Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:9884

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
18-02-2019
Zaaknummer
13/040526-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Oplegging art 9a Sr, nu verdachte momenteel een ISD-maatregel ondergaat welke een positief effect lijkt te hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/040526-18

Datum uitspraak: 15 november 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 november 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.C. Niks en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.M. Peeperkorn naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

Feit 1

hij op of omstreeks 20 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 1] ), op een voor nachtrust bestemd tijdstip, heeft weggenomen

- één of meer bankpas(sen) (ten name gesteld van [persoon 1] ) en/of

- een (Visa) creditkaart en/ of

- één of meer computer(s) en/ of tablet(s) en/ of

- een telefoon en/ of

- één of meer portemonnee(s) (met inhoud) en/of

- een rijbewijs (ten name gesteld van [persoon 2] ) en/of

- één of meer zorgpas(sen) (ten name gesteld van [persoon 1] en/of

[persoon 2] ),

in elk geval een of meer goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] en/ of [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/ of verbreking van een raam van die woning en/of door inklimming in de woning.

Feit 2

hij op of omstreeks 21 augustus 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (bedrijfs)pand (gelegen aan [adres 2] ) heeft weggenomen een (fooien)pot, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/ of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op of verbreking van een raam van dat (bedrijfs)pand;

Feit 3

hij op of omstreeks 08 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 3] ) op een voor nachtrust bestemd tijdstip

heeft weggenomen

- één of meer Iphone(s) en/of

- een OV-kaart (ten name gesteld van [persoon 4] ) en/of

- een rijbewijs (ten name gesteld van [persoon 4] ) en/of

- een tennispas (ten name gesteld van [persoon 4] ) en/ of

- een (ING)bankpas (ten name gesteld van [persoon 4] ) en/of

- ( ongeveer) 60,- Euro, althans enig geldbedrag en/of

- een (foto)camera en/of één of meer tas(sen) en/of

- één of meer zonnebril(len) en/ of

- een (regen)jas en/ of

- een computer en/ of

- een hoofdtelefoon en/ of

- één of meer acculader(s) en/ of

- een telefoonhouder,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[persoon 5] en/of [persoon 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op of verbreking van een (serre)deur van die woning en/of door inklimming in de woning;

Feit 4

hij op of omstreeks 18 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit en/of bij een woning (gelegen aan [adres 4] ) op een voor nachtrust bestemd tijdstip heeft weggenomen

- een autosleutel en/ of

- een (personen)auto (merk Kai, type Sorento en/of gekentekend [kenteken] ) en/of

- een (Amerikaans) paspoort (ten name gesteld van [persoon 6] ) en/of

- één of meer (Nederlandse) paspoort(en) (ten name gesteld van [persoon 6] ) en/of

- een (foto)camera en/of

- één of meer (camera)lenzen en/of

- een Tom Tom en/of

- één of meer horloge(s) en/ of

- één of meer siera(a)d(en) en/ of

- een kluis (inhoudende 300 Euro(munt) geld en/of 400,- Euro, althans één of meer geldbedrag(en)) en/of

- één of meer harddisk(s) en/ of

- één of meer portemonnee(s) en/of

- een notieboek en/ of

- een kaarthouder,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op of verbreking van een raam van die woning en/of door inklimming in de woning;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 18 september 2017 tot en met 20 september 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een autosleutel (merk Kia) en/ of een (grote) hoeveelheid sieraden heeft verworven, voorhanden gehad en/ of overgedragen, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/deze goed(ren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 5

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 20 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan de ABN-Amrobank en/of [persoon 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, gebruik maakte van een valse sleutel, immers heeft hij een (gestolen) bankpas (ten name van [persoon 2] ) in de geldautomaat van de ABN-Amrobank gevestigd aan de [adres 5] gestoken en/of een of meerdere keren een pincode ingevoerd; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 juli 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een (ABN-Amro)bankpas (ten name gesteld van [persoon 2] ), heeft verworven, voorhanden gehad en/ of overgedragen, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De waardering van het bewijs

4.1

Vrijspraak van het onder 1, 3 en 4 primair ten laste gelegde

Anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen. Verdachte ontkent het feit en er is geen bewijs dat verdachte in de woning van aangever heeft ingebroken. Dat verdachte met een uit de woning van aangever weggenomen pinpas geld heeft geprobeerd op te nemen bij een pinautomaat maakt dat niet anders, nu er tussen het moment van de inbraak en het pinnen met de gestolen pinpas teveel tijd zit om daar conclusies aan te kunnen verbinden. Bovendien wordt de verklaring die verdachte ter zitting heeft afgelegd over hoe hij aan die gestolen pinpas is gekomen niet door enig bewijsmiddel weerlegd.

