedrag van € 52.487,00 (zegge tweeënvijftigduizend vierhonderdzevenentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan NN8 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 52.487,00 (zegge tweeënvijftigduizend vierhonderdzevenentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van NN8. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 2 (twee) maanden. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij NN9 en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van NN9, tot een bedrag van € 57.355,00 (zegge zevenenvijftigduizend driehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan NN9 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 57.355,00 (zegge zevenenvijftigduizend driehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van NN9. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 2 (twee) maanden. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij NN10 en de schadevergoedingsmaatregel

Wijst gedeeltelijk toe de vordering van NN10, tot een bedrag van € 5.448,63 (zegge vijfduizend vierhonderdachtenveertig euro en drieënzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan NN10 voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van € 5.448,63 (zegge vijfduizend vierhonderdachtenveertig euro en drieënzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van NN10. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis voor de duur van 1 (één) maand. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.F. van Lier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 januari 2019.