Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:10214

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
13/669134-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaine die in de woning van verdachte is aangetroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/669134-13

Datum uitspraak: 9 januari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1957,

ingeschreven in de basisregistratie personen en verblijvend op het adres

[adres 1], [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 december 2018 en 9 januari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. H.G. Koopman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt verweten dat zij samen met anderen cocaïne in haar woning aanwezig heeft gehad.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 07 september 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 84,59 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

(Artikel 2C Opiumwet)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Omdat aan deze formele eisen is voldaan, kan de rechtbank inhoudelijk over de zaak oordelen.

4 Vrijspraak

4.1

Inleiding

Op 6 september 2013 omstreeks 22.53 uur komt er bij de politie een melding binnen van een overval in de woning aan de [adres 1] te Amsterdam. Ter plaatse aangekomen treffen verbalisanten bij de woning verdachte aan met haar man, medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte verklaart slachtoffer te zijn geworden van een overval in hun woning. Door medewerkers van de Forensische Opsporing wordt op 7 september om 00.20 uur een onderzoek ingesteld in de woning naar de mogelijk gepleegde overval. Hierbij wordt op het tv-kastje in de slaapkamer aan de voorzijde van de woning een bruine stoffen handschoen aangetroffen met daarin in plastic verpakte witte brokken. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] verklaren later dat deze kamer hun slaapkamer is. Uit een indicatieve drugstest blijkt dat deze brokken cocaïne bevatten. Naar aanleiding van deze vondst wordt het onderzoek in de woning onderbroken, de woning wordt afgesloten en verdachte en medeverdachte [medeverdachte] worden aangehouden. Op dezelfde dag vindt een doorzoeking plaats in de woning onder leiding van een rechter-commissaris. Bij deze doorzoeking wordt op vijf plekken in de woning en in de bijbehorende schuur hoeveelheden wit poeder aangetroffen. Uit een test blijkt dat vier van deze hoeveelheden cocaïne bevatten. Uit het dossier is af te leiden dat de cocaïne is aangetroffen in een tas in de hal, in een tas in de trapkast in de hal en in een surprise-ei dat is aangetroffen in voornoemde slaapkamer van verdachten. De drugs waren telkens verpakt in plastic of papier. In totaal is er 84,59 gram materiaal in de woning aangetroffen, waarin cocaïne zat.

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij deze hoeveelheid op 7 september 2013 samen met medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk aanwezig heeft gehad. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben verklaard de stoffen handsschoen niet te hebben gezien en niets te weten van de in hun woning aangetroffen drugs.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde kan worden bewezen en vordert, gezien het tijdsverloop van circa 5 jaar sinds de verdenking is ontstaan, dat verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte de drugs tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] aanwezig heeft gehad. Hiervoor is van belang dat zij de hoofdbewoners van de woning waren en dat een deel van de aangetroffen drugs in hun slaapkamer is aangetroffen en in het zicht lagen. Dat verdachte medeverantwoordelijk is voor de cocaïne, past goed bij de verklaringen van getuigen die beschrijven dat de woning veel werd bezocht door ongure types en er mogelijk in drugs werd gehandeld. De alternatieve scenario’s, inhoudende dat de aangetroffen drugs in de woning zijn gelegd door een andere bewoner of door een van de overvallers, zijn niet aannemelijk geworden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit primair vrijspraak van het ten laste gelegde, aangezien opzet op de aanwezigheid van de drugs ontbreekt. Verdachte heeft geen wetenschap gehad van de aanwezigheid van de drugs. Zij heeft dit consistent verklaard. Daarbij heeft medeverdachte [medeverdachte] achteraf tegenover haar verklaard dat hij de handschoen met drugs in de slaapkamer heeft gelegd. Verdachte wist dit niet en heeft hiervoor geen toestemming gegeven. Nu deze hoeveelheid drugs in een handschoen zat en onder of achter de tv lag - en dus niet in het zicht - , kan ook niet worden verondersteld dat verdachte van de aanwezigheid van deze drugs wist. De andere aangetroffen hoeveelheden drugs lagen ook niet in het zicht. Verdachte heeft ook hierover verklaard dat zij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid hiervan. Haar verklaring wordt niet weersproken door de inhoud van het dossier. Uit de omstandigheid dat verdachte toestemming heeft gegeven voor de doorzoeking van de woning kan ook worden afgeleid dat zij niet wist van de aanwezigheid van de drugs.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt als volgt.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat om tot een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van drugs te komen, moet worden bewezen dat de in de woning aangetroffen drugs zich in de machtssfeer van verdachte bevonden en dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop. De rechtbank is van oordeel dat dit op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan.

Verdachte heeft verklaard dat zij de handschoen met drugs niet heeft gezien en dat zij niet wist dat er drugs in de woning aanwezig waren. Deze verklaring wordt niet weerlegd door de inhoud van het dossier.

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte een van de hoofdbewoners was van de woning en dat zij toegang had tot alle vertrekken van die woning. Hieruit volgt niet zonder meer dat verdachte ook wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs in verschillende vertrekken in de woning. Ten eerste blijkt uit het dossier dat ook medeverdachte [medeverdachte] een hoofdbewoner was en dat er twee tijdelijke bewoners waren die respectievelijk kort voor en ten tijde van het ten laste gelegde toegang hadden tot alle vertrekken in de woning. Hiermee bestaat de mogelijkheid dat de drugs door een ander dan verdachte in de woning zijn gelegd en verdachte daarvan niet op de hoogte was. Ten tweede is uit het dossier niet af te leiden dat verdachte wetenschap moet hebben gehad van de aanwezige drugs. De drugs lagen niet open en bloot in de woning, maar waren in plastic en/of papier verpakt en/of in een handschoen, plastic ei of tas gestopt. Er waren ook geen andere omstandigheden waaruit kan worden geconcludeerd dat verdachte moet hebben geweten dat er drugs in de woning aanwezig waren. Er is bijvoorbeeld niet gebleken dat er in de woning aan drugs te relateren voorwerpen lagen, zoals versnijdingsmiddelen, voorwerpen die worden gebruikt om drugs tot zich te nemen of verpakkingsmaterialen, of dat er een voor drugs kenmerkende chemische geur is waargenomen. Een in de keuken aangetroffen weegschaal vormt op zichzelf nog geen aanwijzing voor de aanwezigheid van drugs. Ook de opmerkingen van getuigen dat er veel aanloop van ongure types was en de woning ‘niet klopte’, is onvoldoende om te concluderen dat verdachte wist van de cocaïne in de woning. Kort en goed: de conclusie luidt dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van drugs in de woning en zij evenmin de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze drugs in de woning aanwezig waren.

5 Beslag

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de onder verdachte in beslag genomen tie-wrap.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1 STK tie wrap, beslagnummer: 4599903

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 januari 2019.