Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:1002

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
C/13/644820 / HA ZA 18-265
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2021:455
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Haviltexmaatstaf. Uitleg bepaling in commerciële transactie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/644820 / HA ZA 18-265

Vonnis van 20 februari 2019

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MID OCEAN GROUP B.V.,

gevestigd te Barneveld,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TORENVLIET B.V.,

gevestigd te Barneveld,

eiseressen,

advocaat mr. M.H.J. van Rest te 's-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E.C. Netten te Amsterdam.

Eiseressen worden gezamenlijk MOG c.s. (in vrouwelijk enkelvoud) genoemd en afzonderlijk MOG en Torenvliet. Gedaagde wordt ING genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 2 maart 2018, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 17 oktober 2018 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 januari 2019 met de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

MOG treedt in dit geding mede op voor haar 15 groepsmaatschappijen waaronder Mid Ocean Hong Kong Ltd. (hierna: MO HK). Waar in het hierna volgende sprake is van MOG worden ook deze 15 groepsmaatschappijen bedoeld.

2.2.

ING en ABN Amro Bank N.V. (hierna: ABN Amro) waren gezamenlijk de financiers en schuldeisers van MOG. Op grond van een Amended and restated facility Agreement van 18 mei 2007 die laatstelijk is gewijzigd op 12 september 2012, had MOG bij ABN Amro en ING een kredietfaciliteit van in totaal € 65 miljoen, bestaande uit een werkkapitaal faciliteit, waaronder begrepen een rekening-courantkrediet bij ING, en een garantiefaciliteit.

2.3.

Op 2 november 2011 heeft Royal Bank of Scotland N.V., Hong Kong (hierna: RBS) een krediet verstrekt aan MO HK van € 1 miljoen onder de voorwaarde dat ABN Amro garant zou staan voor de aflossing daarvan, vermeerderd met 10% voor rente en kosten.

2.4.

Op 21 november 2011 heeft ABN Amro een bankgarantie van € 1,1 miljoen ten gunste van RBS gesteld tot zekerheid van de verplichtingen van MO HK uit voornoemd krediet (hierna: de ABN Amro garantie).

2.5.

Op 18 januari 2012 dan wel 1 maart 2012 heeft ING een contragarantie (hierna: de ING contragarantie) verstrekt waarbij zij zich jegens ABN Amro verplichtte om op verzoek aan ABN Amro te voldoen 40% van hetgeen ABN Amro uit hoofde van de ABN Amro garantie aan RBS zou voldoen, met een maximum van € 440.000. De tekst van de ING contragarantie luidt, voor zover hier van belang:

“Deze garantie is geldig tot de crediteur terzake van zijn vorenbedoelde verplichtingen is gedechargeerd, hetgeen de ondergetekende zal blijken uit een schriftelijke decharge van de crediteur en/of de terugontvangst van deze garantie ter annulering. (…)”

2.6.

MOG heeft op haar beurt aan ING een contragarantie (hierna: de MOG contragarantie) afgegeven waarbij zij ING de bevoegdheid heeft verleend om haar rekening-courantkrediet te blokkeren tot het bedrag dat ING onder de ING contragarantie aan ABN Amro zou moeten betalen zolang deze van kracht is en waarbij zij zich heeft verbonden om op eerste verzoek van ING de bedragen te voldoen die ING op grond van de contragarantie aan ABN Amro moet betalen. Ook deze garantie zou eindigen als ABN Amro geen rechten meer kon ontlenen aan de ING contragarantie en ING heeft kunnen vaststellen dat aan haar decharge is verleend. Vervolgens heeft ING het rekening courantkrediet van MOG tot een bedrag van € 440.000 geblokkeerd.

2.7.

Op 20 juni 2013 is, in verband met de overname door Torenvliet van de aandelen in MOG, tussen partijen een overeenkomst tot contractsoverneming (hierna: de overeenkomst) gesloten. Daarbij heeft Torenvliet de rechtspositie van ABN Amro en ING als financiers en schuldeisers van MOG overgenomen en een vorderingsrecht van € 21.413.890 op MOG verkregen. De overeenkomst waarin ABN Amro en ING worden aangeduid als Overdragende Partijen en Torenvliet als Overnemende Partij, luidt, voor zover van belang:

2. Contractsoverneming 6:159 BW

2.1

Overdragende Partijen dragen hun bestaande rechtsverhouding tot de MOG Schuldenaren uit hoofde van de Facility Agreement door middel van contractsoverneming in de zin van artikel 6:159 over aan Overnemende Partij met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.2 en artikel 6.1 (de “Contractsoverneming”). (…)

2.2

De Contractsoverneming heeft uitsluitend betrekking op de Uitstaande FA Schuld, (…)

2.4

ING heeft opgave gedaan dat haar aandeel in de Uitstaande Bank Schuld gelijk is aan EUR 8.874.207 (…) en dit aandeel ingevolge deze overeenkomst wordt overgedragen aan de Overnemende Partij. Indien er op de Overdrachtsdatum een lager bedrag uitstaat tussen ING en de MOG Schuldenaren dan EUR 8.874.207 (waarbij het in artikel 7.2 genoemde bedrag buiten beschouwing zal worden gelaten), dan kunnen de MOG Schuldenaren vrijelijk over dit verschil beschikken als ware het een creditsaldo op de door de MOG Schuldenaren bij ING aangehouden relevante bankrekeningen.(…)

3 Voorlopige Overnameprijs

3.1

Als tegenprestatie voor de Contractsoverneming zal Overnemende Partij aan Overdragende Partijen een bedrag van EUR 8.231.600 (…) betalen (…)

4 Overnameprijsaanpassing

4.1

De Voorlopige Overnameprijs is gebaseerd op de geconsolideerde balans die door MOG per 31 maart 2013 is opgesteld (…). De Voorlopige Overnameprijs zal worden gecorrigeerd op grond van een door de accountant van MOG goedgekeurde definitieve geconsolideerde balans per 31 maart 2013 (…)

8 Regeling re RBS

8.1

De Overnemende Partij verstrekt per de Overdrachtsdatum aan Mid Ocean Hong Kong Ltd. een lening onder nader overeen te komen voorwaarden ter grootte van USD 1.138.528,84 (…) teneinde het door Mid Ocean Hong Kong Ltd. benodigde bedrag te verstrekken (de “Torenvliet HK Lening”) voor volledige aflossing van het aan The Royal Bank of Scotland Plc, Hong Kong Branch (“RBS”) verschuldigde bedrag (de “RBS Aflossing”) onder de (…) loan facility agreement (…)

8.2

Als Bijlage 9.b is aangehecht de bevestiging van RBS dat met de betaling van de RBS Aflossing (…) uiterlijk op 21 juni 2013 (i) de HK LFA wordt beëindigd, en (ii) de door ABN AMRO in verband met de HK LFA aan RBS verstrekte garantie d.d. 21 november 2011 (…) komt te vervallen (…)

8.3

ABN AMRO verklaart hierbij jegens ING dat per het moment van verval van de door ABN AMRO in verband met de HK LFA aan RBS verstrekte garantie ingevolge artikel 8.2, ING is ontslagen van al haar verplichtingen jegens ABN AMRO uit hoofde van de door ING in verband met de HK LFA aan ABN AMRO verstrekte subgarantie d.d. 18 januari 2012 (…) en deze subgarantie op het moment van verval van de door ABN AMRO in verband met de HK LFA aan RBS verstrekte garantie automatisch komt te vervallen hetgeen door ABN zal worden bevestigd door middel van een daartoe strekkend SWIFT bericht gegeven door ABN AMRO aan ING. (…)”

2.8.

Op 20 juni 2013 heeft Torenvliet aan MO HK de in artikel 8.1 van de overeenkomst genoemde lening ter beschikking gesteld waarmee MO HK het krediet van RBS heeft afgelost. RBS heeft vervolgens de garantie van ABN Amro beëindigd. ABN Amro heeft ING op 26 juni 2013 bericht dat zij de ING contragarantie per die datum heeft laten vervallen. De MOG contragarantie is toen ook vervallen.

2.9.

Bij brief van 30 december 2014 heeft (de advocaat van) MOG c.s. ING verzocht om gelet op het bepaalde in artikel 2.4 van de overeenkomst een bedrag van € 99.798,41, vermeerderd met rente aan MOG te crediteren, omdat op de overdrachtsdatum van 20 juni 2013 een lager bedrag aan vorderingen op MOG uitstond dan het door ING opgegeven bedrag van € 8.874.207. ING heeft dit verzoek afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

MOG c.s. vordert samengevat - veroordeling van ING tot betaling van € 99.798,47, te vermeerderen met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van ING in de proceskosten en nakosten.

3.2.

Aan haar vordering legt MOG c.s. nakoming van de betalingsverplichting van ING uit artikel 2.4 van de overeenkomst ten grondslag. Zij stelt dat de vordering van ING op MOG op de overdrachtsdatum lager was dan het door ING opgegeven aandeel in de uitstaande bankschuld van € 8.874.207, omdat bij het vaststellen van het bedrag aan over te dragen vorderingen van € 21.413.890 het bedrag van € 1,1 miljoen (dat ABN Amro uit hoofde van de bankgarantie mogelijk te vorderen zou hebben van MO HK) is meegerekend. Van dit bedrag van € 1,1 miljoen is MO HK uiteindelijk slechts € 850.503,81 verschuldigd geworden aan ABN Amro. Er is dus in totaal een bedrag van € 249.496,19 teveel aan vorderingen overgedragen door ABN Amro en ING aan Torenvliet. Een gedeelte van 40 procent daarvan, € 99.798,47, betrof de vordering van ING. Door het vrijvallen van de bankgaranties na de overdracht is de vordering voor dat deel komen te vervallen en bedroeg de daadwerkelijke vordering van ING op de overdrachtsdatum € 8.774.408,59. Op grond van artikel 2.4 van de overeenkomst had het verschil van € 99.798,41 na de overdrachtsdatum aan MOG moeten worden voldaan.

3.3.

ING voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Torenvliet en afwijzing van de vordering tegen MOG, met veroordeling van MOG c.s. in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu ten behoeve van Torenvliet geen vordering is ingesteld zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard. Het betoog op de zitting dat Torenvliet belang heeft bij toewijzing van de vordering tot betaling van € 99.798,47 aan MOG, omdat MOG daarmee in staat wordt gesteld om de schuld aan Torenvliet te voldoen, is – wat daar ook van zij – onvoldoende om te kunnen spreken van een zelfstandig belang in de zin van artikel 3:303 BW van Torenvliet. Dit geldt temeer nu op de comparitie namens Torenvliet is verklaard dat zij tot nu toe jegens MOG geen aanspraak heeft gemaakt op betaling van de schuld.

4.2.

Deze zaak gaat om de uitleg van artikel 2.4 van de overeenkomst. MOG c.s. meent dat ING op grond van dit artikel gehouden is om het bedrag van € 99.798,47 aan MOG te voldoen. Zij stelt dat artikel 2.4 mede betrekking heeft op bedragen die aan MOG toekomen in verband met de lager uitvallende verplichting onder de ING contragarantie, ook nu deze bankgarantie pas na de overdrachtsdatum is vervallen. Daarnaast stelt zij dat Torenvliet teveel heeft betaald voor de overname van de vorderingen van ING op MOG indien het bedrag van € 99.798,47 niet aan MOG wordt voldaan.

ING betwist dit en voert aan dat artikel 2.4 is geschreven voor op de bankrekeningen van de MOG groepsmaatschappijen “going concern” binnenkomende gelden, daadwerkelijke crediteringen uit hoofde van de dagelijkse bedrijfsvoering, tussen het moment waarop ING het bedrag van € 8.874.207 aan vorderingen vaststelde en de overdrachtsdatum. Zij voert verder aan dat de door Torenvliet betaalde overnameprijs niet is gebaseerd op de omvang van de overgenomen vorderingen, zodat artikel 2.4 geen mechanisme ter correctie van de koopprijs behelst.

