Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:10222

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
13/994073-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het ter beschikking stellen van 5000 kg consumentenvuurwerk terwijl verdachte wist dat ontvanger geen vereiste vergunning had en voor het opslaan van vuurwerk zonder CE-keurmerk. Overschrijding van de redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/994073-18 (A) en 13/994028-16 (B)

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 26 februari 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.F. van Drumpt, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. V.H. Hammerstein naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is - met inachtneming van de ter terechtzitting toegelaten wijziging - ten laste gelegd dat

in zaak A

hij in of omstreeks de periode van 29 december 2014 tot 10 januari 2015, althans in of omstreeks de maand december 2014, te Diemen, in elk geval in Nederland,

opzettelijk,

ongeveer 5323 kilogram, althans een hoeveelheid, consumentenvuurwerk voor handelsdoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [persoon] , in elk geval aan en ander dan:

a. degene die een inrichting dreef als bedoeld in artikel 2.2.1 vuurwerkbesluit en/of

b. een in het buitenland gevestigde ondernemer wiens bedrijfsmatige activiteit bestaat uit het verhandelen van vuurwerk en die gerechtigd is het vuurwerk op te slaan of te bewerken, dan wel, indien de betrokken persoon het vuurwerk tot ontbranding zal brengen, gerechtigd is het vuurwerk tot ontbranding te brengen;

(strafbaarstelling: 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer juncto artikel 2.3.1 Vuurwerkbesluit)

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 29 december 2014 tot en met 10 januari 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk ongeveer 5323 kilogram (consumenten)vuurwerk, althans meer dan 25 kg consumentenvuurwerk, voorhanden heeft gehad

buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 en/of artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk en/of artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 Vuurwerkbesluit;

in zaak B

hij op of omstreeks 24 september 2015 te Diemen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk,

binnen een inrichting, gelegen aan de [adres] ,

vuurwerk, te weten (onder meer):

36, althans één of meer, stuks Dreambox 4 (fabriekscode/batch [code 1] ) en/of

48000, althans één of meer, stuks Jumping Jack (fabriekscode/batch [code 2] ) en/of

24, althans één of meer, stuks Silvery (fabriekscode/batch [code 3] ) en/of

50, althans één of meer, stuks Ultra Rocket (fabriekscode [code 4] ) en/of

36, althans één of meer, stuks Fountain the March of Spring (fabriekscode/batch [code 6] ) en/of

10, althans één of meer, stuks Dreambox 6 (fabriekscode/batch [code 1] ) en/of

4, althans één of meer, stuks Tequila Sunrise (fabriekscode/batch [code 7] ) en/of

120, althans één of meer, stuks Spinning Flower (fabriekscode/batch [code 8] ) en/of

(ongeveer) 250 kilogram vuurwerk,

voorhanden heeft gehad, terwijl op dit vuurwerk de CE-markering niet zichtbaar en/of leesbaar en/of onuitwisbaar was aangebracht, immers was op dit vuurwerk in het geheel geen CE-markering aangebracht;

(strafbaarstelling: artikel 1a onder 2, 2 en 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 9.2.3.2 Wet milieubeheer juncto artikel 1A.2.1 lid 3 Vuurwerkbesluit juncto artikel 1A.4.1 lid 1 Vuurwerkbesluit)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Ook zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Bewijsoverwegingen

4.1.1

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht de ten laste gelegde overtreding van het Vuurwerkbesluit bewezen. Uit het dossier en het verhandelde op de zitting leidt de rechtbank af dat verdachte in de ten laste gelegde periode een hoeveelheid van ongeveer 5323 consumentenvuurwerk voor handelsdoeleinden aan zijn broer [persoon] ter beschikking heeft gesteld, terwijl zijn broer geen inrichting dreef die bestemd was voor het opslaan van consumentenvuurwerk.

Uit het dossier en de verklaring van verdachte leidt de rechtbank namelijk af dat verdachte in de laatste drie dagen van 2014 een grote partij of partijen consumentenvuurwerk aan zijn broer heeft verkocht en dat hij wist dat zijn broer deze partij(en) door zou verkopen. Verder is van belang dat verdachte wist dat zijn broer geen inrichting dreef die was bestemd voor het opslaan van consumentenvuurwerk, zoals hij zelf ook op de zitting heeft bevestigd. Door het vuurwerk aan zijn broer te verkopen en mee te geven, kon zijn broer hier feitelijk over beschikken.

Dat verdachte dacht dat zijn broer het vuurwerk direct doorverkocht en dat hij niet wist dat het vuurwerk door zijn broer werd opgeslagen, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. In dat geval is evengoed sprake van het aan zijn broer ter beschikking stellen van een verboden hoeveelheid consumentenvuurwerk voor handelsdoeleinden. Ook de verklaring van verdachte dat hij het vuurwerk in partijen van maximaal 25 kg aan zijn broer verkocht, maakt dit niet anders. Los van de omstandigheid dat het praktisch onmogelijk is om dit in drie dagen voor elkaar te krijgen (het gaat dan om meer dan 200 afzonderlijke leveringen) geldt dat dit aan een bewezenverklaring niet in de weg staat. De stelling van de verdediging dat het opzet van verdachte zou ontbreken en dat hij daarom moet worden vrijgesproken wordt ook niet gevolgd. Verdachte wist immers dat zijn broer geen inrichting dreef die bestemd was voor het opslaan van consumentenvuurwerk en dat zijn broer de beschikking kreeg over een verboden hoeveelheid consumentenvuurwerk.

