Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1142

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
6823542 / CV EXPL 18-8287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fundering van mandelige muur. Noodzaak artikel 5:65 BW. Bijdrageplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2019/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 6823542 / CV EXPL 18-8287

Uitspraak: 1 februari 2019

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in (voorwaardelijke) reconventie

gemachtigde mr. T. Hovers,

t e g e n

1 [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub1]

2. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde mr. D.G. Lasschuit.

Eiser zal hierna [eiser in conventie, verweerder in reconventie] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub2] , en samen [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 10 april 2018 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de eis in (voorwaardelijke) reconventie met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 26 juli 2018, waarbij een bijeenkomst van partijen is bevolen,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie tevens houdende de akte vermeerdering van eis met producties,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2018 met de daarin vermelde (proces)stukken,

  • -

    de brief van 21 december 2018 van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] met opmerkingen over het proces-verbaal.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1 Feiten en omstandigheden

1.1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.2.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zijn eigenaren van de respectievelijk de panden aan de [pand 1] en [pand 2] te [naam gemeente] (hierna afzonderlijk aangeduid als [pand 1] en nummer [pand 2] , en samen als de panden). . De scheidsmuur tussen de panden is mandelig.

1.3.

Medio 2015 is [eiser in conventie, verweerder in reconventie] begonnen met de verbouwing van [pand 1] . Bij brief van 24 november 2015 heeft de gemeente [naam gemeente] aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] aangekondigd dat hun woning geselecteerd was om een casco funderingsonderzoek te ondergaan. In februari 2016 heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] bericht dat hij verwachtte dat de fundering van de panden zou worden afgekeurd en voorgesteld om herstel van de fundering gezamenlijk aan te pakken.

1.4.

In 2016 heeft de gemeente [naam gemeente] (hierna: de gemeente) de fundering van [pand 1] onderzocht. In het rapport betreffende het casco-funderingsonderzoek van de gemeente van 24 mei 2016 (hierna: het CFO-rapport) staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…) 5 Conclusie en vaststelling kwaliteitsniveau

Aan de hand van de beschikbare gegevens kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

(…)

 De draagkracht van de fundering voldoet niet aan de hiervoor gestelde prestatie-eis in het Bouwbesluit 2012. (…) Daarom moet de fundering worden vernieuwd. (…)

 De fundering als onderdeel van het casco heeft kwaliteitsniveau IV. (…)”

1.5.

Naar aanleiding daarvan hebben in mei 2016 tussen [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , al dan niet bijgestaan door of bij monde van hun respectievelijke adviseurs de heer [naam adviseur 1] van AmstelBouwadvies B.V. (hierna ook: [naam adviseur 1] ) en de heer [naam adviseur 2] van Rappange & Partners Architecten B.V. (hierna ook: [naam adviseur 2] ), gesprekken plaatsgevonden over het gezamenlijk aanpakken en uitvoeren van funderingsherstel van de panden inclusief de mandelige muur. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hebben daarbij te kennen gegeven niet gezamenlijk te willen optrekken.

1.6.

De gemeente heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub1] bij gelijkluidende brieven van 8 juni 2016, voor zover hier van belang, als volgt aangeschreven:

“(…) Naar aanleiding van het CFO-onderzoek (…) hebben wij bouwkundige gebreken geconstateerd. Uit dit onderzoek blijkt dat uw pand niet voldoet aan de eisen die het Bouwbesluit hieraan stelt.(…) Dit betekent dat u als eigenaar een verbodsbepaling in de Woningwet overtreedt.

(…)

Voorgenomen besluit

Als gevolg van de genoemde overtreding zijn wij van plan u een bestuursdwangmaatregel of dwangsom op te leggen (…). Doel van dit voornemen is u te verplichten ervoor te zorgen dat uw pand weer zal voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit.

(…)

Mogelijkheid tot zienswijze

Wij stellen u in de gelegenheid om binnen twee weken na verzending van deze brief schriftelijk of mondeling uw mening (zienswijze) te geven over deze zaak.

(…)

Maatregelen

(…)

Wij verwachten dat u binnen een termijn van 18 weken na dagtekening van deze brief een aanvang maakt met het uitvoeren van de werkzaamheden.

(…)

In verband met gemeenschappelijke voorzieningen is/wordt eveneens een brief verzonden aan de eigenaar(en) van het pand/de panden [pand 1] , respectievelijk [pand 2] , rechtbank] te [plaats]. (…)”

1.7.

