Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1081

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
13/993680-18 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 66-jarige leidinggevende van een bedrijf dat ervan werd verdacht tweemaal industriële afsluitringen naar Iran te hebben gestuurd zonder de vereiste vergunning is daarvan vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993680-18 (Promis)

Datum uitspraak: 20 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1952,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.J. Borst, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het door [naam B.V.] tweemaal in strijd met de toepasselijke regelgeving zonder vergunning verkopen, leveren, overdragen of exporteren van goederen naar Iran of aan een Iraanse partij. Het gaat om (zaak 1) 5 gaskets/O-ringen van Viton® op of omstreeks 16 december 2016 en (zaak2) 8 wegdes van PTFE op of omstreeks 10 juni 2016.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3 Vrijspraak

De rechtbank vindt het tenlastegelegde, voor zowel zaak 1 als zaak 2, niet bewezen. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

[naam B.V.] (hierna: [naam B.V.] ) is leverancier van pompen en pomponderdelen. Verdachte was indirect bestuurder en enig aandeelhouder van [naam B.V.] en verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de onderneming.

Zaak 2

Op 10 juni 2016 is de zending met nummer [nummer] , die onder andere bestond uit 8 wedges (PFTE), bestemd voor een eindgebruiker in Iran, door de douane gestopt en zijn aanvullende vragen gesteld over de zending aan verdachte. Voor die zending was op 3 maart 2016 een vergunning aangevraagd, waarop op 10 juni 2016 nog niet was beslist. [naam B.V.] beschikte op dat moment dus niet over de benodigde vergunning. De douane heeft de zending op 30 juni 2016 vrijgegeven, waarna de zending is uitgevoerd.

Zaak 1

Op 16 december 2016 heeft de douane de zending met nummer [nummer] , met onder andere een zakje met vijf gaskets/ O-ringen (gemaakt van Viton®) stopgezet vanwege een mogelijke overtreding van de sanctiewetgeving op Iran. De verzender was [naam B.V.] en de geadresseerde [geadresseerde] te Iran. Voor deze zending was een vergunning vereist, maar niet verleend. Na onderzoek is de zending terug gestuurd naar [naam B.V.] .

Zijn de goederen verkocht, geleverd, overgedragen of geëxporteerd op/omstreeks de tenlastegelegde dag?

Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. De verkoopovereenkomst van de vijf Viton® ringen was perfect op het moment dat [naam B.V.] de bestelling van [geadresseerde] heeft aanvaard. Dat was ruim voor de stopzetting op 16 december 2016. Ook de verkoop van de 8 wedges van zaak 2 was ruim voor de controle door de douane op 10 juni 2016 plaatsvond voltooid. Voor zaak 2 geldt dat uit het dossier niet blijkt wanneer de zending is geleverd of is overgedragen. Dit zal in elk geval niet voor de vrijgave door de douane op 30 juni 2016 zijn geweest. De levering/overdracht heeft dus niet op of omstreeks de tenlastegelegde dag plaatsgevonden. Voor zaak 1 geldt dat de zending in het geheel niet is geleverd of overgedragen aan de geadresseerde omdat de zending terug is gestuurd aan [naam B.V.] .

De rechtbank dient zich vervolgens de vraag te stellen of de zendingen op de tenlastegelegde data zijn geëxporteerd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er op grond van de artikelen 158 en 172, tweede lid van het Douanewetboek van de Unie1 (hierna: DWU) sprake is van voltooide export. Zij heeft ook verwezen naar twee uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 24 april 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:3298 en 3300).

In zaak 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat op het moment dat de uitvoeraangifte is aanvaard, wat in die zaak op 16 december 2016 was, de export is voltooid. In zaak 2 heeft de officier van justitie er op gewezen dat die zending 10 juni 2016 door de douane is gestopt.

Artikel 158, derde lid, DWU bepaalt voor zover van belang:

Uniegoederen die zijn aangegeven voor uitvoer [..] bevinden zich onder douanetoezicht vanaf de aanvaarding van de in lid 1 bedoelde aangifte totdat zij het douanegebied van de Unie verlaten […].

Artikel 172 DWU bepaalt:

1. Douaneaangiften die aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoen, worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten aanvaard, voor zover de desbetreffende goederen bij de douane zijn aangebracht.

2. De datum van aanvaarding van de douaneaangifte door de douaneautoriteiten is, tenzij anderszins is bepaald, de datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven en voor alle andere invoer- of uitvoerformaliteiten.

Artikel 269 DWU lid 1 bepaalt:

1. Uniegoederen die het douanegebied van de Unie verlaten, worden onder de regeling uitvoer geplaatst.

Het Handboek Douane vermeldt in § 2.3:

‘Verlaten van het douanegebied van de Unie’ houdt in dat grens van het douanegebied van de Unie wordt overschreden.

Deze bepalingen in onderling verband duiden erop dat met de aangifte de goederen weliswaar onder toezicht van de douane vallen maar dat voor de uitvoer nodig is dat de goederen feitelijk de grens van het douanegebied overschrijden. Dat wordt ook onderstreept door artikel 5:1 van de Algemene douanewet waarin kort gezegd is opgenomen dat goederen die zich in schepen of luchtvaartuigen bevinden die op het punt van vertrek staan worden aangemerkt als goederen die “het douanegebied van de Unie zullen uitgaan”. Dat betekent dat die goederen dus nog niet worden aangemerkt als goederen die het douanegebied al hebben verlaten. De door de officier van justitie aangehaalde rechtspraak maakt dat niet anders. Die rechtspraak heeft geen betrekking op uitvoer, maar betreft de doorvoer van strategische goederen. Het Besluit strategische goederen bevat in artikel 3 een eigen definitie van doorvoer, waardoor ook goederen die de grens nog niet hebben overschreden onder het begrip doorvoer worden gebracht. Een dergelijke verruimende definitie van het begrip export of uitvoer ontbreekt in DWU, de Algemene Douanewet, de EU-Verordening 267/2012 en de Sanctieregeling Iran 2012.

Naar het oordeel van de rechtbank is er op het moment van aangifte voor uitvoer daarom nog geen sprake van voltooide export. In zaak 1 bevond de zending zich op 16 december 2016 nog onder het toezicht van de douane en binnen het douanegebied van de Unie. De zending is namelijk stopgezet en niet naar Iran, en dus buiten het douanegebied van de Unie, vervoerd. In zaak 2 had de zending weliswaar het douanegebied van de Unie verlaten, maar dit is pas gebeurd op 30 juni 2016 en niet op of omstreeks 10 juni 2016. Om die reden kan de rechtbank ook voor de export van die goederen niet tot een bewezenverklaring komen.

4 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.L. Lugthart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2019.

1 Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie