Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:9958

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
13/659170-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mishandeling ambtenaar bewezen, OVAR voor opzettelijk valse/vervalste merken in voorraad hebben

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/659170-17

Datum uitspraak: 16 oktober 2018 (onmiddellijk uitspraak)

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 maart 2018 en 16 oktober 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van der Willigen, van de vordering van de benadeelde partij, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.J. van Gils naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 16 maart 2018 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. primair: diefstal met (bedreiging van) geweld en/of afpersing met (bedreiging van) geweld op 17 december 2016

subsidiair: heling van een mobiele telefoon op 17 december 2016

2. primair: gijzeling van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] op 17 december 2016
subsidiair: vrijheidsberoving van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] op 17 december 2016

3. mishandeling politieambtenaar [politieambtenaar] op 18 december 2016

4. heling van een fotocamera op 17 december 2016

5. invoeren/doorvoeren/verkopen/in voorraad hebben van valse/vervalste merken op 30 maart 2017

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2, omdat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte daadwerkelijk in de woning is geweest. Ook ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de telefoon wist dat deze van diefstal afkomstig was.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd tot bewezenverklaring van feiten 3, 4 en 5.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle feiten en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De enige link tussen verdachte en de woningoverval zijn de tassen die bij verdachte worden aangetroffen. Verdachte heeft een logische verklaring gegeven, namelijk dat hij deze tassen op straat heeft gevonden. Verder blijkt niet van enige betrokkenheid bij de overval. Er is geen DNA van verdachte aangetroffen in de woning. Daarom dient vrijspraak voor feit 1 primair en feit 2 te volgen.

Verdachte heeft zich ook niet schuldig gemaakt aan heling van de telefoon (feit 1 subsidiair), omdat hij op het moment van het aantreffen van de tassen niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de telefoon. Hij kon dus niet weten of vermoeden dat hij een telefoon voorhanden had die van diefstal afkomstig was.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het slaan van [politieambtenaar] (hierna: [politieambtenaar] ).

Feit 4 kan niet bewezen worden, omdat er geen bewijsmiddel voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte wist of moest vermoeden dat de fotocamera van misdrijf afkomstig was.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman primair aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat niet onomstotelijk blijkt dat het goederen betreft als bedoeld in artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op de strafuitsluitingsgrond van lid 2 van artikel 337 Sr, waaruit volgt dat het in voorraad hebben van enkele nagemaakte goederen voor eigen gebruik niet strafbaar is. Verdachte heeft verklaard de telefoons voor zijn kinderen te hebben gekocht. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair en subsidiair en feit 2

Er heeft een woningoverval plaatsgevonden waarbij verschillende goederen zijn gestolen, waaronder een telefoon. Deze telefoon wordt via de app ‘Find my Iphone’ gelokaliseerd op de H. Cleyndertweg, waar verdachte op dat moment loopt met drie tassen in zijn handen. In één van die tassen zit de weggenomen telefoon. Ook wordt een politiepet aangetroffen in één van de tassen. Bij de overval zouden de overvallers gebruik hebben gemaakt van een politievermomming. Verdachte is daarmee in het bezit van een deel van de buit en een deel van de vermomming. Volgens verdachte heeft hij de tassen op straat gevonden en meegenomen.

Er is DNA-onderzoek verricht naar de weggenomen telefoon, maar daar zijn geen sporen van verdachte op aangetroffen.

Ondanks dat hier sprake is van een verdachte situatie, is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte betrokken is geweest bij de woningoverval. De verklaring van verdachte wordt niet weerlegd door de bewijsmiddelen in het dossier en er zijn geen sporen van verdachte aangetroffen in de woning. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2.

Verdachte zal ook worden vrijgesproken van feit 1 subsidiair, omdat er geen sporen van hem op de betreffende telefoon zijn aangetroffen en niet kan worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de telefoon.

