Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1075

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
19-02-2019
Zaaknummer
13/247988-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is gaan rijden met zijn auto terwijl hij de voorruit onvoldoende ijsvrij had gemaakt, waardoor hij een fietser die hij voorrang had moeten verlenen niet tijdig genoeg heeft gezien en heeft aangereden. Als gevolg waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Artikel 6 WVW bewezen. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NFS 2019/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/247988-18

Datum uitspraak: 19 februari 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.H. Boersma, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.S. Kort, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 15 februari 2017 te Zwolle, als bestuurder van een personenauto, zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte wordt verweten dat hij, gekomen bij een kruising, de bocht te krap heeft genomen, zich er niet tijdig en/of voldoende van heeft vergewist dat het kruispunt vrij was van enig kruisend verkeer en hij de bestuurder van de fiets, genaamd [slachtoffer] , geen voorrang heeft verleend. Dit terwijl één of meer autoruit(en) van de door verdachte bestuurde personenauto niet of gedeeltelijk ijsvrij was/waren gemaakt. Verdachte is vervolgens in aanrijding gekomen met [slachtoffer] , waarbij die [slachtoffer] ten val is gekomen en zij (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen. Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Subsidiair is aan hem ten laste gelegd dat hij zich dusdanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt. Artikel 5 WVW.

2.2

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Door de handelingen te verrichten, zoals deze in de tenlastelegging staan opgenomen, heeft verdachte schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW.

4.2

De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar haar pleitnotities, verzocht om de verdachte van het primair ten laste gelegde vrij te spreken. Verdachte heeft geen voorrang verleend aan het slachtoffer, wat had gemoeten. Ten aanzien van de overige handelingen bestaat onduidelijkheid in het dossier, waardoor schuld in de zin van artikel 6 WVW niet aan de orde is, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 15 februari 2017 reed verdachte als bestuurder van een auto over de Van der Graaffmarke, komende uit de richting van de Van Nispensingel. Het was op dat moment ochtendspits en verdachte was bekend met deze route. Verdachte sloeg rechtsaf De Goeijenmarke op om door middel van een soort van S-bocht vervolgens zijn weg op de Van der Graaffmarke te vervolgen. Op de kruising van de De Goeijenmarke met de Van der Graaffmarke sloeg verdachte daarom linksaf. Op dat moment wilde [slachtoffer] rechtdoor fietsen over de De Goeijenmarke. [slachtoffer] kwam vanuit de positie van verdachte gezien van rechts. Verdachte heeft bij het afslaan geen voorrang verleend aan [slachtoffer] , waardoor tussen verdachte en [slachtoffer] een aanrijding is ontstaan.

Verbalisanten hebben gerelateerd dat de voorruit van de auto van verdachte niet geheel vrij was van ijs, veroorzaakt door de nachtvorst. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij vlak voor de aanrijding de bestuurder van de auto niet kon zien en dat zij zich toen realiseerde dat de bestuurder haar ook niet kon zien. Ze zag dat de ruiten met ijs beslagen waren en dat de ruitenwissers hard aanstonden. Verdachte heeft ter terechtzitting van 5 februari 2019 verklaard dat hij het ijs niet van de voorruit heeft gekrabd. Hij heeft in plaats daarvan de ruitenwissers aangezet. De ruitenwissers hebben slechts een deel van het ijs weggeveegd. Er zat nog een filter (de rechtbank begrijpt: waas) van ijs op de voorruit. Verdachte heeft erkend dat hij de voorruit beter had moeten schoonmaken en dat hij [slachtoffer] dan eerder had kunnen zien en daarop had kunnen anticiperen. Desondanks is verdachte gaan rijden en kon hij, op het moment dat hij [slachtoffer] zag, een aanrijding niet meer voorkomen. Hierdoor kwam [slachtoffer] ten val, waardoor zij een gebroken enkel, een gebroken kuitbeen, gescheurd botvlies vanaf de enkel tot de knie en zeer fors bandletsel in de enkel heeft opgelopen.

Op basis van de bevindingen van de verbalisanten, de verklaring van [slachtoffer] en de verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat de voorruit van de auto nog beslagen was met ijs en dat verdachte de voorruit dus onvoldoende ijsvrij had gemaakt. Verdachtes zicht op de weg en het overige verkeer werd daardoor belemmerd. Uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dit ook heel duidelijk. Zij kon verdachte niet zien in de auto en realiseerde zich toen dat hij haar ook niet kon zien. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte [slachtoffer] niet tijdig genoeg heeft gezien doordat zijn zicht werd belemmerd door de waas van ijs op zijn voorruit.

De rechtbank acht schuld als bedoeld in artikel 6 WVW bewezen. Door te gaan rijden met een auto waarvan verdachte de voorruit onvoldoende ijsvrij had gemaakt was zijn zicht op de weg en het overige verkeer beperkt, en heeft verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen.