4.3.

De rechtbank zal aan de hand van de Haviltex-maatstaf beoordelen welke uitleg aan artikel 2.4 van de overeenkomst moet worden gegeven. Daarbij komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling(en) van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

4.4.

Als het gaat om de uitleg van een commerciële overeenkomst, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vast te leggen, komt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen grote betekenis toe. Bij de uitleg van artikel 2.4 is dan ook van belang dat de bepaling is opgenomen in een overeenkomst die een zuiver commerciële transactie tussen gelijkwaardige professionele partijen betreft waarbij het ging om zeer grote financiële belangen. Ook geldt dat partijen bij het opstellen van de overeenkomst zijn bijgestaan door deskundige juristen. Verder volgt uit de door MOG c.s. overgelegde stukken dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is onderhandeld over de precieze formulering van de bepaling. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding als uitgangspunt beslissend gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bepaling.

4.5.

Ook indien bij de uitleg van een contractuele bepaling groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval steeds meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de hiervoor onder 4.3. aangehaalde Haviltex-maatstaf (zie Hoge Raad 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, Lundiform/Mexx).

4.6.

De meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van artikel 2.4 is dat slechts bedragen die óp de overdrachtsdatum op het bedrag van € 8.874.207 in mindering moeten worden gebracht onder dit artikel vallen. Dit brengt mee dat artikel 2.4 geen betrekking kan hebben op het bedrag van € 99.798,47 dat in geschil is. Tussen partijen staat immers vast dat de MOG contragarantie enkele dagen na de overdrachtsdatum is vervallen.

4.7.

Ook indien geen beslissende betekenis wordt toegekend aan de bewoordingen van artikel 2.4, geldt dat MOG c.s. niet in de door haar bepleite uitleg van de bepaling kan worden gevolgd. Het betoog van MOG c.s. dat artikel 2.4 moet worden aangemerkt als een correctie op de door Torenvliet te betalen overnameprijs strookt niet met de overige bepalingen van de overeenkomst. Zoals ING terecht aanvoert, vermeldt artikel 4.1 expliciet dat de overnameprijs is gebaseerd op de geconsolideerde balans van MOG. Zonder nadere toelichting die MOG c.s. niet heeft gegeven, kan MOG c.s. niet worden gevolgd in de stelling dat Torenvliet teveel heeft betaald voor de vorderingen indien ING niet het bedrag van € 99.798,47 aan MOG voldoet. Daarbij geldt ook nog dat MOG c.s. geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het feit dat in artikel 2.4 is bepaald dat het verschil tussen het door ING opgegeven aandeel in de uitstaande bankschuld en de daadwerkelijke schuld op de overdrachtsdatum aan MOG moet worden betaald (in artikel 2.4. is vermeld dat MOG daarover vrijelijk moet kunnen beschikken als ware het een creditsaldo op haar ING bankrekeningen) en niet aan Torenvliet. Indien artikel 2.4 een correctiemechanisme met betrekking tot de overnameprijs zou zijn om te voorkomen dat Torenvliet teveel zou betalen, zou het voor de hand hebben gelegen dat in artikel 2.4 was bepaald dat het bedrag aan Torenvliet zou moeten worden betaald. De toelichting van MOG c.s. op de comparitie dat er bij MOG geld bij moest en dat dit mechanisme er bij de onderhandelingen uit is gekomen, is onvoldoende om tot een ander oordeel te kunnen leiden.

4.8.