Bewijsoverweging feit 3

Uit het proces-verbaal van bevindingen, de aangifte en het verhoor van [politieambtenaar] leidt de rechtbank af dat verdachte tijdens zijn vlucht uit de politieauto met zijn vuist [politieambtenaar] in haar gezicht heeft geraakt. Verdachte heeft door zijn handelen op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [politieambtenaar] letsel zou oplopen. De mishandeling kan daarom bewezen worden.

Vrijspraak feit 4

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 4, omdat niet is gebleken dat verdachte wist of moest vermoeden dat de camera die hij heeft gevonden van misdrijf afkomstig was.

Bewijsoverweging feit 5

Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat in de auto van verdachte vijf, nog ingepakte, telefoons zijn aangetroffen. Het eerste lid van artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar het in voorraad hebben van in dit lid genoemde waren. De rechtbank acht bewezen dat verdachte deze telefoons in voorraad heeft gehad.

4.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 3

op 18 december 2016 te Amsterdam, een ambtenaar, [politieambtenaar] , surveillant van politie Eenheid Amsterdam, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, heeft mishandeld door met gebalde vuist tegen het gezicht van voornoemde [politieambtenaar] te slaan;

ten aanzien van feit 5

op 30 maart 2017 te Amsterdam, opzettelijk vervalste merken, te weten meerdere mobiele telefoons (merk Apple, Iphone) in voorraad heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van feit 3

Het bewezen geachte in feit 3 is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Ten aanzien van feit 5

De rechtbank acht het bewezen geachte in feit 5 niet strafbaar, omdat sprake is van de strafuitsluitingsgrond zoals opgenomen in lid 2 van artikel 337 Sr. Zoals door de raadsman terecht is aangevoerd is op grond van het tweede lid van artikel 337 Sr het in voorraad hebben van enkele valse of vervalste goederen voor eigen gebruik niet strafbaar. Er moet dan sprake zijn van een geringe hoeveelheid. De rechtbank stelt vast dat verdachte vijf telefoons in voorraad had, die hij naar eigen zeggen aan zijn kinderen wilde geven. Niet is gebleken dat verdachte het oogmerk heeft gehad om deze telefoons te verkopen. Lid 2 van artikel 337 Sr is in dit geval van toepassing en verdachte dient daarom ten aanzien van dit feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 3, 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van alle feiten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft tijdens zijn vlucht uit de politieauto een politieambtenaar in haar gezicht geslagen. Hij heeft daarmee inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Dergelijk gedrag jegens een politieambtenaar tijdens het uitoefenen van haar werkzaamheden getuigt bovendien van een kwalijk gebrek aan respect voor het openbaar gezag. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Deze veroordelingen zijn van enige tijd geleden. Het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor mishandeling is een geldboete van
€ 500,-. De rechtbank ziet geen reden om van dit oriëntatiepunt af te wijken en zal deze geldboete aan verdachte opleggen.

Beslag

Onder verdachte zijn goederen in beslag genomen, te weten een mes, telefoons en tassen.

Het mes en de telefoons zullen worden onttrokken aan het verkeer, nu het bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Ten aanzien van de tassen zal de rechtbank geen beslissing nemen, nu verdachte wordt vrijgesproken van de feiten waarop deze tassen betrekking hebben.

9 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 12.920,- aan materiële schadevergoeding en € 4.440,- aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 56.419,19 aan materiële schadevergoeding en € 4.440,- aan immateriële schadevergoeding.

De benadeelde partij [persoon 3] vordert € 5.370,44 aan materiële schadevergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, omdat verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, wordt vrijgesproken.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 23, 24c, 36b, 36c, 36d, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 3

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

ten aanzien van feit 5

opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken in voorraad hebben.

Verklaart het bewezene in feit 5 niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Verklaart het bewezene in feit 3 strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 (tien) dagen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    1 STK mes (5306593)

  • -

    3 STK zaktelefoon (5361952)

  • -

    2 STK zaktelefoon (5361953)

Verklaart [persoon 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Harrewijn, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2018.

[...]