Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1015

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
13/665328-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan diefstal uit woning door middel van braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665328-18 (Promis)

Datum uitspraak: 15 februari 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens] 1990,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 februari 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Zetsma en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B. Hartman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is kort gezegd – na wijziging op de zitting van 1 februari 2019 – ten laste gelegd dat

onder feit 1 primair: hij zich op 7 juli 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het al dan niet met anderen plegen van een woninginbraak;

onder feit 1 subsidiair: hij zich op 7 juli 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een woninginbraak;

onder feit 2 primair: hij zich in de periode van 7 juli 2018 tot en met 30 juli 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen;

onder feit 2 subsidiair: hij zich in de periode van 7 juli 2018 tot en met 30 juli 2018 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van goederen afkomstig uit eigen misdrijf.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 primair – enkel ten aanzien van het geldbedrag – tenlastegelegde moet bewezen worden verklaard.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdenking is gefundeerd op de volgende drie veronderstellingen: (1) bij de inbraak is gebruik gemaakt van een Fiat 500, kenteken beginnend met [kenteken] , die toebehoort aan verdachte; (2) er zijn tapgesprekken waarvan wordt beweerd dat verdachte daarin spreekt over een actief aandeel aan de woninginbraak en (3) verdachte heeft ten tijde van de woningbraak gebruik gemaakt van een telefoonnummer dat op telefoonmasten in de buurt van de woning is aangestraald.

De raadsman stelt daarover het volgende.

Ten aanzien van (1): niet is komen vast te staan dat het waargenomen voertuig het voertuig van verdachte is, noch is komen vast te staan dat verdachte de bewuste dag gebruik heeft gemaakt van dit voertuig. Het kenteken was slechts gedeeltelijk zichtbaar. Daarnaast maken vrienden en familieleden van verdachte regelmatig gebruik van zijn voertuig zonder dat hij dat weet. De deur van het voertuig sluit niet goed.

Ten aanzien van (2): er is geen sprake geweest van een woordelijke uitwerking van de tapgesprekken. Er zijn enkel flarden en passages vertaald, waardoor de context van gesprekken verloren is gegaan. Bovendien hebben de vertalers tijdens de vertalingen conclusies getrokken, hetgeen afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de vertaler. Om deze redenen moet terughoudend worden omgegaan met de bewijswaarde die aan de gesprekken moet worden toegedicht. De verdediging heeft gepoogd de gesprekken uit te luisteren met een Arabische vertaler maar dit bleek ondoenlijk te zijn.

Indien de uitwerkingen worden gevolgd, is op basis daarvan niets vast komen te staan over de eigen verwijtbare betrokkenheid van verdachte. In de tapgesprekken heeft verdachte het eerst over een mazzeltje van 2500 euro. Later, wanneer de andere persoon zegt dat hij niet snapt waarom verdachte zo weinig heeft gekregen, antwoordt verdachte dat hij geen kans had omdat hij in de auto zat. Tussen die twee uitlatingen zit anderhalve minuut. Verdachte heeft verklaard dat het mazzeltje van 2500 euro ziet op een brommer die hij van de hand heeft gedaan. Ook toont de opmerking dat verdachte in de auto heeft gezeten geen betrokkenheid bij de specifieke woninginbraak aan de [adres] . Mogelijk wordt er gesproken over de inbraak bij het Stayokay hotel, waarvan [medeverdachte 1] wordt verdacht, die enkele dagen voor de inbraak aan de [adres] plaatsvond.

Ten aanzien van (3): verdachte heeft verklaard dat hij rond het tijdstip van de woninginbraak thuis was en de historische gegevens van zijn nummer eindigend op * [nummer 1] ondersteunen die verklaring. Een ander telefoonnummer, eindigend op * [nummer 2] , straalt op het moment van de inbraak uit op de plaats delict. Dit telefoonnummer wordt op onnavolgbare wijze aan verdachte gekoppeld. Het is op geen enkele wijze aannemelijk dat voornoemd telefoonnummer aan verdachte toebehoort.

Voor feit 2 geldt dat onvoldoende is vast komen te staan dat verdachte op enig moment heeft beschikt over de goederen dan wel een geldbedrag dat van misdrijf afkomstig is.