Onderdeel van de beschuldiging is dat verdachte, volgens de verklaring van [slachtoffer] , de S-bocht zou hebben afgesneden. Verbalisanten hebben ook gerelateerd dat verdachte de S-bocht te krap zou hebben genomen en hebben dit gebaseerd op de plek waar de auto van verdachte stond op het moment dat zij ter plaatse kwamen. Nu uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij de auto na het ongeval heeft verplaatst om ruimte te maken voor de komende hulpdiensten, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank te veel onduidelijkheid op dit punt. De rechtbank zal verdachte van dat onderdeel daarom vrijspreken.

Zwaar lichamelijk letsel

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft aan het ongeval een gebroken enkel en kuitbeen en gescheurd botvlies overgehouden. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] is gebleken dat zij nu bijna twee jaar na het ongeval nog steeds niet is hersteld en zij nog dagelijks met de gevolgen van het ongeval wordt geconfronteerd. [slachtoffer] heeft een revalidatieproces doorgemaakt, waarin zij opnieuw heeft moeten leren lopen. Tot op heden kan zij zich niet pijnvrij en onbeperkt bewegen. Zij ondervindt onder meer beperkingen met lopen, zitten, traplopen, fietsen en autorijden. De huisarts, orthopeed en de fysiotherapeut kunnen niets meer voor [slachtoffer] doen om haar pijnvrij te laten bewegen. Ze gaat nog naar een kniespecialist, die zal bezien of hij nog iets voor haar kan betekenen. [slachtoffer] draagt aangepaste schoenen en moet mogelijk de rest van haar leven met krukken lopen. Zij is volledig afgekeurd door het UWV. Naar het oordeel van de rechtbank dient het door [slachtoffer] als gevolg van de aanrijding opgelopen letsel, gezien de ernst en de lange periode van herstel, gekwalificeerd te worden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 15 februari 2017 te Zwolle, als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over De Goeijenmarke en de kruising van de De Goeijenmarke met de Van der Graaffmarke, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel en kuitbeen en gescheurd botvlies werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over De Goeijenmarke, komende uit de richting van de Van Nispensingel, en gaande in de richting van de Van der Graaffmarke,

- terwijl het gedurende de ochtendspits was,

- terwijl verdachte ter plaatse bekend was,

- terwijl een autoruit van de door verdachte bestuurde personenauto gedeeltelijk ijsvrij was gemaakt waardoor verdachtes zicht werd belemmerd,

verdachte heeft

zich hierbij niet voldoende vergewist dat voornoemd kruispunt vrij was van enig (kruisend) verkeer, doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een fietser, zijnde voornoemde [slachtoffer] , die, gezien verdachtes rijrichting komend van rechts, op voornoemde kruising rechtdoor reed en

vervolgens voornoemde fietser geen voorrang verleend en is verdachte niet tijdig en voldoende, uitgeweken voor voornoemde fietser,

verdachte is vervolgens tegen voornoemde verkeersdeelnemer aangereden waardoor aan deze [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen (OBM) wordt opgelegd, voor de duur van één jaar.

8.2

Het standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat en de duur daarvan rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak en met de omstandigheid dat verdachte meermalen contact heeft gehad met het slachtoffer en haar zijn medeleven heeft betuigd. Het is onbekend of verdachte nog een disciplinaire straf opgelegd krijgt. In dit verband heeft de raadsvrouw, rekening houdend met een bewezenverklaring voor artikel 5 WVW, verzocht aan hem een geldboete op te leggen.

Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van de primaire beschuldiging komt heeft de raadsvrouw, onder verwijzing naar de uitspraak met vindplaats ECLI:NL:RBMNE:2018:238, verzocht aan verdachte een voorwaardelijke taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is gaan rijden met zijn auto terwijl hij de voorruit onvoldoende ijsvrij had gemaakt, waardoor hij een fietser die hij voorrang had moeten verlenen niet tijdig genoeg heeft gezien en heeft aangereden. Het is aan verdachte te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit de slachtofferverklaring is gebleken dat het slachtoffer twee jaar na het ongeval nog altijd met de gevolgen van het ongeval wordt geconfronteerd. Naar verwachting moet zij de rest van haar leven met krukken lopen. Zij ervaart dagelijks pijn- en stabiliteitsklachten. Ook kan zij niet meer de moeder zijn voor haar kinderen die zij wil zijn. Het ongeval heeft nog altijd grote impact op het slachtoffer en haar gezin. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de geldende oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Voor het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij sprake is van aanmerkelijk schuld en waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt als uitgangspunt een taakstraf van 120 uur en een OBM voor de duur van zes maanden opgelegd. Het niet verlenen van voorrang is een wettelijke strafverzwarende omstandigheid (artikel 175 lid 3 WVW).

In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de volgende omstandigheden.

Verdachte is zeer schuldbewust en heeft meermalen, ook ter terechtzitting, zijn spijt tegenover het slachtoffer betuigd. Verdachte heeft van meet af aan zijn betrokkenheid bij het slachtoffer getoond. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat sinds het feit bijna twee jaar zijn verstreken, welk tijdsverloop niet aan verdachte te wijten is.

Alles overwegende acht de rechtbank het opleggen van een taakstraf van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een geheel onvoorwaardelijke OBM van zes maanden passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van

120 uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 60 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.C.M. Oude Hengel en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2019.