Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1076

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
22-02-2019
Zaaknummer
13/741292-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft geprobeerd de slachtoffers van het leven te beroven door meermalen met een mes op de slachtoffers in te steken, waarbij de slachtoffers ernstig gewond zijn geraakt. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans aanvaard dat de slachtoffers om het leven zouden komen. Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan opzetheling en mishandeling van een verbalisant. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar en TBS-maatregel met dwangverpleging (weigerende observandus).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/741292-17 (Promis)

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] , thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [huis van bewaring] ” te [plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
5 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van der Willigen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. P.J. Roelse naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 5 februari 2019 – ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet naar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is/zijn toegegaan, waarna hij, verdachte en/of zijn mededaders (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de nek en/of in het hoofd en/of in de arm(en) en/of in de rug en/of in een bil, in elk geval (meermalen) in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke voren omschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een (poging) diefstal in vereniging, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(Artikel 288/45 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair:

hij op of omstreeks 10 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, de Oosterdokskade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer camera('s) en/of camera-toebehoren, in elk geval enig(e) goed(eren), die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, naar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de nek en/of in het hoofd en/of in de arm(en) en/of in de rug en/of in een bil, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermalen) heeft/hebben gestoken en/of gesneden;

(Artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 10 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op of aan de openbare weg, de Oosterdokskade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meer camera('s) en/of camera-toebehoren, in elk geval enig(e) goed(eren), dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, naar voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is toegegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in de nek en/of in het hoofd en/of in de arm(en) en/of in de rug en/of in een bil, in elk geval in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (meermalen) heeft/hebben gestoken en/of gesneden;

(Artikel 312/45 Wetboek van Strafrecht)

2. (gevoegde zaak 13/741143-17)

hij op enig tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 13 juni 2017 tot en met 15 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (Snor)scooter (gekentekend [kenteken] ), geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, die weg te nemen (snor)scooter onder zijn, verdachtes bereik heeft gebracht door een middel van een of meer valse sleutel(s) (te weten een sleutel die nog in het contactslot van die (snor)scooter)zat);

(artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht)

subsidiair:

hij op of omstreeks 15 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een (snor)scooter (gekentekend [kenteken] ) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist en/of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 jo 417 bis van het Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 15 juni 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een ambtenaar, [naam verbalisant 1] (dienstdoende als hoofdagent bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door voornoemde [naam verbalisant 1] (met kracht) een of meermalen in zijn gezicht/gelaat te slaan en/of stompen.

(artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. Verdachte heeft samen met de mededader geprobeerd om de goederen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te stelen. Zij zijn gezamenlijk op de slachtoffers afgerend, hadden het beide voorzien op de goederen van de slachtoffers en zijn vervolgens ook samen weggerend. Toen [slachtoffer 1] zich verzette en hij de mededader bij zijn benen had vastgepakt, heeft verdachte geprobeerd om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven door hen meerdere malen met een scherp en puntig voorwerp in het lichaam te steken. Verdachte heeft de slachtoffers in het wilde weg gestoken en ze hierbij op bijzonder gevaarlijke plekken geraakt, zoals de nek, rug en schedel. Hierbij had verdachte vitale organen kunnen raken, waardoor de slachtoffers hadden kunnen komen te overlijden. Verdachte heeft hiermee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de dood zou intreden. De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte voor de poging doodslag alleen verantwoordelijk is, omdat niet kan worden vastgesteld dat de mededader de slachtoffers ook heeft gestoken. De poging tot doodslag is gepleegd om de poging tot diefstal in vereniging gemakkelijk te maken, om straffeloos te blijven en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde, te weten diefstal en heling van de scooter. Er zit geruime tijd tussen de diefstal en het aantreffen van verdachte op de scooter, zodat diefstal niet bewezen kan worden. Ook voor heling bevat het dossier te weinig bewijs. Het aantreffen van verdachte op de scooter en de leugenachtige verklaring van verdachte is daarvoor onvoldoende.

De officier van justitie heeft verder betoogd dat de onder 3 ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen op basis van de aangifte van [naam verbalisant 1] , de letselverklaring en het proces-verbaal van bevindingen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten poging moord/doodslag, stelt de raadsman dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte het voornemen of het opzet had, ook niet in voorwaardelijke vorm, op de dood van de slachtoffers. Verdachte heeft zich niet willens en wetens blootgesteld aan de aanmerklelijke kans dat het gevolg, de dood, zou intreden en heeft dit gevolg ook niet bewust aanvaard. Bovendien kan niet worden vastgesteld wie precies bij welke aangever de verwondingen heeft aangebracht.

Verder heeft de raadsman betoogd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor de onder 1 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde (poging) diefstal met geweld. Het is onduidelijk of en wat er precies door wie is weggenomen.

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 primair en subsidiair, te weten de diefstal en heling van de scooter heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feit 1

4.3.1.1 Inleiding

Op 10 september 2017 omstreeks 00.05 uur ontvingen verbalisanten de melding dat een steekpartij had plaatsgevonden op de Oosterdokkade in Amsterdam. Ter plaatse troffen de verbalisanten twee jongens aan, zittend op een bankje. Dit bleken de slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Uit de rechter bovenarm van [slachtoffer 1] stak een lemmet van een mes. Beide slachtoffers zaten onder het bloed.