3.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 7 juli 2018 is er ingebroken in de woning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te [woonplaats] , waarbij volgens hun aangifte veel goederen, waaronder een kluis, juwelen van hoge waarde en geldbedragen, zijn weggenomen. Het raam van het washok was geforceerd.2 Op de camerabeelden rondom de woning is te zien dat de dader om 20:16 uur de zijdeur van de tuin opent.3 De dader is rokend in de tuin te zien.4 Om 20:37 uur is hij zichtbaar in de woning van aangevers.5 Om 21:02 uur verlaat de dader de woning via de tuin. Om 21:07 uur komt de dader met een tweede persoon terug en loopt wederom de tuin in. Zij lopen vervolgens samen richting het Vondelpark.6 Op camerabeelden is te zien dat een zwarte Fiat 500 om 21:13 uur aan komt rijden over de [adres] en parkeert voor de woning van [slachtoffer 1] . Kort na het parkeren stappen er twee personen uit het voertuig. Om 21:14 uur lopen de personen richting de woning dan wel het woningcomplex. 30 seconden later komen beide personen het complex weer uit lopen en tillen samen iets. Hierna is te zien dat het voorwerp in de auto wordt geladen en dat beide personen aan de passagierszijde instappen. Hierna rijdt de auto weg. Een gedeelte van het kenteken van de Fiat is zichtbaar, namelijk [kenteken] .7

De dader is door twee verbalisanten herkend als zijnde [medeverdachte 1] .8 De tweede persoon is door drie verbalisanten herkend als zijnde [medeverdachte 2] , de jongere broer van verdachte.9 Verder is er een sigarettenpeuk aangetroffen in de tuin van aangevers.10 Op deze peuk is een match met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] aangetroffen.11

Bij onderzoek in de politiesystemen met zoekcombinatie “Fiat 500”, “ [kenteken] ” en “zwart” kwam slechts één voertuig naar voren namelijk [kenteken] , Fiat 500, zwart.12 Uit RDW gegevens bleek dat het kenteken van 27 februari 2018 tot en met 11 juli 2018 op naam van verdachte stond.13

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het telefoonnummer eindigend op * [nummer 1] van hem is. Op dat telefoonnummer is op 10 juli 2018 een tap gestart. Verdachte zegt in sessienummer 369 dat hij een mazzeltje heeft gekregen, namelijk 2.500. NN zegt tegen verdachte dat NN niet snapt dat verdachte zo weinig heeft gekregen. Verdachte zegt dat hij geen kans had, want hij zat in de auto. Vervolgens vraagt NN waarom “ADHD” niet wat van de [adres] aan “ [naam 1] ” geeft. Later vraagt NN of “ADHD” een acrobaat is, dat hij zo snel de woning is in gegaan. Verdachte bevestigt dat en zegt dat ADHD door het raam naar binnen was gekomen. Verder in het gesprek vraagt NN waarom verdachte die Nokia telefoon niet aanzet. Verdachte zegt dat het gisteren aan was.14 In sessienummer 252 zegt verdachte dat ADHD veel geld heeft opgemaakt. ADHD heeft 20.000, 2.500 aan verdachte, dan blijft er 17.500 over.15

Bij de doorzoeking in de woning waar verdachte is aangehouden werd een telefoon met telefoonnummer, eindigend op * [nummer 2] aangetroffen.16 De gebruiker van dat nummer wordt [naam 2] genoemd.17 Dit telefoonnummer * [nummer 2] peilt rond het tijdstip van de inbraak uit in de buurt van de plaats delict.18

Op de telefoon die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen bij zijn aanhouding stond een foto van verdachte samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en een vierde persoon. Die foto was op 10 juli 2018 genomen in Antwerpen.19 In die betreffende telefoon van [medeverdachte 1] stond telefoonnummer * [nummer 1] – waarvan verdachte heeft verklaard dat het zijn telefoonnummer is – opgeslagen als [naam 3] .20

Verbalisant [verbalisant] heeft op 12 juli 2018 verklaard dat het onderzoeksteam hem heeft gevraagd of verdachte bekend is met bijnamen. Verbalisant is een aantal jaren werkzaam geweest in de buurt waar verdachte woonachtig was. Het was verbalisant ambtshalve bekend dat verdachte in die tijd drugs verkocht en dat hij bekend stond met de bijnamen ‘ [naam 2] ’ en ‘ [naam 3] ’ onder drugsgebruikers.21