Verder geldt dat als MOG c.s. artikel 2.4 zo heeft opgevat dat ook een na de overdracht van de vorderingen vrijgevallen deel van de MOG contragarantie aan te merken is als een bedrag dat aan MOG toekomt, dat niet meebrengt dat ING van diezelfde betekenis heeft moeten uitgaan. De gekozen bewoordingen van de bepaling bieden hiervoor geen steun. Integendeel, het betoog van ING dat artikel 2.4 slechts ziet op daadwerkelijk op de bankrekeningen van MOG binnenkomende crediteringen - en niet op een onder een bankgarantie vrijvallend bedrag -, strookt juist met de formulering van artikel 2.4 waarin sprake is van een creditsaldo op de door de MOG Schuldenaren bij ING aangehouden bankrekeningen.

4.9.

Bij dit alles wordt nog het volgende overwogen. Tussen partijen staat vast dat het bedrag van de door ING aan Torenvliet over te dragen vorderingen van € 8.874.207 voorafgaand aan de overdrachtsdatum door ING is bepaald om de transactie “werkbaar” te maken. Ook staat vast dat in dit bedrag de voorwaardelijke vordering van ING van € 440.000 op MOG vanwege de MOG contragarantie dat ING op de rekening courant van MOG had geblokkeerd, was opgenomen. Op de datum van de overdracht bezat ING in zoverre dan ook slechts een vordering op MOG die afhankelijk was van het in vervulling gaan van de voorwaarde dat het volledige bedrag van € 440.000 onder de MOG contragarantie zou worden getrokken. Partijen zijn het erover eens dat ING deze voorwaardelijke vordering op 20 juni 2013 aan Torenvliet heeft overgedragen als onderdeel van haar gehele pakket aan vorderingen op MOG met een totale vooraf bepaalde hoogte van € 8.874.207. Toen na 26 juni 2013 definitief kwam vast te staan dat de voorwaarde tot een bedrag van € 99.798,47 niet zou worden vervuld, was Torenvliet de eigenaar van die voorwaardelijke vordering. Het daadwerkelijk uitstaande bedrag aan schulden was daarom, zoals MOG zelf ook stelt, daardoor € 99.798,47 lager. Die schulden stonden op dat moment niet meer uit bij ING, maar bij Torenvliet die immers de positie van ING jegens MOG had overgenomen. Torenvliet heeft dan ook geen vordering op MOG tot het bedrag van € 99.798,47 zoals MOG c.s. stelt. Deze omstandigheden ondersteunen het standpunt van ING dat artikel 2.4 niet is bedoeld voor de onderhavige situatie.

4.10.

Het betoog van MOG c.s. op de comparitie dat de schuld van MOG aan ING door de vermelding van het bedrag van € 8.874.207 in de overeenkomst is komen vast te staan, gaat - voor zover zij daarmee bedoelt te betogen dat voor wat betreft de MOG contragarantie geen sprake was van een voorwaardelijke vordering - in het licht van het voorgaande niet op. Het vaststellen van de schuld op een bepaald bedrag om een transactie werkbaar te maken, terwijl partijen zich ervan bewust zijn dat in dat bedrag een deel aan voorwaardelijke vorderingen is opgenomen, kan er niet toe leiden dat de voorwaarde als vervuld moet worden aangemerkt. ING betoogt dan ook terecht dat zij (voor wat betreft de MOG contragarantie) niet meer (dat wil zeggen een onvoorwaardelijke vordering) heeft overgedragen dan zij had (namelijk een voorwaardelijke vordering).

4.11.

De conclusie is dat MOG c.s. onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld ter ondersteuning van haar uitleg van artikel 2.4 van de overeenkomst. Er is dan ook geen aanleiding om MOG c.s. tot bewijs dan wel tegenbewijs toe te laten.

4.12.

Gelet op het voorgaande zal de vordering worden afgewezen met veroordeling van MOG c.s. in de proceskosten. Deze kosten worden tot op heden aan de zijde van ING begroot op € 3.946 voor griffierecht en € 3.414 (2 punten x tarief € 1.707). De gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart Torenvliet niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

5.2.

wijst de vorderingen van MOG af,

5.3.

veroordeelt MOG c.s. in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 7.360, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt MOG c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat MOG c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de (proces)kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.H. Broesterhuizen en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2019.1

1 type: EMH coll: MCHB