Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:10032

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-10-2019
Datum publicatie
22-01-2020
Zaaknummer
13/684048-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

belaging en in strijd handelen met gedragsaanwijzing, taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, een contact en gebiedsverbod met dadelijke uitvoerbaarheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/684048-19

Datum uitspraak: 10 oktober 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1963,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres verdachte] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.S. Gerson naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 26 september 2019 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. stalking van [slachtoffer] in de periode van 23 december 2018 tot en met 20 februari 2019;

2. in strijd handelen met een gedragsaanwijzing in de periode van 23 december 2018 tot en met 20 februari 2019;

3. stalking van [slachtoffer] in de periode van 15 september 2018 tot en met 24 november 2018.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het bellen en het versturen van WhatsApp-berichten in het eerste gedachtestreepje van feit 1.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft bekend in strijd te hebben gehandeld met de gedragsaanwijzing (feit 2). De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde stalking van [slachtoffer] (hierna: aangeefster) niet bewezen kan worden. De e-mailberichten zijn gestuurd buiten de ten laste gelegde periode. Bovendien is er onvoldoende bewijs dat verdachte bij de woning van [naam] , de ex-vriend van aangeefster, is geweest en daar heeft aangebeld. Daarnaast kan het contact met [slachtoffer 2] , de zus van aangeefster, niet worden gekwalificeerd als stalking van aangeefster zelf.

De raadsvrouw heeft ook aangevoerd dat de relatie tussen verdachte en aangeefster bestond uit het elkaar afstoten en weer naar elkaar terugkomen. Zij gingen op deze wijze met elkaar om. Aangeefster is bovendien na de aangiftes contact blijven zoeken met verdachte. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 en 3.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

In strijd handelen met een gedragsaanwijzing (feit 2)

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte in strijd heeft gehandeld met een gedragsaanwijzing waarin stond dat hij geen (in)direct contact mocht hebben met aangeefster. Deze gedragsaanwijzing is op 19 december 2018 uitgevaardigd en op 22 december 2018 heeft verdachte deze ontvangen. De gedragsaanwijzing liep van 23 december 2018 tot en met 20 februari 2019. In deze periode heeft verdachte contact opgenomen met zowel aangeefster als haar zus [slachtoffer 2] . Verdachte heeft bekend in deze periode e-mailberichten naar aangeefster te hebben gestuurd. Feit 2 kan daarmee worden bewezen.

Stalking (feiten 1 en 3)

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar heeft gestalkt nadat zij had duidelijk gemaakt dat zij de relatie wilde verbreken. Verdachte kon hier niet mee leven en hij bleef contact zoeken. Het ten laste gelegde in feit 3 betreft de periode van 15 september 2018 tot en met 24 november 2018. Verdachte heeft in deze periode een groot aantal WhatsApp-berichten naar aangeefster gestuurd. Aangeefster heeft meerdere keren het telefoonnummer van verdachte geblokkeerd om zo het contact te verbreken, maar verdachte bleef contact zoeken met telkens een nieuw telefoonnummer. Hij heeft zeker tien keer een nieuw telefoonnummer genomen, waarna hij haar weer opnieuw berichten stuurde. Verdachte heeft zich bovendien op 29 oktober 2018 opgehouden in de directe omgeving van de woning van aangeefster. Aangeefster heeft hiervan foto’s gemaakt. Ook heeft hij indirect contact proberen te zoeken met aangeefster door haar zus [slachtoffer 2] te bellen en berichten te sturen. Verdachte heeft op 23 november 2018 tijdens één van deze telefoontjes tegen [slachtoffer 2] gezegd dat aangeefster met haar ex-vriend [naam] was en dat zij in haar ondergoed voor [naam] stond. Verdachte heeft dit ook nog in een WhatsApp-bericht naar [slachtoffer 2] gestuurd. Op de terechtzitting van 26 september 2019 heeft verdachte verklaard dat hij deze informatie van een goede vriend had gekregen. Op de vraag van de rechtbank wie deze goede vriend dan was, wilde verdachte geen antwoord geven. De rechtbank acht deze verklaring ontoereikend en stelt vast dat verdachte op dat moment zelf voor de woning van aangeefster heeft gestaan.