De slachtoffers zijn overgebracht naar respectievelijk het OLVG en het VU medisch centrum. Bij [slachtoffer 1] werd een steekwond in de linkerwang, een steekwond op de voorzijde van het hoofd, twee steekwonden in de nek en een wond aan de rechter duim vastgesteld. Ook werd in zijn rechter bovenarm een mes aangetroffen. Bij [slachtoffer 2] werden zeven steekwonden aangetroffen, twee in zijn rug, drie a vier in zijn linker bil en één in zijn linker onderarm.

De slachtoffers hebben hierover het volgende verklaard. Zij waren op de bewuste avond aan het fotograferen in Amsterdam en gekomen bij de Oosterdokkade werden zij plots, uit het niets, aangevallen door twee mannen, te noemen NN1 en NN2. NN2 greep naar de camera en probeerde daarmee weg te komen, maar werd door [slachtoffer 1] tegengehouden en vastgehouden aan zijn benen. Op dat moment zag [slachtoffer 1] dat NN1 een mes in zijn handen had en dat hij met zijn arm een beweging in zijn richting maakte. Toen [slachtoffer 1] opstond en weg wilde rennen merkte hij dat hij gestoken was. [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag en de benen van NN2 vasthield en dat NN1 op dat moment aan het insteken was op [slachtoffer 1] . Op het moment dat [slachtoffer 2] zijn vriend te hulp schoot door NN1 te fixeren, werd hij zelf een aantal keer door NN1 gestoken. Daarna zijn NN1 en NN2 samen weggerend. Zij hebben NN1 omschreven als een negroïde man, met dreadlocks en donkere kleren. NN2 hebben zij omschreven als een man van Marokkaanse afkomst, met kort gekruld haar. Hij droeg een groengeel trainingspak. [slachtoffer 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij NN1 die avond een aantal keer eerder had gezien en dat zij toen ook oogcontact hebben gehad.

De slachtoffers hebben verklaard dat door NN1 en NN2 goederen zijn weggenomen dan wel dat goederen als gevolg van het incident door hun toedoen zijn beschadigd. [slachtoffer 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij verdachte herkent als NN1.

De getuige [naam getuige 1] heeft waargenomen dat er een ruzie was tussen vier personen, dat twee Aziatische mannen op de steiger liepen en dat twee andere mannen, waarvan één persoon met rastahaar, de andere kant op waren gerend. De getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat zij geschreeuw hoorde, dat zij zag dat meerdere personen op de steiger stonden en ruzie hadden en dat twee slachtoffers die onder het bloed zaten haar richting op kwamen rennen. Zij heeft vervolgens de politie gebeld. De slachtoffers zijn op een bankje gaan zitten, waar zij later door de verbalisanten zwaar gewond werden aantroffen.

Er is forensisch onderzoek verricht naar de op de plaats delict aangetroffen bloedspatten en de op de daar aangetroffen dreadlocks. Het verkregen DNA profiel van één van de dreadlocks matcht met het DNA profiel van verdachte. Ook is op de plaats delict een bloedspoor aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte.

Verdachte heeft erkend dat hij die bewuste avond samen met een kennis, die bij hem bekend is onder de naam “ [naam 2] ”, op de steiger op de Oosterdokkade was. Volgens verdachte zijn zij in gesprek geraakt met twee Aziatische jongens (de slachtoffers) en is het tot een confrontatie gekomen met deze jongens. Verdachte heeft verklaard dat hij geen mes op zak had en de slachtoffers niet heeft gestoken.

4.3.1.2 De rol van verdachte

Gelet op de hiervoor beschreven toedracht van het incident kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn, dan dat de geconstateerde steekverwondingen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn ontstaan tijdens de confrontatie tussen de slachtoffers met verdachte en de onbekend gebleven man. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of ook kan worden bewezen dat verdachte de persoon is die het bij de slachtoffers geconstateerde letsel heeft toegebracht.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en baseert dat oordeel op het volgende. De verklaringen die de slachtoffers bij de politie en bij de rechter-commissaris hebben afgelegd zijn consistent en komen op belangrijke punten met elkaar overeen. Beide slachtoffers hebben verklaard dat NN1, de negroïde man met dreadlocks, te weten verdachte, de persoon was die een scherp voorwerp in zijn handen had en lukraak op de slachtoffers heeft ingestoken. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan deze verklaringen te twijfelen. De verklaringen worden ook ondersteund door de foto’s van het letsel en de uitgebreide letselverklaringen in het dossier, waaruit blijkt dat zij tal van steekverwondingen hebben opgelopen op willekeurige plekken op het lichaam.

Hiertegenover staat de verklaring van verdachte dat hij samen met “ [naam 2] ” voor € 250,- nepdope zou hebben verkocht aan de slachtoffers en dat de slachtoffers, nadat zij hier achter kwamen verdachte naar de grond zouden hebben gewerkt, op hem zouden zijn gaan liggen, op zijn hoofd zouden hebben ingeslagen en dat hij als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen. De verklaring van verdachte staat niet alleen haaks op de verklaringen van de slachtoffers, maar wordt ook verder niet ondersteund. Verdachte heeft nagelaten de politie gegevens te verstrekken over “ [naam 2] ”, zodat geen nader onderzoek naar diens betrokkenheid kon worden verricht. Ook heeft verdachte nagelaten zijn letsel door een arts te laten beschrijven in een verklaring, noch heeft hij aangifte gedaan van mishandeling. Daar komt bij dat verdachte deze verklaring pas een jaar na het incident heeft afgelegd. In eerste instantie heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen en heeft hij ontkend dat hij iets met het incident te maken heeft gehad. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dan ook volstrekt ongeloofwaardig.