In de daarop volgende periode van juni 2016 tot en met december 2016 heeft [naam adviseur 1] namens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] verschillende e-mails aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub1] en zijn adviseur [naam adviseur 2] gestuurd met het herhaaldelijk verzoek samen op te trekken bij het funderingsherstel en met berekeningen van de bouwkosten die in dat geval aan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zouden worden doorbelast. Tevens heeft [naam adviseur 1] voorgesteld om in overleg met [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub1] en zijn adviseur drie aannemers te benaderen voor een prijsopgave, een aannemer te selecteren, om [naam adviseur 2] te betrekken in de controle op de uitvoering, varianten voor de aanpak voorgesteld, om een onafhankelijke instantie te benaderen voor de betalingen, gevraagd om de reden waarom [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub1] afwijzend stond tegenover een gemeenschappelijke aanpak en meegedeeld dat de mogelijkheid tot gezamenlijk herstel zo lang mogelijk werd opengehouden. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub1] heeft daarop kort gezegd steeds afwijzend gereageerd en meegedeeld het funderingsherstel van nummer [pand 2] afzonderlijk en voor eigen rekening te willen uitvoeren.

1.8.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft voor het funderingsherstel op 21 september 2016 een omgevingsvergunning verkregen. De voor het funderingsherstel benodigde constructietekeningen zijn opgesteld door de Beaufort Bouwadvies BV (hierna: de Beaufort Bouwadvies). Volgens de verdeelsleutelberekening van de Beaufort Bouwadvies van 10 oktober 2016 bedraagt het aandeel aan gewicht op de nieuwe fundering voor [pand 1] 84,1% en voor nummer [pand 2] 16,3%.

1.9.

In december 2016 is [eiser in conventie, verweerder in reconventie] van start gegaan met de werkzaamheden voor het herstel van de fundering. Deze werkzaamheden waren op 26 april 2017 gereed. Bij dit funderingsherstel door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] is de mandelige muur voor 100% opgevangen. Daarbij is gebruik gemaakt van een zogenaamde stalen tafelconstructie.

1.10.

Op 13 februari 2017 hebben [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] een aannemer de opdracht gegeven voor de kelderbouw in combinatie met funderingsherstel. De daarvoor benodigde constructietekeningen zijn ook gemaakt door de Beaufort Bouwadvies. Op de constructietekeningen staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…) Funderingsherstel [pand 1] reeds uitgevoerd conform tekening De Beaufort Bouwadvies (…)”.

1.11.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hebben voor het funderingsherstel bij de gemeente op 12 april 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd. Tegen die omgevingsvergunning heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar is bij beslissing van 14 maart 2018 ongegrond verklaard. In deze beslissing op bezwaar staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…) Omdat de gemeenschappelijke bouwmuur reeds opgevangen is, is een tafel/stutconstructie niet vereist en mede gelet hierop is ook het aantal palen als passend beoordeeld.(…)”

1.12.

De omgevingsvergunning is op 17 augustus 2017 aan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] verleend. In november 2017 zijn [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] gestart met het funderingsherstel. Die werkzaamheden zijn op 1 februari 2018 afgerond. Bij dit herstel is de mandelige muur door [pand 2] voor 50% opgevangen.

1.13.

Door Strackee BV Bouwadvies (hierna: Strackee) is een expertiserapport opgesteld. In dit expertiserapport van 8 oktober 2018 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

2. Aanleiding tot het funderingsherstel

2.1

Rapport 55-16-0026, gedateerd 24 mei 2016:

(…)

Voor zowel pand no. [pand 1] alsook voor pand [pand 2] is door de gemeente [naam gemeente] de verplichting opgelegd om de fundering te vernieuwen. Er zijn ons geen documenten bekend waarin de eigenaren van panden succesvol bezwaar hebben gemaakt tegen de conclusie uit het casco-funderingsrapport, en waarmee de noodzaak dan geheel of gedeeltelijk zou komen te vervallen.

(…)

2.3

Conclusie:

Op basis van de gangbare beoordelingsmethoden onderschrijven wij de conclusie van de gemeente [naam gemeente] dat de fundering vernieuwd moet worden.