3.3.2

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger van de woninginbraak. Immers kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zelf in de woning heeft ingebroken of dat hij bij de voorbereiding van de inbraak een gelijkwaardige rol heeft gehad als zijn mededaders. Het feit dat – zoals hierna zal worden besproken – verdachte bestuurder is geweest van de auto waarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de buit zijn ingestapt en dat verdachte heeft meegedeeld in de buit, vormt volgens de rechtbank onvoldoende grond om een nauwe en bewuste samenwerking aan te kunnen nemen. Verdachte dient daarom van het onder feit 1 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 2 primair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel over het onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair ten laste gelegde

Op grond van de onder 3.3.1 genoemde feiten en omstandigheden gaat de rechtbank er van uit dat de Fiat 500 die op 7 juli 2018 is waargenomen, de auto van verdachte betreft. Op grond van zijn verklaring in het tapgesprek dat hij in de auto zat en op grond van het feit dat het telefoonnummer * [nummer 2] , dat aan hem wordt toegedicht, uitstraalt in de buurt van de plaats delict, houdt de rechtbank het er tevens voor dat verdachte op 7 juli 2018 de bestuurder is geweest. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte ten tijde van de gepleegde woninginbraak gebruiker was van dat nummer. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat uit de tapgesprekken volgt dat verdachte meerdere telefoons gebruikte. Aan het feit dat telefoonnummer * [nummer 1] op het moment van de inbraak uitpeilde in de buurt van de woning van de verdachte, kan daardoor niet de conclusie worden verbonden dat verdachte op dat moment dan ook zelf in zijn woning aanwezig was. In sessienummer 369 wordt meerdere malen verwezen naar de woninginbraak op de [adres] . Op grond van de tapgesprekken en de context daarvan acht de rechtbank bewezen dat verdachte 2.500 euro heeft gekregen voor zijn aandeel bij de inbraak. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de uitwerkingen van de tapgesprekken. De verklaring van verdachte dat het mazzeltje van 2.500 euro betrekking heeft op een brommer die hij heeft verkocht acht de rechtbank niet geloofwaardig. Het dossier bevat geen aanknopingspunten die deze verklaring kunnen ondersteunen en die verklaring is ook niet onderbouwd.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat uit de onder 3.3.1 genoemde feiten en omstandigheden, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, volgt dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van de woninginbraak door met zijn auto naar de plaats delict te rijden, waarbij vervolgens de daders van de inbraak de buit in zijn auto laden, de daders instappen en samen met verdachte wegrijden.

Ten aanzien van de weggenomen goederen overweegt de rechtbank dat de aangifte op punten wordt ondersteund door overige bevindingen in het dossier, namelijk doordat één van de weggenomen Rolex horloges door [medeverdachte 1] ten tijde van zijn aanhouding werd gedragen, en bij hem geldbedragen zijn aangetroffen in verschillende valuta die overeenkomen met de bij de inbraak ontvreemde geldbedragen in die valuta. De rechtbank acht de aangifte daarom betrouwbaar en zij zal voor de bewezenverklaring uitgaan van de aangifte.

Het oordeel over het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde – eenvoudig witwassen

Voor een veroordeling ter zake van eenvoudig witwassen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag van enig eigen misdrijf afkomstig is. Zoals hiervoor is overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan een woninginbraak. Op grond van het tapgesprek met sessienummer 369 – in welk gesprek expliciet de [adres] wordt genoemd – acht de rechtbank bewezen dat verdachte voor zijn aandeel bij de inbraak 2.500 euro heeft gekregen en dus voorhanden heeft gehad.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het geldbedrag dat verdachte voorhanden heeft gehad afkomstig is van eigen misdrijf, zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan eenvoudig witwassen. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de overige goederen die in de tenlastelegging worden genoemd voorhanden heeft gehad, zodat verdachte ten aanzien van die goederen wordt vrijgesproken.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

ten aanzien van feit 1 subsidiair

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 7 juli 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (aan de [adres] ) hebben weggenomen

- alarmpistolen, en

- een Louis Vuitton schoudertas en

- identiteitsbewijzen en betaalpassen en waardekaarten op naam van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en

- parelcolliers en

- pareloorbellen en

- horloges van het merk Rolex en/of Van der Bauwede en/of Frank Muller en/of Pasha en/of Chanel en/of Corum en/of Breitling,