De rechtbank acht, op basis van de verklaringen van de slachtoffers alsmede de letselverklaringen, bewezen dat verdachte de persoon is geweest die steekverwondingen bij de slachtoffers heeft toegebracht door met een mes op hen in te steken. Er zijn aanwijzingen dat de onbekend gebleven dader (NN2) de slachtoffers ook heeft gestoken. Het dossier bevat echter onvoldoende bewijs om dit ook vast te kunnen stellen. De rechtbank acht medeplegen daarom niet bewezen.

4.3.1.3 Vrijspraak poging moord

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank poging tot moord niet bewezen, nu niet is gebleken dat verdachte de slachtoffers bewust heeft opgezocht met de bedoeling hen te doden.

4.3.1.4 Poging doodslag

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van de slachtoffers.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van het slachtoffer, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van een aanmerkelijke kans dat de slachtoffers zouden komen te overlijden. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , alsmede uit de letselverklaringen, kan worden afgeleid dat verdachte in het wilde weg met een mes heeft ingestoken op de slachtoffers en dat zij als gevolg daarvan ernstige steekverwondingen op bijzonder gevaarlijke plekken hebben opgelopen onder meer in het hoofd, de nek, en de rug. Naar algemene ervaringsregels had dit gemakkelijk kunnen leiden tot de dood, gezien de vitale organen die zich daar bevinden. Dat het voor de slachtoffers uiteindelijk nog redelijk goed is afgelopen is niet te danken aan verdachte. Verdachte heeft de slachtoffers gedurende een worsteling meermalen en op willekeurige plekken gestoken. Door aldus te handelen ontstond een aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers. De gedragingen van verdachte zijn voorts naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op de dood van de aangevers dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van aangevers ook bewust heeft aanvaard.

Er is geen sprake van medeplegen, nu uit het dossier niet is gebleken van een vooropgezet plan op de poging doodslag of anderszins van een nauwe en bewuste samenwerking met dat doel tussen verdachte en de onbekend gebleven persoon. Verdachte zal daarom van dit onderdeel worden vrijgesproken.

4.3.1.5 Medeplegen poging tot diefstal

Uit de verklaringen van de slachtoffers kan worden geconcludeerd dat verdachte en de onbekend gebleven mededader samen op de slachtoffers zijn afgerend en zich daarbij in eerste instantie hadden gericht op de goederen van de slachtoffers. Verdachte wilde het statief pakken en de mededader heeft de camera gepakt. Op het moment dat aangever [slachtoffer 1] de mededader wilde tegenhouden door hem bij zijn benen vast te pakken, heeft verdachte ervoor gezorgd dat zijn mededader weg kon komen uit de greep van [slachtoffer 1] door op hem in te steken, kennelijk om de uitvoering van de voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, het bezit van het gestolene te verzekeren dan wel straffeloos te blijven. Verdachte en de mededader zijn vervolgens samen gevlucht. Nu uit de inhoud van het dossier niet precies duidelijk is geworden of er goederen daadwerkelijk door verdachten zijn weggenomen acht de rechtbank bewezen dat verdachte en zijn mededader in ieder geval samen hebben gepoogd de goederen van de slachtoffers weg te nemen.

4.3.2

Feiten 2 en 3

Feiten en omstandigheden

Verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] hebben in het proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat zij verdachte op 15 juni 2017 hebben zien rijden op een snorscooter met kenteken [kenteken] . Uit onderzoek in de politiesystemen bleek dat de snorscooter als gestolen stond gesignaleerd. Verbalisanten wilden verdachte vervolgens aanhouden waarop [naam verbalisant 2] riep: “Politie, je bent aangehouden”. De verbalisanten hebben verdachte vervolgens vastgepakt, waarop verdachte zich losrukte en hij verbalisant [naam verbalisant 1] met gebalde vuist en met kracht op zijn mond stompte. [naam verbalisant 1] voelde vervolgens een hevige pijnscheut door zijn bovenlip gaan. Verdachte probeerde zich aan zijn aanhouding te onttrekken door weg te lopen. Verbalisanten hebben verdachte vervolgens opnieuw vastgepakt en naar de grond gewerkt.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niet op de snorscooter heeft gereden en dat hij de snorscooter aldaar had zien staan met de sleutels in het contact. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een briefje op de snorscooter wilde plakken voor de eigenaar met daarop de boodschap dat hij in het bezit was van de sleutels. Verdachte zegt dat hij de scooter niet heeft gestolen.

Ter terechtzitting van 5 februari 2019 heeft verdachte verklaard dat hij niet op de scooter heeft gereden, maar dat hij wel op de scooter heeft gezeten, omdat er geen andere plek was om op te zitten terwijl hij op de pont wachtte. Hij zag de scooter daar bij de pont staan met sleutels erin. Verdachte heeft verder verklaard dat hij de agent niet heeft geslagen.

Feit 2

Vrijspraak diefstal snorscooter

Gelet op de tijd tussen de diefstal van de scooter op 12 juni 2017 en het aantreffen van verdachte op de scooter op 15 juni 2017 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte de snorscooter heeft gestolen. Verdachte wordt daarom van de ten laste gelegde diefstal vrijgesproken.