(…)

4. Uitvoering van het funderingsherstel

(…)

In opdracht van Amstel Bouwadvies BV zijn door de Beaufort Bouwadvies BV constructieve tekeningen en berekeningen opgesteld voor het herstel van de fundering van [pand 1] inclusief het volledig opvangen van de mandelige muur inclusief de daarop rusten gewichten vanuit [pand 2] . (…). Vervolgens zijn door de Beaufort Bouwadvies BV in opdracht van dhr. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub1] tekeningen en berekeningen opgesteld voor het herstellen van de fundering van [pand 2] . (…). Opmerkelijk is dat de Beaufort op de tekening van no. [pand 2] vermeld dat het funderingsherstel van [pand 1] reeds is uitgevoerd, dus inclusief de volledige opvang van de mandelige bouwmuur. In de berekening van [pand 2] wordt deze al 100% aantoonbaar opgevangen door bouwmuur opnieuw voor 50% opgevangen. Dit is niet verklaarbaar, en zeer ongebruikelijk. Uitsluitend het eigen gewicht van de nieuwe keldervloer behoeft te worden opgevangen.

(…)

5. Verdeelsleutel mandelige bouwmuur

(…)

5.1.

Verdeelsleutel [pand 1]

(…) Aan no. [pand 2] dient dus gecorrigeerd extra te worden toebedeeld: (…). Dit leidt tot een aandeel in het gewicht op de nieuwe fundering van 17.6% in plaats van 16.3%.

(…)

6. Conclusie en advies

6.1

Conclusie

Doordat beide funderingsherstellen zijn uitgerekend door de zelfde constructeur, de Beaufort Bouwadvies BV, was het in beginsel mogelijk geweest om het funderingsherstel gemeenschappelijk uit te voeren, waarbij ieder 50% van de mandelige muur opvangt.

Echter, dit moet dan wel gelijktijdig, en gelijkwaardig uitgevoerd worden. Aan zowel de voorwaarde van gelijktijdigheid als gelijkwaardigheid kon niet worden voldaan omdat partijen niet tot overeenstemming kwamen. (…)”

1.14.

De Beaufort Bouwadvies BV schrijft in haar e-mail van 1 december 2018 als reactie op het expertiserapport van Strackee, voor zover hier van belang, het volgende:

“(…) De eigenaar van [pand 1] heeft inderdaad terecht funderingsherstel uitgevoerd, zij werd gedwongen door de gemeente.

(…)

- Noodzaak tijdelijke stalen tafelconstructie: De stalen tafel in [pand 1] was noodzakelijk, omdat er door het ontgraven van het souterrain een mogelijk instabiele toestand was voor de gemeenschappelijke bouwmuur, die op staal gefundeerd was. Tijdens het funderingsherstel van [pand 2] was geen stalen tafelconstructie nodig, omdat de fundering van de gemene muur al aan de kant van [pand 1] opgevangen was.

Als [pand 2] eerst funderingsherstel had uitgevoerd had daar ook een stalen tafelconstructie in gemoeten en zou het in [pand 1] daarna niet meer nodig zijn geweest. Als funderingsherstel in beide panden gelijktijdig was uitgevoerd dan zou zowel in [pand 1] als [pand 2] een stalen tafel nodig geweest.(…)”

2 Vordering en verweer

in conventie

2.1.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.

2.2.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] stelt – kort weergegeven – dat er noodzaak bestond om de mandelige muur te herfunderen. Op grond van artikel 5:65 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn in dat geval de gemeenschappelijke eigenaren gehouden de kosten voor dit herstel gezamenlijk te dragen. Voorafgaand aan het funderingsherstel heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] geprobeerd om in redelijkheid met [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] tot afspraken te komen voor het gezamenlijke funderingsherstel. Dat is echter niet gelukt. Nu funderingsherstel nodig was, zijn gedaagden gehouden in de kosten daarvan bij te dragen. De totale kosten bedragen € 147.795,80. [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] moeten daarin voor een aandeel van 17,6% bijdragen. Dit betekent dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] een bedrag van € 26.012,06 dienen te betalen, aldus steeds [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft zijn vordering ter zitting beperkt tot € 25.000,-.

2.3.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] voeren verweer tegen de vordering.

2.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

2.5.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser in conventie, verweerder in reconventie] veroordeelt tot betaling van € 21.536,64, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.

2.6.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] stellen – kort weergegeven – dat indien zij in conventie worden veroordeeld om een bijdrage te betalen in de kosten van funderingsherstel die door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zijn gemaakt, [eiser in conventie, verweerder in reconventie] ook dient bij te dragen in de door hen gemaakte kosten in het kader van het funderingsherstel. Die kosten bedragen in totaal € 107.683,21. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] is gehouden 20% van die kosten, te weten € 21.536,64 aan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] te betalen. Die kosten dienen dan ook te worden verrekend met het door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in conventie gevorderde bedrag, aldus steeds [gedaagden in conventie, eisers in reconventie]

2.7.

[eiser in conventie, verweerder in reconventie] voert verweer.

2.8.

Op stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

3 Beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

Noodzaak

3.1.

De vordering van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] is gegrond op artikel 5:65 BW. Dit artikel bepaalt dat mandelige zaken op kosten van alle mede-eigenaars moeten worden onderhouden, gereinigd en, indien nodig, vernieuwd. Voor toepassing van dit artikel dient te worden beoordeeld of het funderingsherstel van de mandelige muur noodzakelijk was. Is dit immers niet het geval, dan geldt uitsluitend artikel 3:170 BW (Hof Amsterdam 27 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:94). [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hebben het standpunt van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dat het noodzakelijk was de fundering te herstellen, betwist. Zij worden daarin echter niet gevolgd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.2.

Hoewel de in artikel 5:65 BW bedoelde noodzaak niet te snel kan worden aangenomen, betekent dit– anders dan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] lijken te stellen – niet dat alleen dan sprake is van noodzaak indien een reëel en acuut gevaar bestaat voor ernstige schade en de uitkomst van onderling overleg en eventueel een beslissing van de kantonrechter op grond van artikel 3:168 lid 2 BW niet kan worden afgewacht.

3.3.

In dit geval kwam uit het casco-funderingsonderzoek naar voren dat de draagkracht van de fundering niet voldeed aan de prestatie-eis als bedoeld in het Bouwbesluit 2012. De gemeente heeft de fundering vervolgens gewaardeerd met kwaliteitsniveau IV, wat volgens de gegevens van de gemeente inhoudt dat de kwaliteit van de fundering onvoldoende is en dat die direct moet worden hersteld of vervangen. Vervolgens heeft de gemeente naar aanleiding van het CFO-rapport partijen aangeschreven met het voornemen aan hen een bestuursdwangmaatregel of dwangsom op te leggen. Hoewel [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hebben gesteld dat de conclusies in het CFO-rapport niet juist zijn, hebben zij hun bezwaren ten aanzien van die conclusies niet bij de gemeente kenbaar gemaakt. Integendeel: zij hebben zich aan de uitkomsten van dit rapport geconformeerd en feitelijk daarnaar gehandeld door ook zelf over te gaan tot funderingsherstel. Voor zover [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] thans stellen dat de gemeente alleen heeft opgedragen tot funderingsherstel omdat zij schadevorderingen van omwonenden wilde voorkomen als gevolg van het door haar voorgenomen herstel van de kademuur in de buurt van de panden, geldt dat deze stelling slechts is gebaseerd op een vermoeden. Concrete aanknopingspunten die dit vermoeden ondersteunen ontbreken echter, terwijl Strackee de conclusie van de gemeente dat de fundering van de panden moest worden vernieuwd heeft onderschreven.

3.4.

Voorgaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien rechtvaardigen de conclusie dat funderingsherstel van de panden noodzakelijk was. Dit betekent dat – anders dan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hebben aangevoerd – de regels van artikel 3:170 BW niet van toepassing zijn. De overige hiermee samenhangende verweren van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] behoeven dan ook geen verdere bespreking.

Bijdrageplicht

3.5.

Nu sprake was van noodzaak tot funderingsherstel en vaststaat dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] op zijn kosten tot dat herstel is overgegaan, dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] op grond van artikel 5:65 BW gehouden zijn tot een bijdrage in de herstelkosten die betrekking hebben op de mandelige muur. Daarvoor is van belang dat partijen zich jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en op een zorgvuldige wijze met elkaars belangen om moeten gaan. Dit betekent dat zij in ieder geval te goeder trouw overleg met elkaar zullen moeten voeren met als doel tot overeenstemming te komen over de voor het funderingsherstel wezenlijke aspecten zoals het tijdstip en de wijze van uitvoeren, de keuze van de aannemer, de kosten en de verdeelsleutel voor de bijdrageplicht. Het enkele ontbreken van overeenstemming brengt op zichzelf niet mee dat een partij wordt ontheven van zijn bijdrageplicht als bedoeld in artikel 5:65 BW. De hoogte van die bijdrageplicht kan echter wel worden aangepast of op nihil worden gesteld als wordt vastgesteld dat met de gerechtvaardigde belangen van deze partij onvoldoende rekening is gehouden (ECLI:NL:GHAMS:2015:94).