4.1.2

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank is, net als de officier van justitie, van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde op de zitting kan worden bewezen dat verdachte het Vuurwerkbesluit heeft overtreden door vuurwerk zonder CE-markering voorhanden te hebben. De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat verdachte het vuurwerk in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander voorhanden heeft gehad. Het ten laste gelegde medeplegen kan daarom niet worden bewezen. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft het ten laste gelegde bekend.

4.2

Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in zaak A

in de periode van 29 december 2014 tot en met 31 december 2014 te Diemen opzettelijk ongeveer 5300 kilogram consumentenvuurwerk voor handelsdoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [persoon] , in elk geval aan en ander dan degene die een inrichting dreef als bedoeld in artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit;

in zaak B

op 24 september 2015 te Diemen opzettelijk binnen een inrichting, gelegen aan de [adres] , vuurwerk, te weten onder meer:

36 stuks Dreambox 4 (fabriekscode/batch [code 1] ) en

48000 stuks Jumping Jack (fabriekscode/batch [code 2] ) en

24 stuks Silvery (fabriekscode/batch [code 3] ) en

50 stuks Ultra Rocket (fabriekscode [code 4] ) en

36 stuks Fountain the March of Spring (fabriekscode/batch [code 6] ) en

10 stuks Dreambox 6 (fabriekscode/batch [code 1] ) en

4 stuks Tequila Sunrise (fabriekscode/batch [code 7] ) en

120 stuks Spinning Flower (fabriekscode/batch [code 8] ) en

ongeveer 250 kilogram vuurwerk,

voorhanden heeft gehad, terwijl op dit vuurwerk de CE-markering niet zichtbaar was aangebracht, immers was op dit vuurwerk in het geheel geen CE-markering aangebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A en B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 weken, met aftrek van voorarrest, waarvan 32 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 5.000,-. De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met het tijdsverloop in de zaak.

De raadsvrouw heeft onder verwijzing naar jurisprudentie de rechtbank verzocht aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen, dit in verband met de impact die de strafzaak op verdachte heeft gehad, het voorarrest van verdachte en de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn waardoor een bestraffing van verdachte geen strafdoelen meer dient.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in strijd met de regelgeving ruim 5.000 kg consumentenvuurwerk ter beschikking gesteld aan zijn broer, terwijl hij wist dat zijn broer niet beschikte over vergunning om dit vuurwerk voorhanden te hebben en op te slaan. Verder heeft verdachte een grote hoeveelheid vuurwerk zonder CE-keurmerk opgeslagen gehad. Er zijn grote veiligheids- en gezondheidsrisico’s verbonden aan de opslag en het gebruik van vuurwerk als (veiligheids-)voorschriften niet in acht worden genomen. Verdachte moet als professioneel verkoper van vuurwerk van deze risico’s doordrongen zijn geweest, maar hij heeft zich geen rekenschap gegeven van het gevaar waaraan hij de omgeving heeft blootgesteld door zijn handelen. De rechtbank rekent dit verdachte aan en acht gezien de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend. De rechtbank weegt hierbij mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor het overtreden van vuurwerkvoorschriften, zoals blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 januari 2019.

In matigende zin houdt de rechtbank met het tijdsverloop in het strafrechtelijk onderzoek. Het ten laste gelegde heeft 4 jaar geleden plaatsgevonden. Uit het strafdossier blijkt dat in het pand dat verdachte huurde en waar het ter beschikking gestelde vuurwerk was opgeslagen ook een hennepkwekerij is aangetroffen. De laatste onderzoekshandelingen naar deze strafbare feiten dateren van 2016. Daarna hebben de zaken kennelijk stilgelegen en is de overdracht naar het Functioneel Parket moeizaam verlopen. Verdachte heeft lange tijd niets over de zaken vernomen. Pas zeer recentelijk is de strafzaak met betrekking tot de hennepkwekerij geseponeerd en is verdachte gedagvaard voor de feiten die betrekking hebben op het vuurwerk. Er is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn (ruim twee jaar), terwijl de omvang en de complexiteit van de zaken niet zodanig zijn dat een extra vertraging gerechtvaardigd was. Verdachte heeft onnodig lang in onzekerheid verkeerd over de afwikkeling van zaken. De rechtbank ziet hierin aanleiding verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest. Daarnaast legt de rechtbank verdachte een geldboete op.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 9.2.2.1 en 9.2.3.2 van de Wet milieubeheer, en de artikelen 2.3.1 en 1A.2.1. lid 3 van het Vuurwerkbesluit.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

in zaak A

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan

in zaak B

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.3.2 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaand

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 (vijfendertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 32 (tweeëndertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte verder tot een geldboete ter hoogte van € 5.000,- (vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 60 (zestig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. B. Vogel en Y. Moussaoui, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2019.