Heling snorscooter

Gelet op de op ambtseed opgemaakte verklaringen van verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , dat zij verdachte hebben zien rijden, afstappen en weer gaan zitten op de snorscooter, kan de rechtbank niet anders dan de verklaring van verdachte bestempelen als in strijd met de bewijsmiddelen in het dossier en dus als kennelijk leugenachtig. Verdachte heeft niet alleen gelogen over de plaats waar hij de snorscooter onder zich heeft gekregen en over het feit dat hij op de snorscooter heeft gereden, maar hij heeft vervolgens ook getracht zich te onttrekken aan zijn aanhouding door verbalisant [naam verbalisant 1] met gebalde vuist in het gezicht te stompen en vervolgens weg te lopen. De rechtbank leidt uit de uiterlijke verschijningsvorm van het gedrag van verdachte af dat hij kennelijk reden had om de herkomst van de snorscooter te verhullen en dus wist dat het om een door misdrijf verkregen goed ging. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de onder 2 subsidiair laste gelegde opzetheling is bewezen.

Feit 3

Mishandeling verbalisant

De rechtbank acht op grond van het voorgaande voorts bewezen dat verdachte verbalisant [naam verbalisant 1] heeft mishandeld door hem met de vuist in het gezicht te stompen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 1

op 10 september 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet naar voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is toegegaan waarna hij, verdachte vervolgens meermalen, met een mes, in het gezicht en in de nek en in het hoofd en in de armen en in de rug en in een bil, van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke voren omschreven poging tot doodslag werd vergezeld en voorafgegaan van een poging diefstal in vereniging, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

feit 2 subsidiair

op 15 juni 2017 te Amsterdam, een snorscooter (gekentekend [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 3

op 15 juni 2017 te Amsterdam, een ambtenaar, [naam verbalisant 1] , dienstdoende als hoofdagent bij de Nationale Politie, eenheid Amsterdam, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door voornoemde [naam verbalisant 1] met kracht in zijn gezicht te stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging. Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van zes jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat op grond van de over verdachte opgemaakte persoonlijkheidsrapportages niet kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, laat staan dat vastgesteld kan worden dat dit bestond ten tijde van het ten laste gelegde. De eerder opgemaakte rapporten bieden onvoldoende basis om TBS met dwangverpleging op te leggen. De raadsman heeft verzocht aan verdachte een straf op te leggen conform de duur van het voorarrest met daarbij een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en verplicht reclasseringscontact als bijzondere voorwaarde.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1

Motivering van de op te leggen gevangenisstraf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte heeft geprobeerd de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven door meermalen met een mes op de slachtoffers in te steken, waarbij de slachtoffers ernstig gewond zijn geraakt. Zij zijn onder meer geraakt in het hoofd, de nek, de wang en de rug. Door aldus te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een buitengewoon ernstig misdrijf, waarbij hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de slachtoffers hierbij daadwerkelijk om het leven zouden komen. Dat dit niet is gebeurd is een omstandigheid die geenszins aan hem is te danken. Het had het heel anders - mogelijk fataal - af kunnen lopen. Aan deze poging tot doodslag is een poging tot diefstal in vereniging voorafgegaan. Op het moment dat de voorgenomen diefstal dreigde te mislukken is verdachte met een mes op de slachtoffers in gaan steken, zoals hiervoor beschreven.

Door zijn handelen heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, die voor hun leven hebben gevreesd. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote impact hebben op slachtoffers, hetgeen ook blijkt uit de ter terechtzitting van 5 februari 2019 voorgedragen slachtofferverklaringen. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] volgt namelijk dat het incident zijn leven voorgoed heeft veranderd. Hij kampt nog altijd met de gevolgen van de onverhoedse aanval. Hij lijdt aan slapeloosheid, nachtmerries en PTSS klachten. Hij heeft last van concentratieproblemen en hij ondervindt ook fysieke klachten van de wond in zijn nek. Het litteken op zijn gezicht doet hem dagelijks herinneren aan het incident.

Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat het gewelddadig handelen van verdachte ook een enorme impact heeft gehad op zijn leven. Hij heeft steekwonden in zijn linkerarm, rug en linkerbeen opgelopen. Hij heeft na het incident lang niet kunnen studeren, werken of sporten. Hij heeft hierdoor studievertraging opgelopen. Hij heeft last gehad van slapeloosheid, nachtmerries, paniekaanvallen en concentratieproblemen. Bij het slachtoffer is PTSS geconstateerd, waarvoor hij EMDR-sessies heeft gevolgd.

De rechtbank houdt er verder rekening mee dat het onder 1 bewezen verklaarde feit een ernstige geweldsdelict is met een voor de rechtsorde schokkend karakter, dat leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. De gebeurtenis heeft zich daarbij ook nog eens afgespeeld op de openbare weg, zodat omstanders er ongewild getuige van waren. Ook wakkeren dit soort delicten niet zelden gevoelens van woede en verontwaardiging aan in de samenleving. Ook dit moet de verdachte worden aangerekend.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte nauwelijks inzicht heeft getoond in het verwerpelijke karakter van zijn handelen. Door zijn proceshouding heeft verdachte ook naar de slachtoffers toe er geen enkele blijk van gegeven in te zien welke ernstige gevolgen zij van zijn handelen hebben ondervonden.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een snorscooter. Bij de aanhouding van verdachte voor dat feit heeft verdachte de verbalisant mishandeld door hem op zijn bovenlip te stompen. Wederom een naar geweldsincident dat op de openbare weg heeft plaatsgevonden.