3.6.

Uit hetgeen hiervoor onder 1.7 is opgenomen blijkt dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in voldoende mate rekening heeft gehouden en zorgvuldig is omgegaan met de belangen van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft geruime tijd geprobeerd met [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in overleg te treden over het funderingsherstel en op allerlei manieren geprobeerd gezamenlijk met hen op te trekken. Zo staat als niet betwist vast dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] heeft aangeboden dat [naam adviseur 2] een offerte mocht maken voor de gehele begeleiding van het funderingsherstel en dat [naam adviseur 1] zich als bouwbegeleider zou terugtrekken, dan wel dat [naam adviseur 1] een verder uitgewerkt plan zou presenteren voor een gezamenlijke aanpak van de fundering waarbij voor [naam adviseur 2] een controlerende rol weggelegd zou zijn. Op deze suggesties hebben [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] niet gereageerd. Verder heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] steeds op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen in verband met het funderingsherstel door hem te informeren welk bedrijf de werkzaamheden zou uitvoeren, wat de kosten hiervan zouden zijn en welk deel aan [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zou worden doorbelast. Ondanks het feit dat het funderingsherstel bij [pand 1] inclusief de mandelige muur ook volgens [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , althans hun adviseur [naam adviseur 2] , door een gerenommeerd bedrijf zou worden uitgevoerd, hebben [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] echter steeds zonder duidelijke reden te kennen gegeven dat zij niet tot gezamenlijk funderingsherstel wilden overgegaan.

3.7.

Het standpunt van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] laat echter onverlet dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] het funderingsherstel van [pand 1] niet kon uitvoeren zonder ook de mandelige muur op te vangen. Voor zover [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zich op het standpunt stellen dat partijen ieder voor 50% voor de opvang van deze muur konden zorgen, geldt dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] met verwijzing naar de rapportage van Strackee onbetwist heeft gesteld dat dat slechts mogelijk was als de betreffende werkzaamheden gelijktijdig en gelijkwaardig zouden worden uitgevoerd. Feitelijk komt de door [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] voorgestelde werkwijze dus neer op het gezamenlijk uitvoeren van funderingsherstel. Gebleken is echter dat dit juist niet mogelijk was, omdat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub1] steeds te kennen gaf niet gezamenlijk te willen optrekken. De mogelijkheid om de mandelige muur ieder voor de helft te funderen is bovendien pas ter sprake gekomen nadat de omgevingsvergunning voor het funderingsherstel (inclusief volledige opvang van de mandelige muur) van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] al onherroepelijk was, terwijl [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] toen nog tot de aanvraag van een omgevingsvergunning moesten overgaan. Gelet op het belang van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] om spoedig met het funderingsherstel te starten – hij was immers reeds begonnen met zijn verbouwing voordat bleek dat funderingsherstel noodzakelijk was en kon daarmee pas verder gaan na uitvoering van het funderingsherstel – kon van hem redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij met het funderingsherstel zou wachten totdat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] daarvoor alsnog een omgevingsvergunning zouden hebben verkregen en de werkzaamheden gelijktijdig konden worden uitgevoerd. Bij deze stand van mocht [eiser in conventie, verweerder in reconventie] dan ook tot volledige opvang van de mandelige muur overgegaan.

3.8.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hebben ook onvoldoende toegelicht welke van hun belangen (anders dan dat zij zelf het funderingsherstel wilden uitvoeren) daarmee zijn geschaad tegen de achtergrond van het feit dat zij hebben erkend dat de muur voor 100% door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] is opgevangen en dat de werkzaamheden deugdelijk zijn uitgevoerd voordat zij startten met de funderingswerkzaamheden van [pand 2] . In dat licht valt niet in te zien waarom [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] alsnog zijn overgegaan tot het gedeeltelijk opvangen van de mandelige muur in plaats van gebruik te maken van het reeds verrichte deugdelijke werk. Niet in geschil is immers dat dit gedeeltelijk opvangen niet meer nodig was en dat dit [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] – die gebruik maakten van dezelfde constructeur als [eiser in conventie, verweerder in reconventie] – bekend was. Het enkele feit dat zij daar – zoals zij hebben aangevoerd – uit juridische overwegingen toch toe zijn overgegaan, kan hen niet ontslaan van enige bijdrageverplichting.

3.9.

Het voorgaande betekent dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zijn gehouden tot een volledige bijdrage van de kosten die [eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft gemaakt aan de fundering van de mandelige muur ten behoeve van [pand 2] . Volgens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] – onderbouwd met de rapportage van Strackee – dienen [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] voor een percentage van 17,6% in de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gemaakte kosten bij te dragen. Nu [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] tegen dat percentage geen verweer hebben gevoerd, zal hiervan worden uitgegaan.

Hoogte kosten

3.10.

[gedaagden in conventie, eisers in reconventie] hebben zich op het standpunt gesteld dat de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gemaakte kosten van € 147.795,80 onredelijk hoog zijn. Zij hebben daarbij echter onvoldoende toegelicht waarom die te hoog zouden zijn, anders dan dat de door hen zelf gemaakte kosten lager waren. Dat de kosten van [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] lager waren, is verklaarbaar, aangezien zij – zoals uit de beslissing op het bezwaar (zie hiervoor onder 1.10) en de e-mail van Beaufort (zie hiervoor onder 1.14) blijkt – geen gebruik meer hoefden te maken van een zogenaamde stalen tafelconstructie en zij bovendien de muur slechts voor 50% hebben opgevangen en niet zoals [eiser in conventie, verweerder in reconventie] voor 100%. Dit betekent dat van de juistheid van de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gemaakte kosten zal worden uitgegaan.

Verrekening/voorwaardelijke reconventie

3.11.

Verder hebben [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] in conventie een beroep gedaan op verrekening met de door hen ten behoeve van [pand 1] gemaakte funderingskosten waarvoor zij een vordering in voorwaardelijke reconventie hebben ingesteld. Nu uit het voorgaande blijkt dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zijn gehouden bij te dragen in de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gemaakte kosten, is aan de voorwaarde voor de vordering in reconventie voldaan en zal die worden behandeld.

3.12.

Het beroep op verrekening wordt verworpen en de vordering in reconventie wordt afgewezen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen kan immers worden afgeleid dat het onbegrijpelijk is dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , nadat duidelijk was dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de muur reeds voor 100% had opgevangen, alsnog zijn overgegaan de muur voor 50% op te vangen. In het licht daarvan hebben zij bij het door hun uitgevoerde funderingsherstel niet voldaan het hiervoor onder 3.5 genoemde vereiste dat zij rekening dienen te houden met de belangen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . Dat zij ervoor hebben gekozen alsnog te funderen, is een omstandigheid die voor hun rekening en risico komt.

Conclusie

3.13.

Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zijn gehouden tot een bijdrageplicht van 17,6% in de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gemaakte kosten van in totaal € 147.795,80. Dit komt neer op een bedrag van € 26.012,-. Nu [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zijn vordering heeft beperkt tot € 25.000,-, zullen [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] worden veroordeeld dit bedrag aan hem te betalen. Gelet op die omstandigheid is de wettelijke rente over dit bedrag slechts toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding, zodat aldus zal worden beslist.

Proceskosten

Bij deze uitkomst van de procedure zullen [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] als de in het ongelijk gestelde partij zowel in conventie als in reconventie worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] . De kosten in conventie worden begroot op:

explootkosten € 99,91

griffierecht € 476,-

salaris gemachtigde € 960,- (2 punten × tarief € 480,-) +

totaal € 1.535,91

3.14.

De door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gevorderde rente over deze kosten vanaf zeven dagen na dagtekening van het vonnis, zal als onbetwist worden toegewezen.

3.15.

De kosten in reconventie zullen worden begroot op € 480,- (2 punten × factor 0,5 × € 480,-) aan salaris gemachtigde.

3.16.

Verder zullen [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] zowel in conventie als in reconventie worden veroordeeld in de nakosten voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden begroot op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

I. veroordeelt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] te betalen een bedrag van € 25.000,- (vijfentwintig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf de dag van de dagvaarding (10 april 2018) tot de dag van volledige betaling,

II. veroordeelt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot op heden begroot op € 1.535,91 inclusief eventueel verschuldigde btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf zeven dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

in reconventie

III. wijst de vorderingen af,

IV. veroordeelt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot op heden begroot op € 480,-,

in conventie en in reconventie

V. veroordeelt [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] , hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden in conventie, eisers in reconventie] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris gemachtigde en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

VI. verklaart de beslissingen onder I, II, IV en V uitvoerbaar bij voorraad,

VII. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, bijgestaan door mr. H.D. Coumou, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019.

De griffier De kantonrechter