Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:10031

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
22-01-2020
Zaaknummer
13/148947-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

diefstal, ISD-maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/148947-19, 09/051185-19 (tul), 09/818672-17 (tul)

Datum uitspraak: 26 september 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [detentieplaats]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. B.C.M. Sprenger naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich op 21 juni 2019 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan diefstal van parfum bij de [winkel] .

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft bekend de winkeldiefstal te hebben gepleegd. De raadsman heeft geen verweer ten aanzien van het bewijs gevoerd.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van het aangifteformulier winkeldiefstal van de [winkel] , het proces-verbaal beschrijving camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat verdachte de winkeldiefstal heeft gepleegd.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 21 juni 2019 te Amsterdam een doosje eau de toilette (merk Dsquared 2), dat aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf [winkel] (gelegen aan [adres] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Verdachte is daarvoor strafbaar.

6 Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

6.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van 2 jaar, zonder aftrek van voorarrest. Verdachte voldoet aan de harde en zachte criteria. Er is sprake van psychische problematiek bij verdachte en er dient diagnostiek plaats te vinden. Uit het rapport van de reclassering volgt dat de ISD-maatregel als beste optie wordt gezien.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft te kennen gegeven behandeld te willen worden in een kliniek. De raadsman heeft aangevoerd dat hij twijfelt of de ISD-maatregel voor verdachte de beste en snelste mogelijkheid is om behandeld te worden. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

  • -

    het strafblad van 6 augustus 2019;

  • -

    een reclasseringsadvies van 3 september 2019 van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering Amsterdam, opgesteld door D. de Vries, reclasseringswerker.

De rechtbank heeft verder op de terechtzitting van 26 september 2019 mw. D. de Vries als deskundige gehoord.

Verdachte heeft zich – niet voor de eerste keer – schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal; een hinderlijk en veel voorkomend feit dat grote schade en overlast veroorzaakt.

Wettelijke vereisten

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan zoals omschreven in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte heeft een misdrijf begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Bovendien moet er, zoals blijkt uit het reclasseringsadvies, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Blijkens genoemd strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag worden opgemaakt voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.

Reclasseringsadvies

De reclassering is van mening dat een ambulant kader zowel verdachte als de maatschappij te weinig bescherming kan bieden. Er is sprake van psychische problematiek bij verdachte en binnen de ISD-maatregel kan verdere diagnostiek plaatsvinden waarna een passende (klinische) behandeling voor verdachte kan worden gevonden. De rapporteur merkt daarbij op dat het in de praktijk minimaal zes maanden zal duren voordat verdachte met een inhoudelijk traject kan starten, maar geeft daarbij ook aan dat er geen sneller alternatief voorhanden is. De ISD-maatregel wordt in dit geval als optimum remedium gezien.

Opleggen ISD-maatregel

De rechtbank zal aan verdachte de ISD-maatregel opleggen. Verdachte is de laatste jaren meermalen voor vermogensdelicten veroordeeld. Verdachte heeft inmiddels meerdere gevangenisstraffen achter de rug, maar deze lijken geen effect op zijn problematiek en het daarmee samenhangende criminele gedrag te hebben gehad. Bovendien zijn er al verschillende vormen van toezicht geprobeerd, zoals een ambulante behandeling en begeleid wonen, maar verdachte kwam zijn afspraken niet na en is uit de wooninstelling gezet. De rechtbank heeft er geen vertrouwen in dat hij, eenmaal op vrije voeten, niet in zijn oude gedrag zal terugvallen. In het kader van de ISD-maatregel kan verdere diagnostiek plaatsvinden naar de psychische problematiek van verdachte en kan hij behandeld worden.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van 2 jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank ziet ten slotte aanleiding om uiterlijk 8 maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel, de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel te toetsen.

7 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Parketnummer 09/051185-19

Bij de stukken bevindt zich de op 29 augustus 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 09/051185-19, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 5 maart 2019 van de politierechter te Den Haag, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 weken, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank is echter van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zich niet verdraagt met de op te leggen ISD-maatregel. De vordering wordt daarom afgewezen.

Parketnummer 09/818672-17

Bij de stukken bevindt zich de op 12 september 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 09/818672-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 augustus 2017 van de politierechter te Den Haag, waarbij verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ter terechtzitting van 26 september 2019 is gebleken dat deze gevangenisstraf al ten uitvoer is gelegd bij bovengenoemd vonnis van 5 maart 2019 van de politierechter te Den Haag. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie binnen 8 (acht) maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank zal berichten over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 09/051185-19.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09/818672-17.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Dekkers, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en J.P.W. Helmonds, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 september 2019.