Ook uit het strafblad van verdachte van 8 januari 2019 alsmede uit de over verdachte opgemaakte rapportages (welke hierna uitgebreid aan de orde zullen komen) blijkt dat hij meermalen is veroordeeld voor geweldsdelicten. Het is duidelijk dat verdachte geen geweld schuwt.

In beginsel is gelet op de ernst van feit 1 en het strafblad van verdachte een gevangenisstraf van vele jaren passend. Zoals hierna zal worden toegelicht acht de rechtbank het echter tevens noodzakelijk om aan verdachte de TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf houdt de rechtbank daarmee rekening.

8.3.2

Motivering van de op te leggen TBS-maatregel met dwangverpleging

TBS met dwangverpleging

De maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden. Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien het hiervoor bedoelde gevaar voor recidive van ernstige aard is kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr). Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37 lid 2 Sr). Indien de verdachte, zoals in dit geval, zijn medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van de maatregel van TBS de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek. Dit neemt niet weg dat vereist blijft dat vastgesteld moet worden dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder deze vaststelling is oplegging van TBS niet mogelijk.

Het is aan de rechtbank om die vaststelling te doen. Die vaststelling kan worden gegrond op bevindingen, conclusies en adviezen van gedragsdeskundigen die zijn vervat in door deze opgestelde rapporten, ook als die rapporten niet zijn opgesteld in het kader van de onderhavige strafzaak.

De verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het in de onderhavige zaak gelaste onderzoek naar de persoon van de verdachte door de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (PBC). Door hen is terzake rapport uitgebracht. In het strafdossier van de verdachte bevinden zich voorts diverse rapporten die zijn opgemaakt in het kader van eerdere verdenkingen en veroordelingen van de verdachte. De rechtbank ontleent aan deze rapporten, alsmede aan voormeld PBC-rapport, het volgende.

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van verdachte onder meer acht geslagen op het Pro Justitie rapport van psychiater Wesselius van 5 oktober 2015. Dit rapport is opgemaakt ten behoeve van een verdenking van poging tot doodslag door het slachtoffer met een mes in de rug/borst te steken. Wesselius komt tot de volgende bevindingen. Met betrekking tot de persoonlijkheidsontwikkeling zijn er sterke aanwijzingen dat er gebreken in de opvoeding zijn geweest tijdens het opgroeien van verdachte, in de zin van affectieve en normatieve verwaarlozing. Verdachte laat een patroon van antisociaal gedrag zien. Hierbij is sprake van een verminderde gewetensfunctie jegens delictgedrag en van verminderde empathie jegens slachtoffers. In die zin kan er gesproken worden van antisociale trekken of antisociaal gedrag. Verdachte heeft een copingstijl ontwikkeld waarbij fysieke agressie een mogelijkheid is om een probleem op te lossen. Er zijn aanwijzingen dat verdachte een cognitieve beperking heeft. Op basis van het gevalideerde risicotaxatie instrument HCR-20 wordt de kans op recidive van een vergelijkbaar delict als hoog ingeschat.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van psychiater Neeleman van 14 februari 2018 waarin staat beschreven dat verdachte afkomstig is uit een pro crimineel milieu en dat verdachte in steeds hogere frequentie en met een toenemend geweldscomponent in contact komt met justitie. Er is ondanks vele rapportagepogingen nauwelijks enig begrip van het hoe en waarom van zijn recidiverende antisociale gedrag. Er is getracht een verband te leggen tussen een vermeend laag IQ en zijn antisociale gedrag, maar vooralsnog bestaat daarover geen duidelijkheid. De rol van zijn epilepsie in zijn gedragspatroon is eveneens onduidelijk.

Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 15 januari 2019 maakt de rechtbank het volgende op. Verdachte is opgegroeid in een gezin waarvan de moeder bekend was met een borderline persoonlijkheidsstoornis en zij een aantal jaren afwezig was, omdat zij een gevangenisstraf moest uitzitten. Toen verdachte 15 jaar oud was zijn, zijn ouders officieel van elkaar gescheiden. Vader moest na de scheiding terug naar Suriname, waardoor voor verdachte een steunfiguur wegviel.

Op 17-jarige leeftijd kwam verdachte voor het eerst in aanraking met justitie. Hij werd op 18 oktober 2004 veroordeeld voor een straatroof en diefstal vergezeld van geweld en afpersing. Het reclasseringsrapport van 2008 vermeldt dat verdachte vanaf 19 mei 2004 door de reclassering werd begeleid in het kader van Maatregel Hulp en Steun (MHS) met 150 uur mediumtraining. De mediumtraining werd positief afgerond, maar de MHS werd in december 2004 terug gemeld, omdat verdachte en moeder zich niet aan de voorwaarden hielden. Op 18 jarige leeftijd kwam verdachte voor het eerst in detentie.

Op 12 april 2007 werd verdachte veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen gepleegd, tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Op 10 juni 2008 werd hij in hechtenis genomen wegens diefstal met geweld, waar hij op 3 november 2008 voor werd veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Op 9 juni 2014 is verdachte aangehouden omdat hij gesignaleerd stond. Tijdens de fouillering werd er in zijn broekzak een mes aangetroffen.