Verdachte heeft op 19 december 2018 een gedragsaanwijzing opgelegd gekregen, waarin hem werd verboden contact op te nemen met aangeefster en zich in de omgeving van haar woning te bevinden. Deze gedragsaanwijzing liep van 23 december 2018 tot en met 20 februari 2019. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar in deze periode ook heeft gestalkt. Dit is ten laste gelegd in feit 1. In deze periode heeft verdachte diverse e-mailberichten naar aangeefster gestuurd. Ook heeft hij [slachtoffer 2] veelvuldig gebeld.

De vraag die vervolgens voorligt is of voornoemde gedragingen kunnen worden aangemerkt als belaging zoals bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. De aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte, in combinatie met de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster, zijn zodanig geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte heeft immers door het sturen van een groot aantal WhatsApp-berichten, het bellen en het zich in de omgeving van de woning van aangeefster ophouden, aangeefster gedwongen met hem in contact te blijven. Dit terwijl aangeefster meerdere keren had kenbaar gemaakt dat zij met rust gelaten wilde worden. Bovendien was er sprake van een gedragsaanwijzing. Dat aangeefster af en toe ook reageerde op verdachte maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank is van oordeel dat ook het contact met [slachtoffer 2] kan worden gezien als stalking van aangeefster. Uit de berichten en gesprekken met [slachtoffer 2] blijkt duidelijk dat verdachte op deze manier telkens indirect contact met aangeefster probeerde te zoeken. De ten laste gelegde stalking in feit 1 en 3 zal dan ook bewezen worden verklaard.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich heeft opgehouden bij de woning van [naam] (het derde gedachtestreepje van feit 1). De rechtbank is bovendien met de officier van justitie van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel bellen en WhatsApp-berichten sturen naar aangeefster (het eerste gedachtestreepje van feit 1).

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 23 december 2018 tot en met 20 februari 2019 te Amsterdam en Almere, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode meermalen:

- e-mailberichten verzonden naar die [slachtoffer] en

- de zus ( [slachtoffer 2] ) van voornoemde [slachtoffer] gebeld en

- zich opgehouden bij de woning van voornoemde [slachtoffer] ;

2.

in de periode van 23 december 2018 tot en met 20 februari 2019, te Amsterdam en te Almere, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 19 december 2018 gegeven door de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, immers heeft verdachte opzettelijk

- zich begeven in de nabijheid van de woning van voornoemde [slachtoffer] en

- de zus van voornoemde [slachtoffer] gebeld en

- voornoemde [slachtoffer] emailberichten gestuurd;

3.

in de periode van 15 september 2018 tot en met 24 november 2018 te Amsterdam en Amstelveen en Almere, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte in voornoemde periode meermalen:

- voornoemde [slachtoffer] gebeld en Whatsapp berichten en e-mailberichten en kaarten verzonden naar die [slachtoffer] en

- de zus van voornoemde [slachtoffer] gebeld en

- zich opgehouden bij de woning van voornoemde [slachtoffer] .

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Verdachte is daarvoor strafbaar.

6 Motivering van de straf

6.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij vordert zij de oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, een behandelverplichting, een contactverbod met aangeefster en haar familieleden en een locatiegebod voor de straat en omgeving van de woning van aangeefster. Daarnaast heeft zij gevorderd aan verdachte een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, op te leggen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Hierbij kunnen de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals door de reclassering geadviseerd. Verdachte is al gestart met een behandeling bij De Waag en hij is bereid zich aan een contactverbod te houden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende vijf maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner en hij heeft bovendien een gedragsaanwijzing overtreden. Verdachte heeft veelvuldig contact opgenomen met aangeefster en haar zus en heeft zich in haar nabijheid begeven. De aanhoudende en de dwingende wijze waarop verdachte contact probeerde te verkrijgen met aangeefster vindt de rechtbank zorgelijk. Verdachte geeft telkens aan dat zij op deze manier met elkaar omgingen en dat hij slechts reageerde op aangeefster. Verdachte lijkt geen inzicht te hebben in zijn gedrag. Ook lijkt hij niet te beseffen wat zijn gedragingen bij aangeefster teweeg hebben gebracht. Aangeefster heeft aangegeven dat de belaging heeft gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid. Ook heeft zij het gedrag van verdachte als intimiderend en als een inbreuk op haar privacy ervaren.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten. Uit het reclasseringsadvies van 21 juni 2019 volgt dat bij verdachte geen sprake is van enig probleembesef. Volgens verdachte is het gedrag van aangeefster de reden om contact te blijven zoeken en had hij niet de intentie om haar te stalken. De kans op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling bij De Waag.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van drie jaar en een taakstraf van 180 uren. De rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen, te weten een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting. Vanwege het gebleken gebrek aan inzicht van verdachte in zijn gedrag en zijn fixatie op aangeefster, acht de rechtbank een langere proeftijd noodzakelijk dan door de officier van justitie geëist. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v Sr opleggen, ter voorkoming van strafbare feiten. Deze maatregel behelst een contact- en gebiedsverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact mag opnemen, zoeken of hebben met aangeefster en haar zus [slachtoffer 2] . Het gebiedsverbod betreft de omgeving van de woning van aangeefster. Met deze verboden beoogt de rechtbank dat aangeefster en [slachtoffer 2] rust in hun leven krijgen en de kans op recidive door verdachte wordt verminderd. Beide verboden gelden voor de duur van drie jaar. Voor iedere keer dat verdachte één van deze verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd van twee weken tot een maximum van zes maanden. De rechtbank zal bevelen dat de maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar is. Verdachte heeft geen blijk gegeven van inzicht in het effect van zijn handelen. Er moet daarom ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [adres verdachte] vordert € 2.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is ter terechtzitting betwist. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is onderbouwd dat de klachten van aangeefster zijn ontstaan door het gedrag en de handelingen van verdachte.