Ook voor het onder 3 ten laste gelegde is, zoals ook door de raadsvrouw aangevoerd, onvoldoende bewijs. Verdachte ontkent het feit en er is geen bewijs dat verdachte in de woning van aangever heeft ingebroken. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de verklaring van getuige [getuige] hiervoor niet voldoende, nu zij wisselend heeft verklaard en bovendien niet blijkt dat zij verdachte daadwerkelijk met de gestolen spullen heeft gezien. Daar komt bij dat in de woning van [getuige] slechts een deel van de gestolen goederen is teruggevonden. Onduidelijk is wat er na de inbraak met de andere goederen is gebeurd.

Anders dan de officier van justitie en met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het onder 4 primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Verdachte ontkent de inbraak en er zijn in de woning geen sporen van verdachte aangetroffen. Het twee dagen na de inbraak voorhanden hebben van – een deel van – de gestolen spullen is onvoldoende om verdachte te linken aan de inbraak.

Verdachte zal van de hiervoor genoemde feiten worden vrijgesproken.

4.2

Het oordeel over het onder 2, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde

De onder 2, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, zoals hierna vermeld. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen – waaronder de ter zitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte – zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Feit 2

op 21 augustus 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand, gelegen aan [adres 2] , heeft weggenomen een fooienpot, toebehorende aan [persoon 3] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak van een raam van dat bedrijfspand.

Feit 4 subsidiair

op 20 september 2017 te Amsterdam, een autosleutel, merk Kia, en een (grote) hoeveelheid sieraden heeft voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Feit 5

op 20 juli 2017 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geldbedragen, toebehorende aan [persoon 2] , waarbij hij, verdachte, gebruik maakte van een valse sleutel, een gestolen bankpas ten name van [persoon 2] in de geldautomaat van de ABN-Amrobank gevestigd aan de [adres 5] heeft gestoken en meerdere keren een pincode heeft ingevoerd; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Geen straf

De officier van justitie heeft – zoals in zijn schriftelijk requisitoir nader toegelicht – gevorderd dat verdachte voor het door hem onder 1, 2, 3, 4 subsidiair en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

De rechtbank komt tot een ander oordeel en overweegt als volgt.

Verdachte ondergaat momenteel een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren, die hem is opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank in Amsterdam van 27 december 2017. Deze behandeling lijkt een positief effect op verdachte te hebben. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bewezen geachte feiten zijn gepleegd voordat genoemde maatregel werd opgelegd en dat dit ook vermogensdelicten betreffen. Met de raadsvrouw acht de rechtbank het aannemelijk dat, indien de feiten in deze zaak tegelijk met de eerder genoemde vermogensdelicten waren berecht, dit in de zaak van 27 december 2017 niet tot een andere beslissing had geleid. De rechtbank acht het daarnaast onwenselijk het ISD-traject te doorkruisen dan wel verdachte na afronding van zijn ISD-traject nogmaals met een strafrechtelijke sanctie te confronteren.

De rechtbank is daarom met de raadsvrouw van oordeel dat geen straf aan verdachte dient te worden opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 3] en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 3] vordert € 1.165,02 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, met de wettelijke rente. Daarbij dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De vordering is ten aanzien van de gederfde vakantie en reiskosten door de raadsvrouw betwist, nu deze kosten volgens haar onvoldoende onderbouwd zijn. De rechtbank acht de gevorderde schade echter voldoende aannemelijk geworden en zal deze toewijzen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 1.165,02 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 3] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.165,02.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 5] / [persoon 4]

De benadeelde partij [persoon 5] / [persoon 4] vordert € 1.028,19 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, met de wettelijke rente. Daarbij dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

De benadeelde partij zal – zoals ook door de raadsvrouw is bepleit – in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 6]

De benadeelde partij [persoon 6] vordert € 1.553,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, met de wettelijke rente. Daarbij dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

De benadeelde partij zal – zoals ook door de raadsvrouw is bepleit – in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 4 bewezen verklaarde feit. De gevorderde schade ziet immers op nog niet teruggevonden sieraden, terwijl het bewezenverklaarde juist ziet op de bij verdachte aangetroffen goederen.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

Verklaart het onder 1, 3 en 4 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2, 4 subsidiair en 5 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

ten aanzien van het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde:

opzetheling;

ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf wordt opgelegd.

Wijst de vordering van [persoon 3] , toe tot € 1.165,02 (elfhonderd vijfenzestig euro en twee cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3] aan de Staat € 1.165,02 (elfhonderd vijfenzestig euro en twee cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening,

te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 21 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [persoon 5] / [persoon 4] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart [persoon 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. C.M. Berkhout en J.I.M. Kuin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Bouwhuis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 november 2018.