Op 15 november 2014 werd verdachte aangehouden wegens poging zware mishandeling (met een mes) en diefstal uit een woning.

Op 16 juni 2015 werd verdachte verdacht van het neersteken van een medebewoner van het Instroomhuis van HVO Querido, voor welk feit hij door de rechtbank op 16 maart 2016 werd veroordeeld wegens poging doodslag tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Verdachtes levensloop wordt vanaf zijn puberteit getekend door contacten met politie en justitie. Hij komt hierdoor geregeld in aanraking met hulpverlenende instanties waarbij getracht wordt hem te begeleiden en verder delictgedrag te voorkomen. Deze begeleidingstrajecten strandden uiteindelijk allemaal vanwege zijn beperkte medewerking en motivatie.

Beschreven wordt dat verdachte moeite heeft met autoriteit en om zich aan gemaakte afspraken te houden. In 2017 komt ook de behandeling bij De Waag onvoldoende van de grond, vanwege onvoldoende continuïteit van de behandelafspraken en moeilijkheden rondom het opbouwen van een vertrouwensrelatie. Poliklinische behandeling wordt als onvoldoende toereikend gezien om gedragsverandering te bewerkstelligen.

Uit eerder onderzoek in 2014 blijkt dat er bij verdachte sprake zou zijn van een verstandelijke beperking, maar omdat hij binnen het huidige onderzoek niet heeft meegewerkt aan intelligentieonderzoek is onvoldoende zicht verkregen op zijn actuele cognitieve vermogens.

Verdachte verblijft in zijn leven veel in detentie en is ook herhaaldelijk dakloos. Het lijkt hem niet te lukken om stabiliteit te bereiken op de diverse levensterreinen zoals opleiding, werk, relaties en huisvesting.

Psychiater L.J.H. Kuipers en psycholoog L. Vermeulen van het PBC concluderen dat er veel aanwijzingen zijn dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Bij verdachte zien rapporteurs meerdere risico-factoren voor geweldsdelicten, terwijl er nauwelijks tot geen protectieve factoren aanwezig zijn.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 4 februari 2019, opgemaakt door M. Dort waarin het volgende opvalt. Het recidiverisico is ingeschat op basis van onder andere de OXREC (Oxford Risk of Recidivism tool), een actuarieel instrument dat het risico op algemene- en geweldsrecidive meet. Op basis van alle risicofactoren, beschermende factoren en de gebruikte wetenschappelijke verdiepende instrumenten komt de reclasseringswerker tot een inschatting van het risico op recidive dat wordt ingeschat als hoog.

Ook het risico op letselschade en het risico op onttrekken aan voorwaarden worden als hoog ingeschat. De reeds ingezette interventies hebben tot op heden niet geleid tot afname van zijn justitiecontacten. Verdachte heeft zich in het verleden meermalen niet of onvoldoende gehouden aan de voorwaarden. De reclassering ziet onvoldoende mogelijkheden om begeleiding/behandeling in een ambulant forensisch kader te indiceren of om verdachte in zo’n kader te begeleiden/behandelen.

Hulpverlening is echter wel noodzakelijk gezien de multi-problemen binnen de leefsituatie van verdachte. Het door de broer van verdachte gesignaleerde wantrouwen en de achterdocht in de persoonlijkheid van verdachte worden herkend door de reclassering, terwijl zijn wantrouwen ook in het observatieverslag van het PBC opvalt.

Conclusie

Verdachte heeft in 2015, 2017, 2018 en 2019 geweigerd mee te werken aan het opstellen van gedragskundige rapportages. Aan ingezette hulptrajecten heeft hij onvoldoende meegewerkt terwijl hij is gerecidiveerd in de proeftijd van een veroordeling wegens poging tot doodslag door het steken met een mes.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte gedurende een langjarige periode kampt met een terugkerend onvermogen zijn gevoelens van agressie adequaat te reguleren. Reeds in 2004 wordt het gevaar onderkend dat de verdachte zijn emoties gaat uiten in agressie en mislukt een Maatregel Hulp en Steun. Gelet op het verloop van de periode 2014-2016 is door de reclassering met het oog op het beteugelen van recidivegevaar de noodzaak van therapeutische begeleiding en ondersteuning benadrukt. Tot een (psychiatrische) behandeling is het evenwel niet gekomen door gebrek aan medewerking van verdachte.

Ook de onder 1 en 3 bewezen geachte feiten zijn naar hun aard evident agressief, terwijl uit de justitiële documentatie en de rapportage blijkt van een delictpatroon, waarbij verdachte in steeds hogere frequentie en met toenemend geweld in aanraking komt met politie en justitie. Verdachte lijkt problemen en ruzies te beslechten door middel van geweld. Bij verschillende geweldsincidenten heeft verdachte een mes ter hand genomen en zijn slachtoffers ernstig verwond.

Naar aanleiding van een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte is in het bestek van deze strafzaak gerapporteerd door aan het PBC verbonden deskundigen, zoals hiervoor op onderdelen is weergegeven. De psychiater Kuipers en de psycholoog Vermeulen concluderen dat er veel aanwijzingen zijn dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er zijn ook aanwijzingen dat verdachte een cognitieve beperking heeft en verdachte lijdt aan epilepsie.