- witgouden en/of geelgouden armbanden en

- witgouden en/of geelgouden en/of rosé-gouden en/of diamanten ringen en

- kettingen en

- meerdere geldbedragen

toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , waarbij die [medeverdachte 1] zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 7 juli 2018 te Amsterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft verdachte zich met een op zijn naam staande auto ten tijde van de inbraak in de directe omgeving van de woning van de slachtoffers opgehouden en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (weer) naar de woning van de slachtoffers gereden (om de buit op te halen) en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de buit in de op zijn naam staande auto vervoerd weg van de woning van de slachtoffers.

ten aanzien van feit 2 subsidiair

hij in de periode van 7 juli 2018 tot en met 30 juli 2018 te Amsterdam, EUR 2.500,- heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerpen onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregel

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

7.2

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft – in het geval dat de rechtbank tot een strafoplegging komt – verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte altijd goed heeft meegewerkt met hulpverlenende instanties.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een woninginbraak waarbij voor een groot bedrag aan goederen is weggenomen. Woninginbraken veroorzaken materiële schade en hinder aan de benadeelden. Daarnaast worden de bewoners in hun persoonlijke levenssfeer aangetast, nu een woning bij uitstek een plaats is waar men zich veilig hoort te kunnen voelen. Dat hiervan daadwerkelijk sprake is geweest is gebleken uit de ter terechtzitting afgelegde toelichting op de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De benadeelde partij heeft verklaard dat haar meest persoonlijke goederen zijn weggenomen en dat er door de daders een ravage is achtergelaten. Zij geeft aan dat het gevolg hiervan is dat zij sindsdien bevangen is door angstgevoelens in haar eigen huis en ongewild verdriet, emoties, pijn, boosheid en onbegrip. Het gevoel van veiligheid in haar eigen huis was zij in één klap kwijt. Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Verdachte heeft er door zijn handelen blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen en heeft zich enkel laten leiden door financieel gewin. Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan eenvoudig witwassen.

De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In de waarde van de weggenomen goederen ziet de rechtbank aanleiding om daarvan naar boven toe af te wijken.

Uit het strafblad van verdachte is gebleken dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

8 Beslag – teruggave en bewaren ten behoeve van rechthebbende


Omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat het in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag, genoemd onder nummer 1 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen, in enige relatie staan tot de bewezenverklaarde feiten, dient dit bedrag aan verdachte te worden teruggegeven.

Omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat het in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedragen, te weten genoemd onder de nummers 2 tot en met 5 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen, in enige relatie staan tot de bewezenverklaarde feiten of aan verdachte toebehoren, dienen deze voorwerpen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

De beslissingen tot teruggave en bewaring kunnen uiteraard wel doorkruist worden door het conservatoir beslag dat volgens de officier van justitie op meerdere goederen is gelegd.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 319.080,- aan materiële schadevergoeding, € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding en € 15.242,- aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen. Hij heeft tevens gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu deze een onevenredige belasting van dit strafproces vormt. Er is misbruik gemaakt van de rechten die aan het slachtoffer in het strafproces is toegekend, door de vordering op een zeer laat tijdstip aan de verdediging te overleggen en de bijlages pas op zitting te delen.

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij drie dagen voorafgaand aan de zitting is ingediend. De weggenomen goederen zijn daarin gespecificeerd en de waarde van de goederen is daarbij vermeld. Ook is daarin beschreven met welke stukken de waardebepaling is onderbouwd. De benadeelde partij heeft ervoor gekozen de onderbouwende stukken enkel ter terechtzitting ter inzage beschikbaar te stellen, uit vrees dat de verkoopbaarheid van de weggenomen goederen zal worden vergroot indien de verdachten de echtheidscertificaten en taxaties in bezit krijgen. De raadsman van de benadeelde partij heeft tijdens de pro forma zitting op 22 november 2018 reeds aangekondigd op deze manier te werk te zullen gaan. De raadsvrouw heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de vordering – ondanks de hoge waarde van de goederen – eenvoudig is en voldoende is onderbouwd met de ter inzage beschikbaar gestelde stukken. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de materiële schade in zijn geheel toewijzen.

Advocaatkosten

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgevoerde advocatenkosten in geen enkele verhouding staan tot de aard en inhoud van de juridische werkzaamheden die daadwerkelijk gemoeid zijn met het opstellen van een vordering als deze. Daarnaast is onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom in het geval van deze vordering van ongeveer € 300.000 aansluiting dient te worden gezocht bij een vergoeding per punt voor een bedrag van één miljoen euro. Het aantal zittingen waarvoor vergoeding wordt verzocht is evenmin begrijpelijk.