Vast staat dat aan de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade in zijn geheel is ontstaan door de stalking. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 september 2018. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

In het belang van [adres verdachte] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 184a en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 en 3

belaging, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene en bijzondere voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Veroordeelde meldt zich op de met hem reeds gemaakte afspraken bij Reclassering Nederland op het adres [adres reclassering] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

- Veroordeelde laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Legt op de maatregel dat veroordeelde

- gedurende 3 (drie) jaar op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [datum 1] ) en [slachtoffer 2] (geboren [datum 2] );

- zich gedurende 3 (drie) jaar niet zal ophouden binnen een straal van 500 meter van de woning van [adres verdachte] (thans [adres slachtoffer 1] ).

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Wijst de vordering van [adres verdachte] , wonende op het adres [adres slachtoffer 1] , toe tot € 500,00 (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 september 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [adres verdachte] voornoemd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [adres verdachte] € 500,00 (vijfhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 september 2018) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 10 (tien) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Dekkers, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en J.P.W. Helmonds, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2019.

Bijlage I – Tenlastelegging

Tenlastelegging [verdachte]

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 26 september 2019 – ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december 2018 tot en met 20 februari 2019 te Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [adres verdachte] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/is hij, verdachte in voornoemde periode meermalen:

- voornoemde [slachtoffer] gebeld en/of Whatsapp berichten en/of e-mailberichten verzonden naar die [slachtoffer] en/of

- de zus ( [slachtoffer 2] ) van voornoemde [slachtoffer] gebeld en/of

- zich opgehouden bij de woning van voornoemde [slachtoffer] en/of

- aangebeld bij de woning van [naam] alwaar voornoemde [slachtoffer] op dat moment aanwezig was en/of

- voornoemde [slachtoffer] gevolgd;

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 december 2018 tot en met 20 februari 2019, te Amsterdam en/of te Almere, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 19 december 2018 gegeven door de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, immers heeft verdachte opzettelijk

- zich begeven in de nabijheid van de woning van voornoemde [slachtoffer] en/of is voornoemde [slachtoffer] gevolgd en/of

- bij de woning van voornoemde [slachtoffer] aangebeld en/of

- de zus van voornoemde [slachtoffer] gebeld en/of

- voornoemde [slachtoffer] een of meer emailberichten gestuurd en/of telefonisch benaderd en/of whatsapp berichten gestuurd;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 september 2018 tot en met 24 november 2018 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Almere, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [adres verdachte] , in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/is hij, verdachte in voornoemde periode meermalen:

- voornoemde [slachtoffer] gebeld en/of Whatsapp berichten en/of e-mailberichten en/of kaarten verzonden naar die [slachtoffer] en/of

- de zus van voornoemde [slachtoffer] gebeld en/of

- zich opgehouden bij de woning van voornoemde [slachtoffer] en/of

- aangebeld bij de woning van voornoemde [slachtoffer] en/of

- voornoemde [slachtoffer] gevolgd.