De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het PBC-rapport, gelet op hetgeen overigens omtrent de persoon van de verdachte is gebleken (in het bijzonder hetgeen hiervoor is weergegeven), vast dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste van hem bewezen geachte feiten, een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.1

Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of – ter bescherming van de maatschappij – een TBS met dwangverpleging aangewezen is. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Gebleken is dat bij de verdachte ten tijde van de bewezen geachte feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of ziekelijke stoornis. Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanzienlijk recidivegevaar. De inschatting van dat gevaar ontleent de rechtbank aan de langjarige duur van het bestaan van agressieregulatieproblematiek, welke problematiek en duur naar het oordeel van de rechtbank moeten worden geacht verbonden te zijn met het hiervoor vastgestelde bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis. Voorts neemt de rechtbank over hetgeen door psychiater Wesselius, de deskundigen in het PBC-rapport en door M. Dort is beschreven met betrekking tot de hoge kans op herhaling van geweldsdelicten.

De rechtbank acht het, gelet op de aard en de ernst van de onder 1 en 3 bewezen geachte feiten en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, niet verantwoord de verdachte in de maatschappij te laten terugkeren zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd. Een behandeling zou daaraan een bijdrage kunnen leveren.

Gelet op de inhoud van voornoemde rapporten, het recidivegevaar en het mislukte verloop van eerdere ambulante trajecten heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat verdachte voldoende adequaat en veilig kan worden behandeld binnen het minder stringente kader van een TBS met voorwaarden. Derhalve zal de rechtbank de maatregel van TBS met dwangverpleging opleggen.

Het door de verdachte begane feit onder 1 is een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen het opleggen van de TBS maatregel met bevel tot verpleging eist. Gelet op de bewezenverklaring wordt de maatregel opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen, of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen. De totale duur van de terbeschikkingstelling is daarmee ook niet beperkt tot de duur van vier jaren.


De behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling zal ingaan op het moment dat twee derde van de gevangenisstraf is ondergaan. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van twee jaar opleggen.

9 De vorderingen van de benadeelde partijen

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [naam verbalisant 1] in zijn geheel kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. De vorderingen zijn redelijk en voldoende onderbouwd. Voorts heeft de officier van justitie verzocht ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] tot immateriële schade moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht deze vordering te matigen. Met betrekking tot de materiele schadeposten heeft de raadsman verzocht de gevorderde vergoeding voor sportschoolkosten en goederen af te wijzen, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd.

De raadsman heeft voorts verzocht de door [slachtoffer 2] gevorderde immateriële schade te matigen en de vorderingen voor wat betreft de posten sportschool, tas, mobiel, reparatie lens camera, lens camera en poot camera af te wijzen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

9.3.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 2.507,20 aan materiële schadevergoeding en € 12.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft reeds € 2.500,- aan de benadeelde partij uitgekeerd. Dit bedrag wordt om die reden van de totale vordering afgetrokken. In totaal vordert de benadeelde partij € 12.507,20.

Vordering tot materiële schade

Zorgkosten

De rechtbank wijst de gevorderde medische kosten toe tot een bedrag van € 385,-, nu deze vordering voldoende is onderbouwd en deze vordering ook niet is betwist door de verdediging.

Gederfde inkomsten

De rechtbank wijst de gevorderde kosten voor gederfde inkomsten toe tot een bedrag van € 338,-, nu deze vordering voldoende is onderbouwd en deze vordering ook niet is betwist door de verdediging.

Collegegeld

De rechtbank wijst de gevorderde kosten voor collegegeld toe tot een bedrag van € 55,59, nu deze vordering voldoende is onderbouwd en deze vordering niet is betwist door de verdediging.

Sportschoolkosten

De rechtbank wijst de gevorderde sportschoolkosten toe tot een bedrag van € 199,99, nu deze vordering voldoende is onderbouwd.

Gestolen/beschadigde goederen

De rechtbank wijst de gevorderde kosten voor gestolen/beschadigde goederen toe, omdat het aannemelijk is dat deze goederen van de benadeelde partij als direct gevolg van feit 1 ofwel zijn beschadigd ofwel zijn weggenomen door verdachte. De vordering is voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de gevorderde kosten toe tot een bedrag van € 1.420,31.

Reiskosten

De rechtbank wijst de gevorderde reiskosten toe tot een bedrag van € 108,31, nu deze vordering voldoende is onderbouwd en deze vordering ook niet is betwist door de verdediging.

Vordering tot immateriële schade

De benadeelde partij heeft in zijn ter terechtzitting van 5 februari 2019 voorgedragen slachtofferverklaring onder meer beschreven dat het incident zijn leven voor goed heeft veranderd. De benadeelde kampt nog altijd met de gevolgen van de gewelddadige aanval. Hij heeft lijdt aan slapeloosheid, nachtmerries en PTSS klachten. Hij heeft last van concentratieproblemen, maar hij ondervindt ook fysieke klachten van de wond in zijn nek. Het litteken op zijn gezicht doet hem dagelijks herinneren aan het incident.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij voldoende heeft onderbouwd dat hij als gevolg van feit 1 zowel psychische schade als lichamelijk letsel heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een vergoeding zoals gevorderd billijk. De vordering van € 12.500,- zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 10 september 2017. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Conclusie

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De rechtbank wijst het totaal van de vordering toe tot een bedrag van € 12.507,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 10 september 2017. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9.3.2

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 4.455,17 aan materiële schadevergoeding en € 12.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft reeds € 2.500,- aan de benadeelde partij uitgekeerd. Dit bedrag wordt om die reden van de totale vordering afgetrokken. In totaal vordert de benadeelde partij € 14.455,17.