De rechtbank ziet aanleiding om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen op grond van het bepaalde in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Nu ter terechtzitting geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken waarom er afgeweken zou moeten worden van het liquidatietarief, is de rechtbank van oordeel dat voor de vaststelling van die vergoeding het liquidatietarief als uitgangspunt gehanteerd dient te worden.

Bij de berekening op grond van genoemd liquidatietarief heeft de rechtbank gelet op de verrichte werkzaamheden, te weten het opstellen van de vordering en het toelichten van de vordering ter terechtzitting. De geldswaarde in hoofdsom ligt tussen de € 195.000,- en € 390.000,-, zodat tarief VI geldt (een tarief van € 2.402,- per punt). In totaal komt daarmee een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 4.804,-. De rechtbank zal dat bedrag toekennen en deze post voor het overige afwijzen.

Immateriële schade

De raadsman heeft verzocht aansluiting te zoeken bij toegekende schadebedragen in soortgelijke zaken, die doorgaans rond de € 250,- tot € 500,- liggen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Hoewel de rechtbank zich goed kan voorstellen dat het veiligheidsgevoel van mevrouw [slachtoffer 1] ernstig is aangetast door de inbraak, kent de Nederlandse wet een restrictief stelsel ten aanzien van het toekennen van vergoedingen voor ander nadeel dan vermogensschade. Artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek geeft daartoe een limitatieve opsomming. Het recht op vergoeding bestaat slechts:

a. wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);

b. bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;

c. bij aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

De schade die mevrouw [slachtoffer 1] stelt te hebben geleden, valt onder de aantasting van de persoon op andere wijze. Voor de toewijsbaarheid van een vordering gebaseerd op de aantasting van een persoon op andere wijze is volgens de Hoge Raad het uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, waarbij het moet gaan om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Gevoelens van angst, pijn, boosheid en onbegrip en het gemis van een gevoel van veiligheid vallen niet onder het bereik van de wet, ongeacht hoe voorstelbaar deze gevoelens ook mogen zijn. Mevrouw [slachtoffer 1] heeft ernstiger letsel dan voornoemde gevoelens niet gesteld. Daarom moet de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank wijst aldus een gedeelte van de vordering toe, te weten € 319.080,-, en wel hoofdelijk, en veroordeelt de verdachte tot betaling van de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk opleggen op de hierna te noemen wijze.

Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld tot voldoening van de proceskosten tot een bedrag van € 4.804,-.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 5.319,74 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en in zijn geheel en hoofdelijk kan worden toegewezen. Hij heeft tevens gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van feit 1 rechtstreeks schade heeft geleden. De schade is voldoende onderbouwd. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. De rechtbank wijst aldus een gedeelte van de vordering toe, te weten € 5.319,74 en wel hoofdelijk, en veroordeelt de verdachte tot betaling van de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht hoofdelijk opleggen op de hierna te noemen wijze.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 48, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaf door middel van braak;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

Eenvoudig witwassen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het geldbedrag genoemd onder nummer 1 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: de geldbedragen genoemd onder de nummers 2 tot en met 5 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte lijst van in beslaggenomen voorwerpen.

De vordering van [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] , hoofdelijk toe tot € 319.080,- (driehonderdnegentienduizend tachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 4.804,-.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] , aan de Staat € 319.080,- (driehonderdnegentienduizend tachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening, te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 305 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

[slachtoffer 2]

Wijst de vordering van [slachtoffer 2] , hoofdelijk toe tot € 5.319,74 (vijfduizend driehonderdnegentien euro en vierenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] , € 5.319,74 (vijfduizend driehonderdnegentien euro en vierenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2018 tot aan de dag van volledige voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 60 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 februari 2019.

Mr. Kleijne is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pg. 2 en 3.

3 Pg. 102 en 104.

4 Pg. 285.

5 Pg. 102 en 112.

6 Pg. 102, 108 en 109.

7 Pg. 141, 142 en 143.

8 Pg. 129 en 133.

9 Pg. 157, 161 en 165.

10 Pg. 50.

11 Pg. 280.

12 Pg. 144

13 Pg. 146

14 Pg. 192.

15 Pg. 290 en 291.

16 Pg. 306 en 308.

17 Pg. 355

18 Pg. 368

19 Pg. 362

20 Pg. 358

21 Pg.148