Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:10220

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
14-07-2020
Zaaknummer
13/994074-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid consumentenvuurwerk. Ruimte waarin het vuurwerk was opgeslagen voldeed niet aan de voorschriften van het Vuurwerkbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/994074-18

Datum uitspraak: 12 maart 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te distrikt [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1960,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 26 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.F. van Drumpt, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.W.J. van Galen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 29 december 2014 tot en met 10 januari 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk,

ongeveer 5323 kilogram (consumenten)vuurwerk, althans meer dan 25 kilogram, (consumenten)vuurwerk,

voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 en/of artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk en/of artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 Vuurwerkbesluit;

(strafbaarstelling: 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer juncto artikel 1.2.4. lid 1 Vuurwerkbesluit juncto artikel 47 en 91 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Ook zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Bewijsoverwegingen

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de ten laste gelegde periode meer dan 25 kg consumentenvuurwerk voorhanden heeft gehad en daarmee een verbodsbepaling van het Vuurwerkbesluit heeft overtreden.

Uit het dossier en het verhandelde op zitting leidt de rechtbank af dat op 10 januari 2015 ongeveer 5300 kilogram vuurwerk is aangetroffen in een pand in Amsterdam Zuidoost, terwijl voor dit pand geen vergunning was verleend of melding was gedaan als bedoeld in het Vuurwerkbesluit.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte een deel van het aangetroffen vuurwerk voorhanden heeft gehad. Hiervoor is het volgende van belang. Verdachte was dagelijks werkzaam in het garagebedrijf van zijn zoon en werd door bezoekers beschouwd als de eigenaar van de garage. Zijn zoon huurde het deel van het pand waar zijn garagebedrijf was gevestigd, waaronder de ruimte waar de grootste hoeveelheid vuurwerk is aangetroffen. Deze ruimte was onderdeel van het garagebedrijf en was voor verdachte vrij toegankelijk. Verdachte was zich bewust van de aanwezigheid van het vuurwerk. Hij heeft zelf verklaard dat hij wist dat het er lag. Hij werkte dagelijks in de garage. Hieruit volgt dat verdachte als mede-gebruiker van de ruimte de beschikkingsmacht had over het vuurwerk, dan wel over de plaats waar het was opgeslagen. Hij kon immers in enige mate bepalen wat er met het vuurwerk zou gebeuren. Dat verdachte het gevoel had dat hij weinig aan de situatie kon doen en dat hij geen eigenaar was van het vuurwerk, zoals de raadsman heeft aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders. Verdachte is namelijk als gebruiker van de ruimte mede verantwoordelijk voor hetgeen zich daar afspeelt.

De rechtbank is, net als de raadsman, van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte het vuurwerk voorhanden heeft gehad dat buiten het garagebedrijf in een andere ruimte in het pand is aangetroffen. Het dossier bevat geen aanwijzingen voor enige wetenschap van verdachte van de aanwezigheid van die partij vuurwerk.

Voorts is de rechtbank, net als de raadsman, van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen niet is bewezen. Er is niet gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander bij het voorhanden hebben van het vuurwerk. Uit het dossier blijkt bijvoorbeeld niet dat verdachte met een ander afspraken heeft gemaakt over de manier van opslaan of de bestemming van het vuurwerk.

Uit het dossier is af te leiden dat verdachte een flinke hoeveelheid vuurwerk voorhanden heeft gehad, namelijk 316 dozen en 70 zakken. De rechtbank acht het, gelet op de wijze van berekening van het gewicht in het dossier, aannemelijk dat deze hoeveelheid minimaal 3000 kg woog. Maar nu het precieze gewicht niet is af te leiden uit het dossier acht de rechtbank de ten laste gelegde ‘meer dan 25 kg’ bewezen.

4.2

Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in de periode van 29 december 2014 tot en met 10 januari 2015 te Amsterdam, opzettelijk, meer dan 25 kilogram consumentenvuurwerk voorhanden heeft gehad buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1.4 en/of artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1 Vuurwerkbesluit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend die betrekking heeft op de opslag van vuurwerk en/of artikel 2.2.1 Vuurwerkbesluit waarvoor een melding is gedaan krachtens artikel 2.2.4 Vuurwerkbesluit.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 5.000,-. De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met het tijdsverloop in de zaak. Zij heeft verder de teruggave van de onder verdachte in beslag genomen goederen en geldbedragen gevorderd, zoals vermeld op de beslaglijst en genoemd door de raadsman.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij een strafoplegging in matigende zin rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en met de penibele financiële situatie van verdachte en hem uitsluitend een voorwaardelijke straf op te leggen. De raadsman heeft de rechtbank verder verzocht tot teruggave aan verdachte van de in beslag genomen goederen zoals vermeld op de zittingslijst, en van de geldbedragen van € 263,15 en € 4.325,- (kennisgeving van inbeslagneming pag. K 118 en K 058) waarvan voldoende aannemelijk is dat verdachte hiervan de rechthebbende is.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid consumentenvuurwerk. Dit vuurwerk lag in een ruimte die niet voldeed aan de voorschriften van het Vuurwerkbesluit. Uit het dossier blijkt dat sprake was van een gevaarlijke situatie, er werd vlak bij het vuurwerk gewerkt met open vuur en in een naastgelegen ruimte waren brandbare vloeistoffen opgeslagen. Ook beschikte verdachte niet over specialistische kennis over het vuurwerk. Verdachte heeft zich van het gevaar waaraan hij de directe omgeving heeft blootgesteld geen rekenschap gegeven. Gezien de aanzienlijke hoeveelheid vuurwerk acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend.

In matigende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder voor een dergelijk feit is veroordeeld, zoals blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 29 januari 2019, en houdt zij rekening met het tijdsverloop in het strafrechtelijk onderzoek. Het ten laste gelegde heeft ruim 4 jaar geleden plaatsgevonden. Uit het strafdossier blijkt dat in het pand behalve vuurwerk een hennepkwekerij is aangetroffen. De laatste onderzoekshandelingen naar deze strafbare feiten dateren van 2016. Daarna hebben de zaken kennelijk stilgelegen en is de overdracht van deze zaak naar het Functioneel Parket moeizaam verlopen. Verdachte heeft lange tijd niets over de zaak vernomen. Pas zeer recentelijk is de strafzaak met betrekking tot de hennepkwekerij geseponeerd en is verdachte in deze zaak gedagvaard. Er is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn (ruim twee jaar), terwijl de omvang en de complexiteit van de zaak niet zodanig zijn dat een extra vertraging gerechtvaardigd was. Verdachte heeft onnodig lang in onzekerheid verkeerd over de afwikkeling van zaak. De rechtbank ziet hierin aanleiding verdachte uitsluitend een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest.

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de voorwerpen die vermeld staan op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst. Verder zal de rechtbank de teruggave gelasten van het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 263,15, zoals vermeld in de kennisgeving van inbeslagneming op pagina K 118 van het dossier. Over het geldbedrag van € 4.325,- neemt de rechtbank geen beslissing, aangezien dit geldbedrag niet onder verdachte in beslag is genomen, zoals blijkt uit de kennisgeving van inbeslagneming op pagina K 058 van het dossier.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, en artikel 1.2.4 van het Vuurwerkbesluit.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 23 (drieëntwintig) dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen die zijn vermeld op de beslaglijst die als bijlage aan dit vonnis is gehecht, en van het geldbedrag van € 263,15 zoals is genoemd in de kennisgeving van inbeslagneming op pagina K 058 van het dossier.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. B. Vogel en Y. Moussaoui, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2019.