Vordering tot materiële schade

Zorgkosten

De rechtbank wijst de gevorderde medische kosten toe tot een bedrag van € 770,-, nu deze vordering voldoende is onderbouwd en deze vordering ook niet is betwist door de verdediging.

Sportschoolkosten

De rechtbank wijst de gevorderde sportschoolkosten toe tot een bedrag van € 159,60, nu deze vordering voldoende is onderbouwd.

Gestolen/beschadigde goederen

De rechtbank wijst de gevorderde kosten voor gestolen/beschadigde goederen toe, omdat het aannemelijk is dat deze goederen van de benadeelde partij als direct gevolg van feit 1 ofwel zijn beschadigd ofwel zijn weggenomen door verdachte. De vordering is voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de gevorderde kosten toe tot een bedrag van € 3.360,27.

Reiskosten

De rechtbank wijst de gevorderde reiskosten toe tot een bedrag van € 165,30, nu deze vordering voldoende is onderbouwd en deze vordering ook niet is betwist door de verdediging.

Vordering tot immateriële schade

De benadeelde partij heeft in zijn slachtofferverklaring onder meer beschreven dat het gewelddadig handelen van verdachte een enorme impact heeft gehad op zijn leven. Hij heeft steekwonden in zijn linkerarm, rug en linkerbeen opgelopen. De benadeelde heeft na het incident lang niet kunnen studeren, werken of sporten. Hij heeft hierdoor studievertraging opgelopen. De benadeelde heeft last gehad van slapeloosheid, nachtmerries, concentratieproblemen en paniekaanvallen. Bij de benadeelde is PTSS geconstateerd, waarvoor hij EMDR-sessies heeft gevolgd.

De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij voldoende heeft onderbouwd dat hij als gevolg van feit 1 zowel psychische schade als lichamelijke letsel heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106 BW. De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een vergoeding zoals gevorderd billijk. De vordering van € 12.500,- zal daarom worden toegewezen.

Conclusie

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De rechtbank wijst het totaal van de vordering toe tot een bedrag van € 14.455,17, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 10 september 2017. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9.3.3

De vordering van de benadeelde partij [naam verbalisant 1] , feit 3

De benadeelde partij [naam verbalisant 1] vordert € 250,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank wijst deze vordering toe, omdat deze voldoende is onderbouwd en deze vordering ook niet is betwist door de verdediging. De rechtbank zal tevens de wettelijke rente toepassen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9.3.4

Overweging vervangende hechtenis

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [naam verbalisant 1] stelt de rechtbank de vervangende hechtenis, voor wat betreft de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, vast op in totaal 60 dagen.

10 Ten aanzien van de voorwaardelijke veroordelingen

10.1

Voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 13/650450-15

Bij de stukken bevindt zich de op 9 januari 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/650450-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 16 maart 2016 van de meervoudige strafkamer in Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk strafdeel te gelasten.

10.2

Voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 13/654279-14

Bij de stukken bevinden zich de op 28 maart 2018 (in de zaak met parketnummer 13/654279-14) en de op 20 juni 2017 (in de hierbij gevoegde zaak met parketnummer 13/741143-17) ter griffie van deze rechtbank ontvangen vorderingen van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 25 juni 2015 van de meervoudige strafkamer in Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 90 uur niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv aan verdachte per post is toegezonden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de gevangenisstraf en TBS-maatregel met dwangverpleging is de rechtbank van oordeel dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijk opgelegd strafdeel, een taakstraf, niet opportuun is. In de praktijk zal het erop neerkomen dat verdachte na uitvoering van de TBS-maatregel de taakstraf nog zal moeten verrichten, dit is niet wenselijk. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 47, 57, 63, 288, 304 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

Verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair

poging tot doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

ten aanzien van feit 2 subsidiair

opzetheling;

ten aanzien van feit 3

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Wijst de vordering van [slachtoffer 1], domicilie kiezende op het kantooradres van zijn raadsman mr. Stam, [adres 1] , toe tot € 12.507,20 (zegge twaalfduizend vijfhonderdzeven euro en twintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 10 september 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , aan de Staat € 12.507,20 (zegge twaalfduizend vijfhonderdzeven euro en twintig cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 10 september 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 25 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [slachtoffer 2], domicilie kiezende op het kantooradres van zijn raadsman mr. Stam, [adres 1] , toe tot € 14.455,17 (zegge veertienduizend vierhonderdvijfenvijftig euro en zeventien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 10 september 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] , aan de Staat € 14.455,17 (zegge veertienduizend vierhonderdvijfenvijftig euro en zeventien cent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 10 september 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 30 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [naam verbalisant 1], domicilie kiezend bij Politie Eenheid Amsterdam, toe tot € 250,- (zegge tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 15 juni 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam verbalisant 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam verbalisant 1] aan de Staat € 250,- (zegge tweehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 15 juni 2017, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 16 maart 2016, namelijk een gevangenisstraf van zes maanden (13/650450-15).

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/654279-14 af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.C.M. Oude Hengel en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2019.

1 EHRM 3 maart 2015, Constancia vs. Nederland, nr. 73560/12, NJ 2015/282, m.nt. Myjer